De geschiedenis heeft ons weinig namen nagelaten van socialistische pioniers die zelf werkten als arbeider. In Geraardsbergen kennen we wel de naam van zo iemand: Bellarminus Van Der Bruggen. Ik poog nu een schets over zijn leven te geven.

Schoenmaker Joannes Van Der Bruggen (°1796) en wasvrouw/strijkster Joanna Pletincks (°1802) begroeten hun eerste kindje in 1842: Maria Theresia. Op 5.8.1825 komt er een broertje: Bellarminus. Augustinus ziet op zijn beurt het levenslicht in 1829. Het gezin Van Der Bruggen woont in Geraardsbergen, een stad met circa 6000 inwoners waarvan veel ambachtslui, veel kleine straatjes en schrijnende armoede.

De kinderen zijn nog piepjong als Geraardsbergen een woelige periode kent met de Belgische revolutie van 1830. De Geraardsbergenaars hopen op een beter leven met de onafhankelijkheid maar mogen al blij zijn dat ze van de daaropvolgende oorlog met Nederland gespaard blijven. Kort daarop wordt het gezin Van Der Bruggen zwaar getroffen: in 1833 overlijdt moeder Joanna. Vader Joannes moet met de drie kinderen zien te overleven.

Joannes hertrouwt met Adelais Vienvalet (°1801), Petrus Van Der Bruggen (°1836) wordt uit dit huwelijk geboren. Het gezin bestaat nu uit vijf personen. Bellarminus moet als oudste jongen al vlug gaan werken om zijn bijdrage te leveren aan het gezinsinkomen. Volgens Abraham Ruiz start hij zijn beroepsloopbaan in een ‘stekskesfabriek’. Zeker is dat niet gezien de eerste stekskesfabriek (Mertens) in Geraardsbergen pas opent in 1843 en de eerste in Lessen in 1835. Mogelijks werkt hij bij zijn vader of in een andere sector. Wat we wel met zekerheid weten is dat geen enkele sector zoveel kinderarbeid kende als de lucifernijverheid.

In de tweede helft van de jaren 40 wordt ook Geraardsbergen getroffen door hongersnood ten gevolge van mislukte graan- en aardappeloogsten, vervolgens krijgen de inwoners ook nog eens een choleraepidemie over zich..

Bellarminus en zijn gezin
Bellarminus trouwt in 1856 met Catharina Van Damme (°25.11.1833). Mevrouw Van Der Bruggen is één van de 1800 kantwerksters in Geraardsbergen. Ze verdient zo een 50 centiemen per dag terwijl mijnheer tussen 1 en 1,5 frank per dag verdient. Met dat geld kan men dagelijks één brood en enkele patatten kopen. Een stuk spek of kaas of een beetje melk zijn een luxe die men zich af en toe eens kan permitteren. Ter illustratie: in 1847 kost een roggebrood 34 cent, een kilo aardappelen kost 13 cent.

In 1864 verwelkomt het gezin de eerste nakomeling: Rachel Van der Bruggen, in de archieven wordt ze later ‘huishoudster’ genoemd. Twee jaar nadien kan het gezin een tweede dochter begroeten; Maria Prudentia Van der Bruggen, zij wordt ‘dagloonster’, wat wil zeggen dat ze iedere dag moet afwachten of ze aangenomen wordt.

Vermoedelijk milliteert Bellarminus reeds in de eerste internationale in Geraardsbergen, er zijn echter geen ledenlijsten bewaard zodat we dat niet 100% zeker kunnen weten.

Bellarminus is actief in (of zelfs medestichter van) de werkersbond, opgericht in 1877. De werkersbond – die toen trouwens illegaal was – wordt in 1877 lid van de Vlaamse Socialistische Arbeidspartij, de eerste socialistische partij in België.

Op aansturen van de Antwerpse socialist Goetschalck en de Gentenaar Edward Anseele richt Bellarminus samen met anderen in 1880 een ‘Maatschappij van onderlinge bijstand’ op. In tegenstelling tot de werkersbond is dit een legaal initiatief conform de wet op ‘De maatschappijen van onderlingen bijstand’ van 1851. Deze maatschappijen steunen zieke leden financieel. Leden betalen wekelijks een kwartje, in Geraardsbergen zijn sommigen zo arm dat ze deze minimale bijdrage niet kunnen betalen.

Socialistische maatschappijen voegen er in hun statuten aan toe dat ook stakers financieel gesteund kunnen worden, zodat deze maatschappij de facto ook een vakbond is. In Geraardsbergen rekruteert de bond vooral bij sigarenmakers en groeit vlug. Na een lange staking van sigarenarbeiders komt de bond sterk verzwakt uit de strijd. Bellarminus zelf is ondertussen 55 jaar en werkt nog altijd in de lucifernijverheid. Hij is één van de weinigen die thuis werkt, thuiswerk is een efficiënte strategie van de werkgevers om te vermijden dat iemand zijn collega’s ‘opstookt’. Bellarminus werkt vooral als snijder: het met een mes vanuit rollen afgerold hout lucifers snijden.

1885 is een belangrijk jaar voor het socialisme in België, in ‘De Zwaan’ op de Brusselse Grote Markt stichten 112 vertegenwoordigers van plaatselijke groepen de ‘Belgische Werkliedenpartij’ (BWP) Geraardsbergen wordt waarschijnlijk vertegenwoordigd door Bellarminus, Karel Lodewijk Spitaels en Joseph Clerebaut. (dixit Gaston Imbo).

Bellarminus werkt nu actief mee aan het op poten zetten van de Geraardsbergse afdeling van de BWP. Die afdeling wordt in 1886 formeel opgericht samen met Karel Lodewijk Spitaels, Jan De Froy en Isidoor De Moor. De laatste twee zijn kopstukken van de sigarenmakersbond.

Op 15 augustus 1886 organiseert de jonge BWP een nationale betoging in Brussel voor het ‘algemeen stemrecht’ (AS). De BWP legt vanuit Geraardsbergen een trein in naar de betoging. Hij is ‘stampvol gevuld met betogers van Geraardsbergen en randgemeenten’.

Bij de aankomst wordt Bellarminus op de schouders getild door arbeiders die geestdriftig een rondedansje met hem doen. De gedisciplineerde betoging eindigt in het park van Sint Gillis waar de ‘Eed van Sint Gillis’ gezworen wordt: ‘Zonder onderbreking of rust, te vechten totdat de dag is aangebroken waarop door de instelling van het algemeen stemrecht het volk werkelijk een vaderland zal hebben veroverd’.

Begin 1886 komt de situatie in de lucifersfabrieken ter sprake op een meeting in ‘De Gouden Leeuw’ op het Stationsplein. Daarop volgt een artikel in de Vooruit : ‘Er is geene stad waar de werkman meer te lijden heeft als hier. In de fosfoorfabrieken kan het niet erger gaan met de uitbuiterskliek’ (Vooruit 11.1.1886). Bellarminus speelt zeker een rol bij het in de aandacht brengen van de problemen van de luciferarbeiders. De toestanden zijn dan ook vreselijk.

Enkele voorbeelden van ontoelaatbare werkomstandigheden in de luciferfabrieken:
Het loon bedraagt 1 tot 1,5 fr per dag (in de koolmijnen betaalt men 3 fr per dag); kinderarbeid vanaf 7 jaar; uitermate ongezond werk; arbeiders worden verplicht om brood, meubelen, afgedragen kledij van bazen te kopen; de kruideniersprijzen liggen hoger dan in de andere winkels, het loon wordt te laat uitbetaald; arbeiders kunnen goederen kopen op krediet, waardoor ze helemaal afhankelijk worden van de fabriekseigenaar.

In april 1886 komt een regeringscommissie op bezoek. Ze vergadert op het stadhuis, naast de commissieleden zijn ook de arts Edmond Brocorens, enkele fabrikanten en vier arbeiders aanwezig. Brocorens getuigt dat de arbeiders last hebben van ‘Beenbreuken als gevolg van langzame maar onafgebroken vergiftiging’.

Die ziekte wordt veroorzaakt door de fosfordampen (fosforwaterstof) die vrij komen bij de productie van lucifers. Hij noemt die ziekte koudvuur. ‘De dood is gewoonlijk een gevolg van hersenontsteking, of van stuipen, waarschijnlijk veroorzaakt door een uitbreiding van het koudvuur tot de beenderen van het onderdeel van de schedel.’ Na het bezoek worden de productiemethodes aangepast en worden er meer en meer ‘veiligheidslucifers’ gemaakt. Het duurt echter jaren vooraleer alle fabrikanten overgeschakeld zijn. In 1905 is er nog een staking in ‘La Suedoise’ als de fabrikant de werknemers verplicht de tanden te laten trekken.

In 1893 is Bellarminus medestichter van de ‘Fosfoorbewerkersbond’, een afsplitsing van de werkliedenbond. Die bond wordt de drijvende kracht achter de strijd voor de verbetering van de werkomstandigheden van de arbeiders, de arbeidsters en de talrijke kinderen in de lucifersnijverheid. In datzelfde jaar breken er stakingen uit in de luciferfabrieken.

In 1894 besluit de propagandaclub van Geraardsbergen (het bestuur van de BWP dus) tot het (her)oprichten van een ‘Gemengde weerstandskas’, een voorloper van de ziekenkas ‘Bond Moyson’. Bellarminus wordt op 25.2.1894 verkozen tot de eerste voorzitter.

Onder het gedreven voorzitterschap van Bellarminus groeit de maatschappij vlug. Binnen de kortste keren worden honderden nieuwe leden verwelkomt die een bijdrage betalen, maar er zijn ook veel steunvragen bij ziekte (en zoals reeds gezegd zijn er vooral bij de luciferarbeiders zeer ernstige gezondheidsproblemen). De weerstandskas opereert onder de naam ‘Helper en Trooster’ en ervaart daardoor een toenemende financiële druk.

In 1895 haalt het kartel ‘Democratisch verbond der verenigde liberalen en werklieden’ de absolute meerderheid in het stadsbestuur. Dat lijkt een goed moment om bij monde van het socialistisch raadslid Vital De Clercq. steun te vragen voor ‘Helper en trooster’. Die steun komt er niet, zelfs de kartelpartner stemt tegen omdat H&T niet erkend is door de nationale overheid. Op 30.12.1900 stopt Bellarminus als voorzitter van ‘Helper en trooster’. Hij is dan 75 en wordt erevoorzitter. Alfons De Moyer volgt hem op als voorzitter.

Reeds begin de jaren 90 organiseert de socialistische beweging meetings in het Hollands Koffiehuis in de Visstraat. Dat wordt echter te klein en de snel groeiende beweging koopt een gebouw op de Zakkaai. Dat gebouw wordt omgevormd tot volkshuis en als zodanig in gebruik genomen in 1895.

Bellarminus is bijzonder gelukkig bij de inhuldiging, en met ogen die straalden van hoop en blijdschap hoorden wij hem verklaren: “Nu mogen wij gerust zijn, en zullen wij niet meer verplicht zijn te vergaderen in verdoken hoeken en kanten om aan onze vervolgers te ontsnappen zoals wij het vroeger hebben beleefd”.

Bellarminus wordt lid van alle mogelijke geledingen die de socialistische beweging opricht. Zo werkt hij ook mee met ‘De studiekring en sprekersschool’. Kort na de oprichting van de ‘Vrijdenkersbond’ geeft hij op 8 september 1898 een lezing over ‘Godsdienst en socialisme’. Dat is een delicaat onderwerp daar de geestelijken een kruistocht houden tegen het socialisme. Alle middelen zijn goed: dreigen om kinderen hun communie niet te laten doen, een uitzicht op de hel bieden, ontslag in het vooruitzicht stellen, het weigeren van een plaatsje op het kerkhof. De meeste arbeiders zijn katholiek opgevoed en worden op die manier in gewetensnood gebracht.

Op zondag 11 september debatteert hij er met Victor Cosijns (°1876 en militant van de Socialistische Jonge Wacht) over ‘Anarchisme en socialisme’. Een beetje klaarheid scheppen in de verschillende stromingen is in die periode zeer nuttig.
Bellarminus blijft tot op hoge leeftijd lid van verschillende geledingen van de BWP en woont zelfs nog de vergaderingen bij.

Bellarminus overlijdt op 5.6.1914. Zijn stoffelijk overschot wordt naar het graf begeleid door een grote menigte terwijl de fanfare ‘De Verbroedering’ de internationale en treurmarsen speelt.

Guillaume De Nauw (°1880 en toekomstig burgemeester van Geraardsbergen) spreekt de grafrede uit. De geschiedenis van de BWP in Geraardsbergen loopt samen met het leven van B.’ Hij werd beschimpt en gebroodroofd maar wist desondanks mensen op te beuren na een tegenslag. Hij leefde een leven van strijd en opoffering en had niets dan vrienden’.

Bellarminus heeft een steen verlegd in de Dender, en die steen heeft een rimpeling veroorzaakt.

Wim Thienpont

Bronnen:

  • De Chou, Freddy; De rode burcht; 2018
  • Godfroid, Stepha; Surdiacourt, Dirk; Lucifersbedrijven te Geraardsbergen, 1983
  • Imbo, Gaston; Richard Clerebaut, een pionier van het socialisme te Geraardsbergen, artikelenreeks in ‘De Heemschutter’.
  • Ruiz, Abraham; Geraardsbergen en de ontvoogdingsstrijd van de werkende klasse, 1981
  • Ruiz, Abraham; Geraardsbergen op de drempel van de 20e eeuw, 1976
  • Walraet, Lucien; 90 jaar cooperatieve werking in Geraardsbergen en Ninove, 1991
  • Archief Gerardimontium
  • AMSAB
  • Wikipedia
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.