De grondwet is geen vodje papier

De media berichtten de voorbije maanden veel over hoe ICE en Donald Trump de grondrechten van Amerikaanse burgers met de voeten treden. En de pogingen tot ontmanteling van de rechtsstaat door Oost-Europese politici zoals de Hongaarse Orban of het Poolse PiS zijn ons ook genoegzaam bekend. Maar dat ook Belgische grondrechten onder druk staan, daarover horen wij minder.

De grondwet is geen vodje papier

Geïnspireerd door het interessante boek ‘Een grondwet voor ons allemaal’ van Patricia Popelier geef ik hieronder wat toelichting over het debat tot uitbreiding of beperking van de zes sociale, culturele en ecologische grondrechten in artikel 23 van de Belgische grondwet.

Sammy Mahdi positioneert zich graag in de media. Aandacht trekken is de boodschap, maar zijn vloedgolf aan berichten in de virtuele realiteit waait alle kanten op en dient de antipolitiek. Dat nuchtere boeren de partij van de Boerenbond verruilen voor het Vlaams Belang, verbaast dan niet. Dat Mahdi hierop reageert evenmin, maar zijn voorstel om het ‘recht op voedselveiligheid’ in artikel 23 van de grondwet op te nemen, verdient meer dan een vluchtige tweet. Wil Mahdi de sociale en ecologische grondrechten uitbreiden terwijl de N-VA ze wil beperken? Dat ware goed nieuws, maar op de website van de CD&V vind je er niets over. Op de persoonlijke pagina van CD&V parlementslid Stijn De Roo vind je wat meer. Vooraleer dat te bespreken, beschrijf ik eerst het belang van de grondwet, de plaats van artikel 23 erin en de controverse over de sociale, culturele en ecologische grondrechten.

De grondwet is één van de weerhaken van de democratie om de concentratie van macht zoals in het Ancien Régime te vermijden. De democratische droom van de rechtsstaat is om elke burger in de macht te laten delen, en de grondwet heeft een moreel kompas dat de waarden van de Verlichting – vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid – juridisch verankert in de onvervreemdbare grondrechten van elk individu. De grondwet verdeelt ook de macht zodat iedereen de grondrechten moet respecteren en niemand te veel macht krijgt. Een door het volk verkozene krijgt tijdelijk wetgevende macht, maar kan slechts wetten stemmen binnen de grenzen van de grondwet. De uitvoerende macht kan een politiek beleid uitrollen, maar alleen in het kader van de wetten. En op de onafhankelijke rechterlijke macht kan elke burger een beroep doen om zijn grondrechten juridisch af te dwingen. De Belgische grondwet was in 1830 progressief voor zijn tijd, maar de democratische droom was voor weinigen weggelegd. Centraal stonden de individuele vrijheidsrechten – het recht op vrije godsdienst, het recht op vrije meningsuiting en persvrijheid, het recht op vergadering en vereniging… Dat zijn belangrijke grondrechten, maar naar de andere twee wijzers van het democratisch moreel kompas – gelijkheid en broederlijkheid – moest je ver zoeken. De collectieve grondrechten die de arme boeren in de middeleeuwen het recht gaf om hun vee op de gemeenschapsgronden, de commons, te laten grazen, stonden haaks op het uit vrijheidsrechten afgeleide individuele eigendomsrecht en hadden geen plaats in de grondwet. Het stemrecht bij verkiezingen stond er wel in, maar slechts voor één procent van de Belgen. Het volk moest meer dan een eeuw strijd voeren om gelijke politieke grondrechten voor elke burger – arm of rijk, man of vrouw, oud of jong – in de grondwet op te nemen. Op sociale, culturele en ecologische grondrechten van artikel 23 was het nog langer wachten.

De groene Minister van Staat Jos Geysels maakte de politieke steun van Agalev voor de vierde staatshervorming afhankelijk van de opname van het recht op arbeid, sociale zekerheid, een gezond leefmilieu… in artikel 23. Die grondrechten staan pas sinds 1994 in de grondwet. Dat sociale grondrechten pas sinds kort in de grondwet staan, is verwonderlijk. De wetgevende macht kan een wet slechts stemmen in uitvoering van de grondwet, maar onder druk van de sociale strijd nam het parlement sinds het einde van de 19e eeuw vele sociale wetten aan. Waren die wetten ongrondwettelijk en dus illegaal? Niet echt, maar de wetgevende macht moest soms heel creatief zijn om de sociale gelijkheid van de democratische rechtstaat te verenigen met de liberale grondwettelijke vrijheidsrechten. En de rechterlijke macht bleef, alle sociale wetgeving ten spijt, lang een klassenjustitie. Er waren uitzonderingen en Popelier haalt het voorbeeld aan van een rechter die vóór 1994 het grondrecht op bijstand legitimeerde als het rechtmatige eigendomsrecht van een behoeftige. Maar zonder de sociale grondrechten in de grondwet was het wikken en wegen om de sociale wetgeving te verdedigen.
Daarom zijn sociale, culturele en ecologische grondrechten in artikel 23 zo belangrijk. Later kregen ze de steun met het Europees Sociaal Handvest (1996) dat de welvaartsstaat juridisch regelt in de Europese Unie. Het Handvest beschrijft het grondrecht op sociale zekerheid in dezelfde bewoordingen als artikel 23 vande Belgische grondwet.

De grondwet legt in de stand-still verplichting vast hoe wij artikel 23 moeten interpreteren. De sociale, culturele en ecologische grondrechten vragen een actieve tussenkomst van de staat en verschillen van de individuele vrijheidsrechten die de staat slechts passief moet respecteren. De staat heeft een inspanningsverbintenis, maar de grondrechten van artikel 23 zijn geen resultaatsverbintenis die de burger kan afdwingen voor de rechtbank. De stand-still verplichting staat niet letterlijk in de grondwet, maar is de geest van de grondwet die opgenomen werd in de parlementaire voorbereiding: “Rechten die al gekend waren in de interne wetgeving kunnen niet meer afgebouwd worden zonder overtreding van de grondwet”. Hieruit volgt niet dat elke nieuwe wet meer sociale, culturele of ecologische bescherming moet bieden, maar wel dat een nieuwe wetgeving die tot een sociale, culturele of ecologische achteruitgang leidt, goed gemotiveerd moet zijn vanuit het algemeen belang. Redenen van algemeen belang zijn onder andere het nastreven van economische groei, het bewaren van het begrotingsevenwicht of het bevorderen van werkgelegenheid.

De stand-still verplichting is een doorn in het oog van rechtse politici. Ze willen artikel 23 aanpassen en de stand-still verplichting afschaffen. Ze klagen over linkse, activistische rechters die op basis van de grondwet de bewegingsruimte van de democratische meerderheid beperkt en de groei van de welvaart tegenhouden.

Sander Loones (N-VA) pleitte in 2023 voor de oprichting van een volksberoep om de beslissingen van het Grondwettelijk Hof die een schending van de sociale, culturele en ecologische grondrechten onderzoekt, te kunnen weerleggen. Zijn voorstel om zo het stand-still principe te omzeilen werd massaal teruggefloten, maar de N-VA blijft artikel 23 in het vizier nemen. De partij spreekt van een herstel van het evenwicht tussen rechten en plichten en wil de sociale, culturele en ecologische grondrechten herformuleren tot niet-bindende beginselen. Maar er is meer. De Gemengde Commissie Vergunningen die de Vlaamse Ministers Diependaele en Brouns oprichtten, wilde stand-still verplichting zelfs helemaal herzien. Advies 32 van het eindrapport van 30 september 2025 stelt voor dat het volledig aan “de wet- en decreetgever wordt overgelaten om de in het artikel vermelde grondrechten te realiseren en te concretiseren, zonder dat dit neerkomt
op een stand-still”. De Vlaamse oppositiepartij Anders wil het niet anders doen en diende op 20 februari 2026 een Vlaamse resolutie in om “met het oog op rechtszekerheid” de grondrechten “te herzien” en ervoor te zorgen dat het “recht op een gezond leefmilieu niet leidt tot een rigide stand-still-toepassing die noodzakelijke en democratisch gelegitimeerde beleidswijzigingen onmogelijk maakt”.

Popelier toont in een column van 18 maart 2026 op Sampol hoe de aanval op artikel 23 en de stand-still verplichting niet op realistische feiten gebaseerd is en hoe de rechter de stand-still verplichting niet lichtzinnig toepast. Het Grondwettelijk Hof onderzocht in de voorbije 25 jaar 185 klachten over mogelijk ongrondwettelijke wetten en sprak slechts 20 veroordelingen uit. Er is absoluut geen sprake dat de stand-still verplichting de “noodzakelijke en democratisch gelegitimeerde beleidsbeslissingen onmogelijk maakt”. Meer zelfs, het Grondwettelijk Hof interpreteert het begrip algemeen belang zeer breed en staat een conservatieve politiek niet in de weg. De beperking van de werkloosheid in de tijd doorstond de rechterlijke toets hoewel men dat als een ernstige afbraak van een sociaal recht kan zien.


Het enige dat de stand-still verplichting eist, is dat de wetgever niet blind vaart en een mogelijke sociale afbraak in naam van het algemeen belang goed motiveert. In de zaak van vzw Grip (2021) bijvoorbeeld stelde de rechter dat het recht op sociale zekerheid er is voor de zwaksten en dat een hardvochtige wet die ingrijpt in de welvaart van de zwakke juridisch stevig onderbouwd moet zijn. De wetgever moet zijn beslissing goed staven, meer vraagt de stand-still verplichting niet. Maar blijkbaar staat voor sommigen dat het primaat van de politiek te veel in de weg. Het verhaal van de democratische grondwet blijft het verhaal van de machteloze.

De grondrechten zijn zoals de scheiding der machten een weerhaak van de democratie die grenzen stelt aan de macht van de politiek. En de filosofie achter de grondwet is een wantrouwen tegen elke vorm van autocratische macht. Wie van de macht proeft, raakt er vlug aan verslaafd. De sociale, culturele en ecologische grondrechten van artikel 23 zijn de uitdrukking van deze droom en blijven een deel van het moreel kompas van de democratische rechtsstaat.

Tijd om terug te keren naar het hogergenoemde ‘recht op voedselzekerheid’ dat de CD&V in artikel 23 wil opnemen. Stijn De Roo stelt dat hiermee een actieve tussenkomst van de overheid zou kunnen geëist worden om strategische autonomie op het vlak van landbouw na te streven. Als zijn voorstel een nieuwe weerhaak van de democratie wordt waarmee de wetgever de lokale landbouw kan stimuleren, kan dit een goede zaak zijn. Maar ik lees geen pleidooi voor gezonde voeding en biologische landbouw op zijn website. En als de vos de passie preekt, boer let op je ganzen, zegt het Vlaams spreekwoord. De Standaard van 30 maart 2026 citeert een intern document van Vlaams Minister van landbouw Brouns om de milieurichtlijnen te versoepelen. In de lijn van het hierboven vermelde rapport van de Commissie Vergunningen heeft het document het over de stand-still verplichting die ‘onwenselijke proporties’ aangenomen heeft en ‘herijkt’ moet worden. Wil de CD&V tezelfdertijd het recht op voedselzekerheid opnemen in de grondwet en de stand-still verplichting afschaffen? Sluit Mahdi straks met de N-VA en Anders een compromis à la Belge om het recht op voedselzekerheid op te nemen in de grondwet en is de pasmunt de mogelijke afbouw van de interne wetgeving die al voorziet in de sociale, culturele en ecologische grondrechten, vanuit het primaat van de politiek? Gaan de socialisten opnieuw de kat uit de boom kijken? Het zou ons niet alleen naar een autocratische wetgevende macht leiden, maar ook naar een hernieuwde klassenjustitie.

Daarom tot slot enkele suggestieve vragen die een stap verder gaan dan de zeer verdienstelijke, maar voorzichtige voorstellen van Popelier. Wordt het geen tijd om 35 jaar na het invoeren van de sociale, culturele en ecologische grondrechten in de grondwet om de inspanningsverplichting van de overheid, voorzien in de stand-still verplichting, om te zetten in een resultaatsverbintenis?


Is dat niet beter om het morele kompas van de democratische rechtsstaat nog meer te verdiepen in de grondwet in plaats van de stand-still verplichting af te schaffen zoals de N-VA en Anders, en misschien ook de CD&V, voorstellen? Mij lijkt het van wel, en binnen de grenzen van de grondwet krijgt de wettelijke macht dan nog altijd alle vrijheid om de resultaatsverbintenis van het grondrecht op voedselzekerheid en van de zes andere sociale, culturele en ecologische grondrechten verder in te vullen.

Lieven Plouvier

Dit artikel verscheen in ons kwartaaltijdschrift, nr. 2 (mei) van het jaar 2026. Je kan de werking van ’t Uilekot steunen door lid te worden van de vzw: Standaard lidgeld: €25; Sociaal tarief (student, werkloos, gepensioneerd,…): €10; Gezinslidmaatschap: €50 en Steunlidmaatschap: €50 of meer per jaar. Gelieve ‘lidgeld 2026‘ te vermelden in de mededeling.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.