Login

CAPTCHA
Deze vraag dient om na te gaan of u een menselijke bezoeker bent teneinde spam inzendingen te vermijden.
15 + 4 =
Solve this simple math problem and enter the result. E.g. for 1+3, enter 4.

Socio-Cultureel werk in cijfers.

We geven jou een overzicht van cijfers en weetjes dat het FOV heeft verzameld over alles wat leeft binnen het sociaal-cultureel volwassenenwerk.

Sociaal-cultureel volwassenenwerk is een krachtige motor voor verandering:

Onder het beleidsdomein cultuur valt een sector met een enorm divers en kleurrijk palet van verenigingen, bewegingen, vormingplus-centra en vormingsinstellingen. Samen vormen ze de sector van het sociaal-cultureel volwassenenwerk.

In de schoot van de sociaal-culturele organisaties komen mensen samen, gaan ze over tot maatschappelijke actie, verrijken ze hun culturele bagage en verruimen ze hun horizonten. Het spreekt voor zich dat het sociaal-cultureel volwassenenwerk met zo’n 14.000 afdelingen, een stabiel aantal.

Bij de groeiers zitten onder andere verenigingen van mensen in armoede en etnisch culturele federaties. Het sociaal-cultureel volwassenenwerk kan rekenen op de inziet van zo’n 193.000 vrijwilligers. Dat is een vijfde van het Vlaamse totaal. Het totale aantal vrijwilligers is stabiel, het aantal bestuursvrijwilligers daalt lichtjes.

Diversiteit is troef

125 landelijke en regionale organisaties zorgen samen voor een scala aan activiteiten, acties, vormingen, manifestaties, tentoonstellingen, reizen, publicaties, campagnes en nog veel meer. Het aanbod van de organisaties uit het sociaal-cultureel volwassenenwerk is vrij, maar nooit vrijblijvend: maatschappelijke en sociale doelen zijn onlosmakelijk met het sociaal cultureel werk verbonden.

Verenigingen zijn een trede tussen droom en daad. Naast ontmoeten en samenzijn bieden verenigingen aan burgers een kader om de samenleving vorm te geven. Week na week brengen ze met hun lokale netwerken de meest diverse mensen samen rond de meest uiteenlopende thema’s.

Enerzijds ‘empoweren’ ze door activiteiten en acties hun achterban. Anderzijds creëren ze (draagvlak voor) maatschappelijke verandering. Met zo’n 182.000 vrijwilligers neemt deze werksoort een leeuwendeel (94%) van de vrijwilligers in de hele sector voor zijn rekening.

Van deze vrijwilligers nemen 135.000 een verantwoordelijkheid op als bestuurder. Met 2,2 miljoen leden, ruim 9 miljoen deelnemers aan de activiteiten en gemiddeld 43 afdelingen in elke Vlaamse en Brusselse gemeente weten de verenigingen zich verzekerd van een stevige achterban.

Bewegingen ontwikkelen expertise over brandende maatschappelijke thema’s en dragen hun mening uit via campagnes en acties. Dezen meestal kleine, maar assertieve, organisaties zijn van vitaal belang voor de kwaliteit van onze democratie. Bewegingen willen meestal een verandering teweeg brengen, zowel bij mensen als in de structuren die ons omringen. In dit systeem is de vzw Climaxi erkend.

Hiervoor maken ze gebruik van zowel individuele als collectieve (actie)methodes. Een geschikt wetgevend kader creëren voor de systeemkritiek die bewegingen leveren, is geen evidentie. Toch zijn bewegingen tevreden met het kader dat het sectordecreet schept. Het biedt een vrijplaats om aan duurzame transitie te werken, zonder inhoudelijke inmenging.

Vormingplus-centra bieden hun deelnemers brede en laagdrempelige vorming over allerlei thema’s. Ze werken regionaal en trachten hun vormingsaanbod maximaal binnen hun regio te spreiden. Samen met partners coördineren en promoten ze het vormingsaanbod in de regio.

Dankzij de centra is er steeds een vormingplus-activiteit voor iedereen en bij iedereen in de buurt. Het aantal deelnames groeide met 40% en het aantal samenwerkingsverbanden verdubbelde. Gemeente, steden, cultuur- en gemeenschapcentra, welzijnsorganisaties en OCMW’s zijn de belangrijkste partners.

De centra gaan op zoek naar creatieve manieren om mensen - ook maatschappelijk kwetsbare mensen – te bereiken en participatiedrempels te slopen. Het aanbod blijft daarbij relevant en to the point. De centra zetten bijvoorbeeld stevig in op digitale geletterdheid interculturaliteit en duurzaamheid.

Landelijke vormingsinstellingen bieden gespecialiseerde of syndicale vorming aan. Andere vormingsinstellingen werken specifiek voor en met personen met een handicap. Je kan bij hen terecht voor zowel laagdrempelige als meer diepgaande vorming. De instellingen zijn geen “generalisten”, maar specialisten: ze zijn gepokt en gezameld in een welbepaald vakgebied en blijven hun expertise steeds verder ontwikkelen.
Ook methodisch, over de manier waarop dingen geleerd worden, hebben de instellingen deskundigheid in huis. Ze plannen hun leerprocessen strategisch en bewaken de kwaliteit nauwgezet. Het gaat bij de instellingen om meer dan het opdoen van kennis. Deelnemers leren reflecteren over hun eigen handelen, leren bewust kiezen, ontwikkelen een kritische zin ten aanzien van de maatschappij, nemen hun ontwikkeling sterker in de hand… de landelijke vormingsinstellingen realiseerden in 2010 zo’n 10.500 activiteiten voor zowat een kwart miljoen deelnemers

50% van de inkomsten op eigen kracht

De inkomsten en uitgaven van de sector bedragen samen 173 miljoen euro. 40% hiervan zijn subsidies. Tellen we hier de recuperatie van personeelkosten (11%) bij op, dan zien we dat 51% van de middelen voor de sector van de overheden komt. Of anders gezegd: de sector genereert de helft van zijn middelen zelf. De structurele subsidies, die de organisaties ontvangen op basis van het decreet voor het sociaal cultureel-volwassenenwerk, zijn goed voor slechts 29% van de inkomsten.

Personeelskosten belangrijkste uitgave

Personeelskosten zijn de grootste uitgavenpost: globaal gaat 53% van de uitgaven in de
sector naar personeel. De personeelskosten bedragen samen 135% van de subsidies uit het decreet, inclusief de recuperatie van personeelkosten.

Onzekerheid besparingen
· 
Uit de subsidiecijfers blijkt dat de organisaties uit de sector veel nevenactiviteiten moeten ontwikkelen ter ondersteuning van hun core business, hun decretale opdracht. De buffers zijn vaak beperkt, zeker bij kleine organisaties. Organisaties doen ook in grote mate aan voorfinanciering, waarbij het vaak onzeker is of ze uiteindelijk alle subsidies ontvangen waar ze recht op hebben.

Die onzekerheid wordt versterkt door de besparingen. De sector stagneerde financieel in 2010, de inkomsten uit de subsidies daalden met ongeveer 2%. Voor de vormingplus-centra, de migrantenverenigingen en de meeste bewegingen verminderen de subsidies bovendien nog aanzienlijk vanaf 2011.

Het lijkt erop dat organisaties zich in 2010 konden organiseren op de krimp in hun budget, zonder aan de personeelsaantallen te raken. We zien in 2010 buiten een gestage toename van deeltijds werk, geen significante evoluties in de personeelaantallen.

1956 personeelsleden, 5200 freelancers

De sector telt in totaal zo’n 2.188 personeelsleden (1.783 voltijdse equivalenten) waarvan er 1.956 worden ingezet voor sociaal cultureel volwassenenwerk (1.467 voltijdse equivalenten). Daarnaast doet de sector een beroep op de diensten van 5.200 (inhoudelijke) freelancers. Drie kwart van de personeelsleden is hooggeschoold, 70% van hen is vrouw. Het personeelsverloop bedraagt 11%: 6% van de werknemers verliet haar organisatie op eigen initiatief (vrijwillig), 4% vertrok onvrijwillig (bij 0,7% is de reden onbekend) het verloop is het grootst bij jonge mensen en in bewegingen en vormingplus-centra. 46% werkt deeltijds: het aandeel deeltijds werkenden neemt gestaag toe.

Jasper De Gussem,
tekst overgenomen van het FOV

Gepubliceerd door: 

Tags: