Login

CAPTCHA
Deze vraag dient om na te gaan of u een menselijke bezoeker bent teneinde spam inzendingen te vermijden.
6 + 0 =
Solve this simple math problem and enter the result. E.g. for 1+3, enter 4.

Bedenkingen bij thema Lezen in de Lente 'Alles moet weg'

Worden wij straks allemaal opgeslorpt in een zwart gat aan het meer van Genève? Walter Wagner twijfelde er niet aan, toen het CERN, de Europese Raad voor Kernonderzoek, in 2008 in Genève de grootste deeltjesversneller ter wereld in productie nam. In het boek “Het einde van de wereld” beschrijft Steven Stroeykens hoe Wagner zich als wakkere burger verdiepte in de kernfysica en leerde dat zwarte gaten ontstaan bij een supernova-explosie op het einde van het leven van een zware ster. Als het binnenste deel van zo’n zware ster instort onder het gewicht van zijn eigen zwaartekracht, zuigt het onweerstaanbaar alles op wat in de buurt komt. Een enorm zwart gat bevindt zich in het centrum van ons Melkwegstelsel, maar dat is 26.000 lichtjaar ver weg en baarde Wagner geen zorgen. Genève is dichter bij huis en hij vreesde dat het wel eens uit de hand kon lopen in de kilometerslange buizen die het CERN gebouwd had onder de grond.

De elementaire deeltjes die met ongekend hoge energieën tegen elkaar knallen om energiedichtheden te creëren die nooit tevoren op aarde gerealiseerd werden, zouden in elkaar kunnen storten tot een zwart gaatje. “En zou dat zwarte gaatje dan niet door materie op te slokken snel groeien, waardoor het nog meer materie gaat opslokken, totdat het zo groot wordt dat het de hele aarde opzuigt?” (pag.326). Die vraag stelde de man aan een rechter in zijn woonplaats Hawaï teneinde de Verenigde Staten als waarnemend lid van het CERN te veroordelen voor schuldig verzuim. Toen de lokale rechter zich onbevoegd verklaarde, liet Wagner het er niet bij en een hogere rechtbank velde het volgende vonnis: “’De beweerde schade, de vernietiging van de aarde, kan op geen enkele wijze toegeschreven worden aan het feit dat de Amerikaanse regering heeft nagelaten een milieueffectenrapport op te stellen’” (pag. 325). Klinkklare onzin noemden wetenschappelijke experts het doemscenario van Wagner. Het samenpersen van materie is veel te klein om een zwart gat te vormen.

Stroeykens die lange tijd wetenschapsjournalist was bij de krant De Standaard, neemt een slag om de arm. “De fysici dragen argument na argument aan, maar absolute zekerheid kunnen ze niet bieden, ze kunnen alleen zeggen dat de beschreven scenario’s extreem onwaarschijnlijk zijn. En ze zouden zich kunnen vergissen” (pag. 327). Met een knipoog naar de weerlegging van Newton door Einstein, stelt hij dat hun berekeningen “gebaseerd [zijn] op onze huidige beste theorie van de zwaartekracht, de algemene relativiteitstheorie van Einstein. In extreme omstandigheden is die theorie misschien niet toepasbaar, en moeten we een betere, nog onbekende zwaartekrachttheorie gebruiken. Misschien zal uit die nog onbekende theorie blijken dat zwarte gaten gemakkelijker te vormen zijn” (pag. 326). De eis van absolute zekerheid veeg je bij sommige experimenten best niet al te vlug onder de mat. Stroeykens onderzoekt allerlei scenario’s over het einde van de wereld en noemt de gevolgen van kernfysica het zorgwekkendste doemscenario. De vrees voor een zwart gat is meer dan de dichterlijke vrijheid van een of andere gek.

Boualem Samsal schetst in zijn roman 2084, het einde van de wereld” een denkbeeldige religieuze dictatuur die heerst na een nucleaire massavernietiging. Hij wil ons met zijn boek waarschuwen voor de uitwassen van het Islamitisch fundamentalisme zoals Orwell ons met 1984 verwittigde voor de excessen van het stalinisme. Samsal is een kritische stem in Algerije, maar ontslag als overheidsambtenaar en publicatieverbod was zijn deel. In Frankrijk daarentegen werd zijn boek verkozen tot beste roman van 2015. Waarover gaat het? In de fictieve staat Abistan regeert de Rechtvaardige Broederschap die met ijzeren hand de goddelijke verboden afdwingt. De sociale druk is enorm en de angst alomtegenwoordig. Burgercomités controleren op afwijkend gedrag. Gelovig zijn is de buren bespioneren, in grote groepen het geloof belijden en zweepslagen toedienen aan afvalligen. Het is verboden zijn dorp te verlaten tenzij voor een pelgrimstocht of de heilige oorlog tegen de ongelovigen. Zoals bij Orwell moet een eenheidstaal het volk verenigen, maar het is een verarmde taal, uitgedacht om strengheid, onderwerping en liefde voor de marteldood te verspreiden. Ati is de hoofdfiguur van het boek. Bij zijn ontslag uit het sanatorium krijgt hij op zijn uitreisvisum het stempel “dient in de gaten gehouden te worden” mee. Twijfel aan de eeuwige waarheden van Abistan leidt hem naar het getto der afvalligen waar Toz, een vreemde figuur, hem de ogen opent. Toz vertelt Ati hoe in 1914, 1939, 2022 en 2050 velen zeiden: “Dat nooit”, maar niettegenstaande dat kon het Broederschap het verzet toch kraken zodat in 2084 de oude wereld definitief verdwenen was. Wanneer Abistan de Europese cultuur begon voor te stellen als het Absolute Niets, trok Toz zich terug uit de samenleving en verzamelde oude boeken en museumstukken uit het Louvre. Verbanning naar een getto was zijn lot, maar zo hield hij de herinnering aan de rijke talen en de vele culturen die de wereld vóór 2084 rijk was, levendig. Als Ati het getto wil verlaten, wordt hij volksvijand nummer één. Op het einde van het boek volgt een grote razzia met vele arrestaties aan de vooravond van de ondergang van de wereld. Samsals boek kan niet tippen aan Orwells meesterwerk, maar het actualiseren van de boodschap van 1984 is verdienstelijk. Hoe visionair zijn boek was, werd door de feiten zelf bewezen. Drie maanden na de publicatie van 2084 vond de aanslag plaats op de redactie van Charlie Hebdo in Parijs. Wij vullen de boodschap van zijn boek aan met nog twee andere auteurs. Islamitische fundamentalisten zijn niet de enigen waarvoor alles weg moet. In de voorbije eeuw ontspoorde het nazisme evenzeer en sleurde alles mee in een zwart gat.

De geschiedenis van de Holocaust is niet voorbij… en de lessen ervan zijn nog niet geleerd” (pag. 12), zo stelt Thimoty Snyder in zijn boek “Zwarte Aarde”. Voor de Nazi’s primeerde “de expressie van de drang tot zelfbehoud van de rassen… De sterken zouden de zwakken moeten uithongeren… Dat was… de logica van het bestaan’” (pag. 20). Lebensraum is voor Snyder een cruciaal begrip om het nazisme te begrijpen. Het betekent habitat, maar “in een sociale in plaats van een biologische context kan het nog iets anders betekenen: huiselijk comfort… Dat één term deze twee betekenissen in zich droeg, werkte Hitlers cirkelredenering in de hand: natuur was niets anders dan samenleving, samenleving was niets anders dan natuur. Er was dus geen verschil tussen een dier dat vecht voor een fysiek bestaan en de voorkeur van een gezin voor een aangenamer leventje” (pag. 30). Zijn roep naar Lebensraum sloeg aan bij de Duitse bevolking die honger had. De internationale gemeenschap van de Joden die geen eigen habitat wilden, maar de hele wereld wilde veroveren, werden door de Nazi’s voorgesteld als de grote vijand. “Door de Joden naar voren te schuiven als een ecologische fout… kon Hitler de onvermijdelijke spanningen van de mondialisering… op personen schuiven” (pag. 339). En de bondgenoten van de Joden waren de communisten met hun Internationale. “Toen door de invoering van de collectieve landbouw in de Sovjet-Unie… miljoenen boeren omkwamen van de honger in Oekraïne, een graansilo voor de hele wereld” (pag. 51) gaf de Stalin Hitler een gedroomd alibi om de zwarte aarde van Oekraïne binnen te vallen. De verovering van deze habitat, en de uitroeiing van de Joden die haar bezetten, zou Duitsland voedsel en een aangenaam leven bezorgen. Snyder overloopt vervolgens de mogelijke oorzaken van de Holocaust. Antisemitisme is een uitvinding van de nazipropaganda, aldus Snyder. “De lokale bevolking [kwam] tot teleurstelling van de Duitsers niet als een gedachteloze menigte op de been om de plaatselijke Joden aan te pakken” (pag. 190). Ook een verregaande bureaucratisering waarin elk radertje van de staatsmachine slechts verantwoordelijk was voor een deel van het geheel en hierdoor een nietsontziende moordmachine werd, ziet Snyder niet als de oorzaak van de Holocaust. “Er wordt wel gezegd dat het door de bureaucratie kwam dat de Joden omkwamen, maar het was juist de verwijdering uit de bureaucratie die de Joden het leven kostte” (pag. 236). De Joden werden pas na de ontmanteling van de staat in Oost-Europa mensen zonder papieren die uitgemoord werden. “Duitsland behandelde Polen zoals Europese staten op hun meest destructiefste momenten kolonies behandelden: als een stukje aarde dat werd bewoond door onbepaalde wezens” (pag. 120). Voor Snyder is een politiek die de staat afschaft, “de” oorzaak van de Holocaust.

De massamoord “was het laatste stadium in de ontwikkeling van een nieuwe politiek” (pag. 163) die begon in 1933, stapvoets de staatsinstellingen vernietigde en vervolgens de ideologie van een bloedige rassenstrijd doorzette. Gedreven door een ethos van ascetisme en nihilistische macht werden de Joden in getto’s gedreven, naar werkkampen gestuurd en massaal uitgemoord. Snyder wil ons behoeden voor herhaling van dit scenario. "Voor politiek rechts lijkt de uitholling van de staatsmacht door het internationale kapitalisme iets natuurlijks” (pag. 357). In tijden van ecologische crisis kan dit met de dubbele betekenis van Lebensraum in het achterhoofd een gevaarlijke cocktail worden, zo stelt Snyder. De urgente noodzakelijkheid in functie van het overleven bij een catastrofe enerzijds en het wereldwijd verspreide verlangen naar westerse consumptie anderzijds kunnen in een gemondialiseerde wereld met uitgeholde nationale staten leiden tot radicale actie. Als politici dan een groep de schuld van alles geven, valt het ergste te vrezen. “Geen groene politiek zal ooit evenveel emotie oproepen als rood bloed op een zwarte aarde” (pag. 361). De boodschap is belangrijk, maar Snyder overschat het belang van de staat. Een staat die alles inzet op economisch rationele actie, kan geen dam tegen het kwaad van de nazi’s opwerpen en zal de ecologische catastrofe niet kunnen vermijden. Bij zijn beschrijving van het Pools verzet dat opereerde in een ruimte zonder staat, reikt Snyder zelf argumenten aan waarom dit zo is: “De economisch rationele actie van iemand die wist dat er ergens een Jood ondergedoken zat, was als volgt: de persoon zo snel mogelijk verraden voor iemand anders je voor was en de beloning en misschien de eigendommen opstrijken… De rechtvaardige enkeling gedroeg zich vaak op een wijze die als irrationeel werd gezien door degenen die uitgingen van op hun eigen welzijn gerichte economische afwegingen” (pag. 334). Om ons inzicht in het fascisme te verdiepen richten wij ons daarom tot de Russische schrijver Vasili Grossman die een heel ander geluid laat horen.

Grossman was een bloedgetuige die als journalist van de krant van het Rode Leger de slag bij Stalingrad meemaakte. Na de oorlog werkte hij tien jaar aan een sociaal-realistisch epos dat een 20e-eeuwse versie van Tolstojs klassieker “Oorlog en Vrede” moest zijn en bijna 1.000 bladzijden lang is. Leven en lot is een ode aan het verzet van de Russische gewone man tegen het fascisme. Het is een ontzettend hard, ja zelfs wreed boek, maar steeds weerklinkt het mededogen van de auteur. De nazi’s vermoordden zijn moeder in een getto in Oost-Oekraïne, en de brief die de moeder van Strum, de hoofdfiguur van de roman, schrijft aan haar zoon in het besef van haar nakende dood is één van de meest aangrijpende passages die ik ooit las. De auteur gaat met zijn pen niets uit de weg, maar bleef het communisme altijd trouw. “Er is maar één waarheid. Twee waarheden bestaan niet. Het is moeilijk zonder waarheid te leven… Een gedeeltelijke waarheid bestaat niet” (pag. 674), schreef hij, maar de waarheid was dat de revolutionaire idealen in Rusland ontspoord waren tot stalinisme dat voor Grossman amper verschilde van het fascisme. De waarheid was voor de autoriteiten een brug te ver. De geheime dienst viel binnen bij Grossman en nam alles wat verband hield met het boek in beslag. De auteur kwam de “arrestatie van zijn boek” nooit te boven, maar had zijn voorzorgen genomen. Alles was niet weg. Na zijn dood smokkelde de schrijver Lipkin die een kopie bezat, een slecht leesbare microfilm naar het westen. In een boodschappennetje aan een kapstok van het huis van een jeugdvriend bleef ondertussen het volledige manuscript jarenlang hangen. Na de val van de muur bezorgde diens weduwe de tekst aan de stiefzoon van Grossman en zo kunnen wij de volledige tekst van dit meesterwerk lezen.

Grossman onderkent drie oorzaken van het fascisme. “Behalve het instinct tot leven en de hypnotiserende kracht van grote ideeën, speelt nog een derde kracht mee… Het geweld uitgeoefend door een totalitaire staat” (pag. 208). Ik richt mij op de laatste twee oorzaken die fascisme en stalinisme gemeen hebben. Een oude bolsjewiek legt Grossman de volgende woorden in de mond: “Ik heb de onwankelbare kracht gezien van het idee van maatschappelijk welzijn dat in mijn land ontstond… Dat idee was groots en verheven, en toch heeft het mensen meedogenloos vermoord, levens verwoest, vrouwen van hun mannen weggerukt en kinders van hun vaders. Nu is de verschrikking van het Duitse fascisme boven de wereld verrezen… Maar zelfs deze misdaden worden gepleegd uit naam van het goede” (pag. 410-411). Een Duitse SS-er oppert gelijkaardige ideeën bij de ondervraging van een gevangen Russische communist: “In wezen zijn wij hetzelfde: een éénpartijstaat. Onze kapitalisten hebben niet de macht. De staat dicteert hun een plan en een programma… Uw éénpartijstaat stelt ook plannen en programma’s op en neemt de productie in beslag. En de arbeiders, die zogezegd de macht hebben, ontvangen ook bij U een loon van de staat… Het rode arbeidersvaandel wappert ook boven onze volksstaat… Het nationalisme is de ziel van onze tijd. En het socialisme in één land is de hoogste uitdrukking van het nationalisme” (pag. 405). Grossman legt de SS-er nog net niet in de mond dat het nationaalsocialisme de hoogste vorm van socialisme is, maar hij is geen relativist die elk onderscheid tussen goed en kwaad opheft. Zoals zijn anarchistische leermeester Tolstoj gelooft hij in de kracht van de liefde van gewone mensen: “Naast het goede, dat groots en dreigend is, bestaat de alledaagse menselijke goedheid. De goedheid van een oude vrouw die een krijgsgevangene een stuk brood brengt” (pag. 411-412). Hij voegt eraan toe: “Goedheid is krachtig zolang ze machteloos is! Zodra de mens er een kracht van probeert te maken, gaat ze verloren; ze verbleekt, vervaagt en verdwijnt” (pag. 414). In Rusland was het goede volgens hem verdwenen met het groeiende nationalisme. Het verleden “werd nu de geschiedenis van de Russische glorie, in plaats van de geschiedenis van het lijden en de vernederingen van de Russische arbeiders en boeren… Drie ingrijpende gebeurtenissen lagen aan de basis…: de collectivisatie van het platteland, de industrialisatie en het jaar 1937. Die gebeurtenissen… gingen [gepaard] met de fysieke uitroeiing van mensen op een schaal die de liquidatie van de Russische adel en de burgerklasse van industriëlen en handelaars nog overtrof” (pag. 677).

Grossman wist waarover hij sprak. Afkomstig van Oekraïne had hij gezien welke honger de boeren geleden hadden bij de collectivisatie van de landbouw. En tijdens de zuiveringen van 1937 werd hij meermaals ondervraagd door de geheime dienst, zijn vrouw zat in de gevangenis en verschillende bevriende kunstenaars waren gedeporteerd naar de kampen of vermoord. “Hoe viel dit alles te rijmen met Lenin, de opbouw van het socialisme, met de grote oorlog tegen het fascisme?” (pag. 850) vraagt Strum zich af. Als onderzoeker in de kernfysica werd hij door de autoriteiten beschuldigd van trotskisme en banden met de Gestapo, omdat hij twijfelde aan het nut van het kernonderzoek. Hij zag “een verschrikkelijke overeenkomst tussen de principes van het fascisme en de principes van de moderne natuurwetenschap…. De eeuw van Einstein en Planck was ook de eeuw van Hitler gebleken” (pag. 88). Aan zijn collega en vriend Tsjepyzjin vraagt Strum: “Zal die mens de wereld niet tot een galactisch concentratiekamp maken? Ja, vertel me eens: gelooft u in de evolutie van goedheid?” (pag. 705). Tsjepyzjin die vervolgens weigert verder mee te werken aan het onderzoek naar atoomsplitsing, antwoordt: “De mens is nog niet goed en wijs genoeg om een verstandig leven te leiden, zoals u al zelf zei. Wat gebeurt er als de krachten die in de atoomkern besloten liggen hem in handen vallen?” (pag. 705-706). In Grossmans roman blijft de vraag onbeantwoord, maar in zijn boek “Kritiek van de ascetische redebehandelt Johan Moyaert de problematiek zonder op het fascisme, het stalinisme of de atoombom in te gaan. Moyaert is niet alleen de laatste spreker van Lezen in de Lente 2017, maar ook de laatste partner waarmee wij het thema “alles moet weg” uitdiepen.

De titel van Moyaerts boek verwijst naar een lange traditie van Verlichtingsfilosofen die de kritische erfenis van Immanuel Kant voortzetten. Hij bouwt zijn argumenten op in confrontatie met denkers als Jean-Paul Sartre, Adam Smith, Rudolf Boehm, Karl Marxen keert zich tegen een ascetische rede die aanzet tot onthechting of onthouding. Die tendens ziet hij in drie domeinen van onze cultuur werkzaam: de wetenschap, het kapitalisme en het vrijheidsideaal. Moyaert toont als fenomenoloog hoe de wetenschap zich van alle subjectieve gezichtspunten distantieert om een objectieve waarheid te construeren. De afstandelijke objectieve blik sluit zijn ogen voor elke zintuiglijke betrokkenheid en alle menselijke behoeften, interesses en doelstellingen, zo stelt Moyaert. De wetenschap ziet alleen wat wiskundig meetbaar en ondubbelzinnig identificeerbaar is, en zet deze wiskundige constructies door met technologische toepassingen. Het levert de leefwereld van gevoelige mensen over aan irrationaliteit. Een tweede domein waarin hij ascetische rede ontwaart, is de economie. Het doel van de kapitalistische economie is niet de consumptie van materiële gebruiksgoederen, maar besparen om te kunnen investeren in nieuwe kapitaalgoederen. De onredelijkheid ervan is dat het ertoe aanzet om het leven eindeloos uit te stellen. De kapitaalgoederen dienen om markten te veroveren in vreemde streken waar het armoede en  werkloosheid verspreidt. Inzetten op de export creëert gevaarlijke afhankelijkheden, zo stelt Moyaert, want de export vereist lagere lonen om de verkoopprijs te drukken. Als de wereldmarkt verzadigd raakt, is ondertussen de productie van levensnoodzakelijke goederen voor de lokale markt stilgevallen en ontstaat schaarste en zelfs hongersnood. Het derde domein waarop Moyaert de ascetische rede werkzaam ziet, is het gemeenschapsleven. Het cultiveren van het ideaal van vrijheid en persoonlijke ontwikkeling breekt de verbondenheid met anderen af en leidt tot eenzaamheid.

De moderne mens ziet zijn eigen afhankelijkheid niet meer en speelt een imaginair spel met zijn eigen verbeelding. Hij eigent zich “in gedachten” de hele wereld toe en ontwikkelt zich niet meer in functie van te realiseren doeleinden. Ondertussen verandert alles zonder zijn toedoen en voelt hij zich machteloos. De drie domeinen waarin de ascetische rede werkzaam is staan niet los van elkaar. Sinds het ontstaan van het kapitalisme is de productie weggehaald van de huishouding en wordt de ervaring in het arbeidsproces steeds meer uitgehold door de toepassing van wetenschap en technologie. Het ontberen van zinvolle activiteiten in de uitgeholde privésfeer leidt tot ontevredenheid en de vlucht in een narcistische droomwereld die het politieke leven verlamt. Als de psychologische problemen vervolgens door wetenschappelijke experts opgelost moeten worden, is de cirkel rond. Moyaert wijst erop dat narcisme geen modern fenomeen is, maar zijn historische wortels heeft in het christendom. De diepste drijfveer van het christendom, zo stelt hij met Ludwig Feuerbach, is dat de mens meent dat God hem onvoorwaardelijk liefheeft, dat hij recht heeft op die liefde en dat dit hem onafhankelijk kan maken van de natuur. Deze narcistische fictie heeft desastreuze gevolgen voor de mens en zijn gemeenschap. Sinds de 17e eeuw heeft de mens God vervangen door de natuur, alles ingezet op een natuurwetenschap waarmee hij de natuur kan doorgronden, en gelooft hij dat het kapitalisme, met behulp van de wetenschap, de natuurkrachten in dienst van de mens kan stellen, en hem zo vrij en onafhankelijk maken van de natuur. Het blijft een narcistische fixatie die even desastreuze gevolgen heeft voor de mens en zijn gemeenschap als het geloof in een christelijke God.

Tot slot nog een bedenking en enkele conclusies van onze leeservaring. Met de werken van Grossman en Samsal kozen wij twee romans die de klassiekers van respectievelijk Tolstoj en Orwell herschreven vanuit onze tijd. Dit gebeurde in de geest van de Joodse literatuurwetenschapper George Steiner wiens ouders tijdens de jaren dertig Nazi-Duitsland moesten ontvluchten. Steiner beweerde ooit dat een cultuur die naam waardig, zijn literaire, beeldende of muzikale klassiekers niet alleen waardeert, maar ook herschept vanuit de nieuwe actualiteit. Hij bekritiseerde hiermee de revolutionaire avant-garde in de kunst die onder het motto “alles moet weg” radicaal wilde breken met de traditie, maar na de tabula rasa meestal niet veel meer overhoudt dan een lege doos. Wij beamen zijn stelling, en willen met de kritische auteurs Grossman en Samsal vooral de maatschappelijke rol van literatuur ten aanzien van actualiteit benadrukken. Vanuit dit perspectief kozen wij een vijftal boeken die ons direct of indirect wijzen op het dreigende gevaar van een nucleaire massavernietiging. Samsal waarschuwt ons ervoor hoe gevaarlijk dit kan worden in de handen van een Islamitisch fundamentalisme dat een cultus van de dood verspreidt. Stroeykens wijst er ons op dat bepaalde experimenten in functie van wetenschappelijke vooruitgang beter niet gebeuren als de aarde in gevaar komt. Grossman liet een kernfysicus aan het woord die verbanden zag tussen het fascisme en de wetenschap. Moyaert leert ons dat aan de wetenschap hetzelfde narcistisch ideaal ten grondslag ligt als het christendom of het Islam fundamentalisme. Snyder tot slot stelt dat een nieuwe Holocaust niet onmogelijk is als de staatsinstellingen steeds meer uitgehold worden, politici meer Lebensraum willen en een wereldwijde ecologische catastrofe ons zou bedreigen.

Lieven Plouvier

Tags: