Login

CAPTCHA
Deze vraag dient om na te gaan of u een menselijke bezoeker bent teneinde spam inzendingen te vermijden.
7 + 3 =
Solve this simple math problem and enter the result. E.g. for 1+3, enter 4.

Bedenkingen bij thema 'geloof'

Mijn neef Patrick is een boom van een vent. Zijn vader kweekte, zoals zovelen uit mijn geboortestreek generaties lang deden, groenten, verdiende zo zijn boterham, ja kon zelfs een kleine landeigendom verwerven. Patrick nam de boerderij over, maar de laatste keer dat ik hem zag, vertelde hij mij dat hij niet meer kon leven van zijn hof en dat hij enkele dagen per week in loondienst ging werken bij een grote boer. Tussen de Polen zei hij goedlachs, en hij voegde eraan toe dat die Polen zich elk weekend te pletter zopen. Het was mij niet duidelijk of hij mij zo wilde zeggen dat zij niet hard genoeg waren voor de boerenstiel of dat zij niets anders om handen hadden in hun vrije dagen. Toen ik mijn vader onlangs vroeg hoe het Patricks dementerende moeder verging, beantwoordde hij mijn vraag niet, maar zei: “Patrick wil niet meer op het veld werken, hij heeft geen vrouw en kinderen om voor te zorgen, en komt de zetel niet meer uit. Zijn broer moet tijdens het weekend zijn land bewerken”. Dat mijn neef zijn geloof verloor in het kweken van voedsel, in zinvolle arbeid, is het uitgangspunt voor mijn bedenkingen over het thema van Lezen in de Lente. Met zijn taaie vermogen om te overleven en boerensluwheid zou Patrick er zich moeten doorslaan, al geeft Chris De Stoop je in zijn laatste boek redenen om dit te betwijfelen.

Geloof staat na decennia van voortgaande secularisering weer in de actualiteit. En geloof wordt steevast, door gelovigen en ongelovigen, vereenzelvigd met religie en godsdienst. Wij zien hier geen verband en willen met ons literair festival een seculier geloof thematiseren dat wij niet alleen verbinden met zinvolle arbeid, het produceren van voeding, kleding, huisvesting… maar ook met solidariteit, participatieve democratie, en jawel met literatuur. Daarin geloven wij, en dit geeft ons leven zin zonder dat wij dit religieus of godsdienstig moeten funderen. Geloof betekent in het Latijn Credo dat afgeleid is van “cor do” en in het Nederlands als “ik geef mijn hart” vertaald wordt. Wij verpanden ons hart niet aan één of andere spiritualiteit of aan God, maar ons geloof verbinden wij met een maatschappelijk project dat wij delen met elkaar. In wat volgt stellen wij religie en godsdienst aan elkaar gelijk, ook al heeft ons hart meer sympathie voor religie dan voor godsdienst, en voelen wij meer voor  polytheïsme, een godsdienst met vele goden, dan voor monotheïsme. Maar wij willen het vooral hebben over ons seculier geloof, en laten die nuanceringen over religie en godsdienst verder achterwege. Wij starten met twee romans, één van Michel Houellebecq die zich afspeelt in 2022, de toekomst, en één van Louis Paul Boon die zich situeert in de 16e eeuw, het verleden. Zij geven ons een goed beeld over de actuele discussie over godsdienst.  Nadien analyseren wij het fenomeen geloof met drie non fictie boeken van Friedrich Nietzsche, Max Weber en Maarten Boudry. Elk van die boeken reikt ons een paar stukken aan waarmee wij de puzzel van ons seculier geloof proberen samen te leggen.   

De roman “Onderworpen” van Michel Houellebecq verscheen op 7 januari 2015, de dag waarop in Parijs Islamitische terroristen negen medewerkers van het satirische weekblad Charlie Hebdo dat gewijd was aan het boek, vermoordden. De samenloop was toevallig, maar toonde pijnlijk duidelijk de actualiteit van het werk van Houellebecq. De achtergrond van zijn boek is een burgeroorlog tussen Franse nationalisten en Islamitische salafisten in 2022. Als door het geweld de verkiezingen uitgesteld worden, wankelt de vijfde republiek, maar een breed republikeins Front redt de democratie door de gematigde kandidaat van de Moslimbroederschap Mohammed Ben Abbas te steunen. Abbas had “in tegenstelling tot zijn rivaal Tariq Ramadan die werd gehinderd door zijn trotskistische connecties, …er altijd voor uitgekeken zich te compromitteren met antikapitalistisch links” (pag. 120). Er lag “een brede weg voor hem open die rechts noch het Front National kon bewandelen zonder als… fascistisch te worden gebrandmerkt door de laatste soixante-huitards, uitstervende progressieve mummies, sociologisch levenloos, maar schuilend in ivoren mediatorens waaruit ze nog hun donderpreken konden afsteken” (pag. 121). Abbas wordt de nieuwe president van Frankrijk die na de verkiezingen het patriarchaat herstelt, de vrouwen naar de haard stuurt en zo het probleem van de Franse werkloosheid oplost. François, een literatuurprofessor aan de Sorbonne, is de hoofdfiguur van het boek. Als met de financiële steun van Saoedi-Arabië de universiteit omgevormd wordt tot de “Islamitische Universiteit Paris-Sorbonne”, moet de vrijzinnige François eruit. Zijn leven wordt helemaal leeg, als zijn Joodse vriendin geen toekomst meer ziet in zijn land en naar Israël uitwijkt. Als de kwaliteit van het onderwijs aan de gezuiverde Sorbonne in sneltrein daalt, zoekt de Islamtische rector hem op, en doet hem een voorstel. Als hij zich bekeert, krijgt François een nieuwe lesopdracht, en gezien zijn status, drie vrouwen, al is dat laatste “natuurlijk absoluut geen verplichting” (pag. 229). “Het summum van menselijk geluk [schuilt ]in de meest absolute onderworpenheid” (pag. 203-204), citeert de rector uit de erotische schandaalroman “Histoire d’O” onder vier ogen om François over de streep te halen. Die grijpt de opportuniteit en zegt in de laatste zin: “Het zou de kans zijn op een tweede leven dat weinig met het eerste te maken had. Ik zou nergens spijt van hoeven te hebben” (pag. 234). Houellebecq brengt een hedonistisch opportunisme, een Islamitisch fundamentalisme en de menselijke zoektocht naar geborgenheid samen in een ronduit magistraal boek. Voor ons thema leren wij er vooral uit hoe gemakkelijk de hulpeloze François die in niets gelooft, zich neerlegt bij de macht van een fundamentalistische godsdienst.  

Het schrikbeeld van een fundamentalistische Islam waarover het boek van Houllebecq handelt, is niet nieuw. Diarmaid Mac Culloch zet in zijn boek “Reformatie” (2003) uiteen dat de opkomst van het protestantisme in de 16e eeuw begrepen moet worden vanuit het spoor van vernieling dat de Turken door Europa trokken na de val van het Oost-Romeinse Rijk. De sultan stond in 1523 met zijn troepen voor de poorten van Wenen, en Islamitische kapers ontvoerdenongeveer een miljoen mannen, vrouwen en kinderen uit de nederzettingen aan de Europese kusten, tot in Ierland en IJsland toe. Christenen vreesden de ondergang van de wereld en wilden zich niet meer onderwerpen aan de paus, maar alleen nog aan God. Zij kwamen in opstand tegen de Kerk en zo ontstond een anti-autoritaire godsdienst, het protestantisme. Louis Paul Boon schreef er “Het Geuzenboek” (1979) over dat gaat over de opstand, de strijd en de ondergang van de Bosgeuzen in de Zuidelijke Nederlanden. De Geuzen staan symbool voor de strijd van de kleine man die zich verzet tegen de pracht, rijkdom en rituele glorie van de Kerk en tegen de macht van de Staat, een weerkerend thema in het werk van Boon.  

Aangezien de gemeenteraad van ons dorp recentelijk beslist heeft om de burcht van Herzele als blijvende herinnering aan de verschrikkingen van de godsdienstoorlogen niet herop te bouwen, en wij tijdens Lezen in de Lente de schilderijen van Patrick Meulenijzer in de toren tentoonstellen, bespreken wij uit het boek van Boon vooral het jaar 1579 waarin Spaanse troepen de burcht vernielden. Vanaf 1566 werden door protestantse geestelijken vele hagepreken “buiten de stadsmuren gehouden, in weide of veld, aan de uitkant van het bos of op de landwegen” (pag. 267). Zij trokken massa’s volk aan, en Boon spreekt bijvoorbeeld van 5.000 aanwezigen op een preek in Edelare. Om de alleenheerschappij van de Roomse godsdienst te behouden roept de Kerk de hulp in van de Spaanse koning die meende dat zijn land “door God uitverkoren [was]… om het ware geloof over de gehele aarde te verbreiden en over de gehele aarde te laten heersen” (pag. 191). Nadat Filips II met het goud en zilver uit zijn koloniën tienduizenden huursoldaten geronseld had in heel Europa, stuurde hij zijn leger naar de Nederlanden om samen met de Inquisitie de ketters te onderwerpen. “Omdat het volk uitgebuit werd, de brandstapels laaiden en de lijken aan de galgen bengelden” (pag. 199), riep het geweld van de overheerser een spiraal van tegengeweld op. De mannen die de hagepreken begeleid hadden met hooivorken, vormden zich om tot het revolutionair volksleger van de Bosgeuzen. Niet alleen hun verzet verhardde, ook de godsdienst werd strenger. Velen zochten heil in het Calvinisme, het zakelijke en onverzettelijke nieuwe geloof, en Gent riep in 1578 de Calvinistische republiek uit. De Spaanse troepen die wegens geldgebrek niet meer betaald werden, sloegen in 1579 aan het muiten, en tijdens deze Spaanse furie werd het hele platteland van Zuid-Oost Vlaanderen geplunderd. “Vele boeren namen de vlucht en lieten hun akkers tot wildernis verworden” (pag. 625). Toen ook de Gentse vrijbuiters aan het stropen sloegen, werd het zo erg dat de vluchtende “boeren op de beestenmarkt hun koeien en schapen ruilden voor ergens een zolderkamertje” (pag. 640-641). “Roversbenden werden alsmaar talrijker en groter en machtiger, en zich tussen de vechtende legers doorbewegend, nestelden zij zich in verbrande dorpen, in de bossen of in de tot bos verwordende vruchtbare akkers van weleer” (pag. 648). In 1580 was “tussen Gent, Aalst en Geraardsbergen nauwelijks nog een huis te vinden” (pag. 648). “Al deze toestanden werden zo grotesk dat het er niet meer om ging of men… roomsgelovig dan wel calvinistisch was. Het ging er alleen nog om wie wat te vreten had en wie niet” (pag. 653), zo schrijft Boon. In 1884 worden de Gentse Geuzen na een vreselijke hongerwinter verslagen door de Spaanse troepen van Farnese en sindsdien waren de protestante Noordelijke Nederlanden en het katholieke Vlaanderen gescheiden.

Boon schetst de buitensporige wreedheden waartoe een fundamentalistische godsdienst in handen van een machthebber kan leiden. De vergelijking met de wreedheden die de Islamitische Staat in Syrië of Irak in onze tijd begaat, ligt zo voor de hand. Boon toont ons ook hoe de schrik voor een bedreigende Islam niet alleen moet leiden tot een steeds repressiever optreden van Staat en Kerk, maar ook aanleiding kan geven tot een anti-autoritaire beweging zoals de Bosgeuzen. Voor Boon waren zij de voorlopers van de Verlichting en kwamen zij als eersten op voor de waarden vrijheid, gelijkheid en broederschap. Hun bevrijdingsoorlog mislukt, maar hun ideaal zal zich de volgende eeuwen doorzetten. Vanaf 1650 ontstaan de natiestaten die gebaseerd zijn op geloofsvrijheid en de scheiding van kerk en staat. Begin 21e eeuw lijken de natiestaten – alle nationalisme ten spijt – op de terugweg, en steken fundamentalistische godsdiensten weer de kop op. Zou het kunnen dat wij stilaan op weg zijn naar een nieuwe internationale rechtsorde waarin het geloof om een nieuwe invulling vraagt? Zo ja, dan willen wij ons in de lijn van Boon vanuit de Verlichtingswaarden verzetten tegen het nieuwe religieuze fundamentalisme en een autoritaire nationalistische staatsmacht. Maar meer dan Boon die door zijn idealisering van het verzet van de Bosgeuzen tegen de katholieke overheerser al te gemakkelijk meeging met het protestantisme, willen wij de destructieve werking van de godsdienstige idealen verder uitdiepen aan de hand van het werk van Friedrich Nietzsche en Max Weber.

Als Nietzsche zijn boek “De Antichrist” (1888) als titel geeft, verwijst hij naar Satan, de duivel, maar ook naar zichzelf en eenieder die zich tegen de christelijke godsdienst keert. De christenen kozen voor “vijandschap tegen het leven” (pag. 13), stelt Nietzsche, op basis van een “formule voor idioten ‘gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid tegenover God’” (pag. 40). Zij ontkennen het leven, verachten het lichaam en vernederen met de zonde de mens. Christus verkondigt de blijde boodschap dat er geen tegenstellingen meer zijn, maar hierdoor verzet hij zich niet meer tegen het kwaad, maar heeft dit lief, en hij verzet zich evenmin tegen de dood, maar lokt deze uit. “Strikt genomen kon Jezus met zijn dood niets anders willen dan het krachtigste bewijs van zijn leer te geven” (pag. 63), stelt Nietzsche. Het christelijk geloof “heeft partij gekozen voor alles wat zwak, laag en mislukt is” (pag. 10). Nietzsche onderschat die keuze van de christelijke gelovigen niet. “De christen, vals op het onschuldige af, staat ver boven de aap” (pag. 62). De Kerk doet alles om de christelijke boodschap van ascetisme te ontkennen en zoekt met schaamteloze zelfzucht het eigen voordeel. “Men heeft uit het tegendeel van het evangelie de Kerk opgebouwd” (pag. 56). En met Paulus, “het genie van de haat” (pag. 66) die na de dood van Christus het zwaartepunt van de godsdienst naar het hiernamaals verlegt, stak “het meest onevangelische gevoel, wraak,…. opnieuw de kop op. De aangelegenheid kon onmogelijk afgesloten zijn met deze dood: men had behoefte aan ‘vergelding’, aan ‘veroordeling”” (pag. 63) om de zelfgewilde dood van Christus te wreken. “Oordeelt niet” zeggen de christenen “maar ze sturen alles naar de hel die hen voor de voeten komt. Door God te laten oordelen, oordelen zij zelf” (pag. 71.). In zijn boek toont Nietzsche ons hoe de christelijke ascetische idealen die het goede vereenzelvigen met een ontkenning van de levenskrachten, tot een haat tegen het leven aanzetten. Goed is voor Nietzsche daarentegen “alles wat… de macht zelf in de mens vermeerdert” (pag. 8). Hij kiest voor wat de christenen “het kwaad zonder meer” (pag. 77) noemen: rechtschapenheid volgens geest, schoonheid, vrijheid van hart, “simpelweg wereld” (pag. 77). Als wij greep willen krijgen op deze wereld met zijn chaos aan tegengestelde krachten, dan hebben wij macht nodig. Voor Nietzsche is de eeuwige zandloper van het bestaan een opeenvolging van lente, zomer, herfst en winter die elk jaar weer gevolgd wordt door een nieuwe lente waarin menselijke macht telkens weer noodzakelijk is, en wij kunnen dit slechts beamen.  

Max Weber bestudeerde de grote wereldgodsdiensten (islam, christendom, jodendom, boeddhisme, hindoeïsme…) en vond een verband tussen het protestantisme en het kapitalisme. In “De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme (1905) stelde hij dat het kapitalisme niet ontstaan was uit de materiële onderbouw zoals Marx meende, maar uit een godsdienstig zingevingsproces. De kapitalistische mentaliteit was in de geesten aanwezig vooraleer de kapitalistische productiesystemen ontwikkeld werden. De kloosters hadden een rationele arbeidsmoraal in combinatie met een ascetische levenshouding ontwikkeld buiten de wereld. De protestantse burgerij, en dan vooral het calvinistische deel ervan, bracht de mentaliteit van hard werken, rationele arbeidsorganisatie en onthechting van aardse goederen naar de wereld en stond zo aan de wieg van het kapitalisme. Zij kwam in opstand tegen de corrupte luxe van de adel en de kerk, en cultiveerde met de bijbel in de hand de nieuwe kapitalistische ethiek. Het schaamteloos vermeerderen van goederen die niet geconsumeerd werden, gebeurde ter ere van God en was het resultaat van het vervullen van de christelijke plicht. Rijkdom was niet verkeerd, maar het bewijs van Gods uitverkiezing. Weber kreeg veel kritiek op zijn protestantisme-these, maar niemand kan ontkennen dat het kapitalisme in de protestantse Noordelijke Nederlanden en in Groot Brittannië ontwikkeld werd, en niet in Spanje met al zijn zilver en goud uit de kolonies. Weber erkent zelf dat de protestantse ethiek in het huidige kapitalisme geen rol meer speelt, omdat het een economisch systeem geworden is waarin overleven in de concurrentiestrijd centraal staat. Is zijn boek dan nog van belang voor onze tijd? Ik meen van wel om twee redenen. Ten eerste blijft zijn stelling overeind dat economische wetmatigheden alleen de kapitalistische ontwikkeling niet kunnen verklaren, maar dat culturele factoren een rol spelen. Wij zullen verder nog wijzen op het quasi religieus geloof in de beurs. Ten tweede is zijn nadruk op het verband tussen ascetisme en kapitalisme belangrijk. Weber leert ons dat het kapitalisme niet noodzakelijk een gevolg is van egoïsme zoals een morele kritiek op het kapitalisme soms nogal gemakkelijk stelt. Een ascetisch mens is geen egoïst, ja komt zelfs niet op voor zijn eigenbelang, maar is een nihilistische idealist. En als wij van Nietzsche leerden dat de ascetische idealen de haat tegen de mensheid voeden, kunnen wij ons dan de vraag niet stellen of het ascetische ideaal van besparen waarop de bedrijfsleiders en onze rechtse politici alsmaar weer hameren om het kapitalisme recht te houden, geen verdoken haat tegen de mensheid is die volgt uit hun fundamentalistisch geloof in de werking van de markt?  

Ons laatste boek is “Illusies voor gevorderden – of waarom waarheid altijd beter is” (2015) van Maarten Boudry, een auteur die zich zoals Boon in de traditie van de Verlichting plaatst. Wij lezen het vlot leesbare en boeiende boek als een antropologische fundering van geloof dat geen religieus of godsdienstig fundament nodig heeft, ook al spreekt de auteur steevast geloof, religie en godsdienst in één adem uit. Waarover gaat het boek? Boudry ontmaskert de “illusies waar ook normale, psychisch gezonde mensen vatbaar voor zijn” (pag. 16) en pleit voor ware overtuigingen die stroken met de werkelijkheid. “De waarheid die van belang is voor onze overleving, betreft in de eerste plaats de ordinaire waarheden van onze onmiddellijke omgeving” (pag. 35), maar breidt zich door samenwerking uit tot wat de moderne wetenschap geworden is. Geloof motiveert om moeilijke projecten aan te vatten. “Wie niet gelooft dat hij zal slagen, zal niet eens de moeite nemen om het te proberen” (pag. 60), stelt Boudry terecht. Maar “wie denkt dat er altijd een weg is waar een wil is” (pag. 64) overschat zichzelf en zal de werkelijkheid op zijn weg tegenkomen. Het wensdenken is levensgevaarlijk en “geloof is nu eenmaal geen schakelaar in je hoofd die je op pure wilskracht kunt omdraaien” (pag. 86). Als voorbeeld van zo’n zelfoverschatting verwijst Boudry naar de het gedrag van beursgoeroes. “Financiële zeepbellen zwellen telkens opnieuw aan door het illusoire geloof dat stijgende beurskoersen zullen blijven stijgen. Zolang iedereen dat blijft geloven, is dat optimisme inderdaad zelfvervullend (pag. 70), maar de realiteit haalt telkens opnieuw onverbiddelijk de illusie onderuit.

Rationele mensen houden zich aan het principe van geloofsonwillekeur, stelt Boudry en geloven niet willekeurig wat. “De wereld… dwingt onze opvattingen in bepaalde groeven en geulen… we kunnen niet zomaar eender wat over haar geloven” (pag. 154). Mensen die “zintuiglijk blootgesteld worden aan bepaalde manifeste feiten, vormen spontaan overtuigingen in overeenstemming met de feiten” (pag. 81). Waarom creëren mensen dan toch telkens weer bovennatuurlijke luchtkastelen? Als mensen nadenken over een grillige wereld met voorspoed en vooral tegenspoed, kunnen zij hun heil projecteren in een hiernamaals of een God, stelt Boudry. Het leidt tot illusies en vooral bij de boekgodsdiensten worden dit gevaarlijke illusies. De Bijbel, de Koran en de Thora zijn geen boeken als andere boeken. “Wie gelooft dat zijn boek door God geschreven is en dat alles wat erin staat waar is, ziet zich dus genoodzaakt om een berg wetenschappelijke feiten te ontkennen” (pag. 183). De boekgodsdiensten zijn voor Boudry een rijke voedingsbodem voor terrorisme. “De Koran verlustigt zich net zoals het Nieuwe Testament in het eeuwige hellevuur voor de anders- en de ongelovigen, maar nog iets meer likkebaardend en uitentreuren dan dat laatste boek” (pag. 185). Vele godsdiensten werden “de laatste eeuwen gelouterd door de waarden van humanisme en verlichting. Scherpe kantjes werden ervan afgevijld” (pag. 93), maar de morele kernboodschap van de Islam leidt rechtstreeks naar de praktijken van Islamitische Staat en de aanslagen op Charlie Hebdo. Wie in de Koran sporen van een vredelievend boek ziet, is voor Boudry ter kwader trouw. Hij is het eens met Paul Cliteur voor wie “de bewering dat heilige schriften voortdurend compleet verschillende boodschappen kunnen uitsturen op verschillende tijdstippen en op verschillende culturen… theoretisch gezien extreem en misleidend” (pag. 283) is. De bewering van Cliteur klopt niet en staat haaks op de stelling dat “religie zich [schikt] naar de veranderende mores” (pag. 93) zoals Boudry zelf schreef. Zijn kennistheoretisch perspectief speelt hem hier parten en hierdoor ziet Boudry de maatschappelijke werkelijkheid over het hoofd. Tegen de stelling van Cliteur in wil ik met enkele feiten uit de recente politieke geschiedenis van de Arabische wereld tonen dat ook de islam zich kan schikken naar veranderde mores. Na de tweede wereldoorlog beheerste in het Midden Oosten de ideologie van het Nasserisme het maatschappelijk debat. In Algerije, Egypte, Irak en Syrië zetten de regeringen grote programma’s van onderwijs en gezondheidszorg op touw en werd de rijkdom herverdeeld. De Arabische leiders spraken van islamitisch socialisme en baseerden zich op de islam om het eigendomsrecht en het bezit van rijkdommen sterk te beperken. Terroristische aanslagen in naam van de islam waren er bij mijn weten in die tijd niet. Vanaf 1970 werden de natiestaten in het Midden-Oosten minder socialistisch, steeds dictatorialer. Elk jaar won de conservatieve Islam wat meer aanhang en in haar kielzog volgde het terrorisme.

Aan het einde van onze literaire tocht gekomen is het tijd om de stukken van onze puzzel over het geloof samen te leggen. Michel Houellebecq toont hoe iemand die zoals François leeft zonder geloof zich gemakkelijk onderwerpt aan een fundamentalistische godsdienst. Met L.P. Boon kiezen wij voor de waarden van de verlichting, en verzetten wij ons tegen een wereld waarin gelijkheid, vrijheid en broederschap geen plaats hebben. Nietzsche leerde ons dat het christelijk ideaal mensen redenen geeft om te sterven, terwijl wij juist meer macht nodig hebben om ons kwetsbaar leven vorm te geven. Dat de ascetische idealen niet alleen de godsdienst beheersen, zoals Nietzsche stelt, maar ook ten grondslag liggen van het kapitalisme, dat leerde ons Max Weber. En bij Boudry tenslotte vonden wij een warm pleidooi voor meer waarheid. Zijn principe van de geloofsonwillekeur nemen wij als leidraad van ons handelen en een maatschappelijk debat dat zich laat leiden door een kritisch rationalisme moet ons weerhouden van wensdenken. Deze ideeën willen wij tijdens Lezen in de Lente voorleggen aan schrijvers, schilders, muzikanten… die ze met hun verbeelding en door hun creatieve expressie verder kunnen invullen. Wij geloven dat het niet alleen mogelijk, maar zelfs noodzakelijk is om de mondiale problemen zoals de groeiende ongelijkheid, de klimaatproblematiek, de migratie, het nucleaire gevaar van een mondiale vernietiging aan te pakken en deze problemen vereisten zo’n grote mobilisatie van de democratische krachten dat ongeloof geen optie meer is. Wij geloven ook dat wij hierbij nieuwe universele waarden die de traditionele westerse waarden overstijgen, zullen nodig hebben en dat wij voor de invulling van die waarden de negatieve aspecten van de Verlichting mee in overweging zullen moeten nemen. De waarden van vrijheid, gelijkheid en broederschap blijven overeind, maar zij stonden het westers individualisme en een vernietiging van de natuur niet in de weg. Liggen deze uitwassen van de verlichting niet aan de oorsprong van de vlucht van vele mensen in onze tijd in bovennatuurlijke luchtkastelen zoals een godsdienst uit een ver verleden of een nieuwe spiritualiteit? Wij geloven dat en breiden ons geloof in de drie verlichtingswaarden uit met waarden zoals de empathie met anderen en een ecologische gevoeligheid ten aanzien van planten en dieren. In die waarden geloven wij ook, daarover willen wij het debat voeren, en dat willen wij met alle deelnemers verder invullen van één april tot één mei, eenendertig lentedagen lang tijdens Lezen in de Lente.

Lieven Plouvier   

Tags: