Tweede wereldoorlog 1940-1945

Met 630.000 kijkers voor de TV-reeks ‘Kinderen van de collaboratie’ en meer dan 400.000 voor de documentaires over de holocaust kan het aandeel van het oorlogsgebeuren in het collectieve geheugen van Vlaanderen moeilijk overschat worden. Dat het boek van Björn Rzoska na 20 jaar aan een tweede druk toe was (net zoals het standaardwerk van Luc Huysse en Steven Dhondt) ligt in diezelfde lijn. Dat dit verleden nog steeds niet is verwerkt is een thesis die in beide werken over collaboratie en repressie unisono wordt beleden.

Het hechteniskamp in Lokeren

Het  kamp te Lokeren, gebouwd voor  de toekomstige Engelse krijgsgevangenen,  werd na de bezetting  omgevormd tot het grootste interneringskamp van België. Verdachten van collaboratie werden er samengepropt op een terrein van 264 are in 15  houten barakken in afwachting van hun proces. Op het hoogtepunt verbleven er  zowat 5000 gedetineerden, 350 per barak  terwijl die oorspronkelijk voorzien waren voor slechts 150 personen. Ca. 20.000 gedetineerden passeerden er in de periode van september 1944 tot oktober 1947, de ene al langer dan de andere, van één maand of enkele maanden tot enkele jaren…). Niet verwonderlijk dat het hechteniskamp van Lokeren een van de belangrijke herinneringsplaatsen van de repressie is geworden. Hygiëne en voedselbevoorrading lieten te wensen over. De toestand werd zo schrijnend dat er in augustus 1945 een heuse opstand plaatsvond.

Het boek verhaalt op boeiende wijze het dagelijkse kampleven maar beperkt er zich niet toe. Het is tevens  een stevig wetenschappelijk dossier geworden op basis van eigen onderzoek. In de tweede druk die bijna 20 jaar na de eerste druk (1999) het leven zag verwerkt hij nieuwe inzichten die het wetenschappelijk onderzoek over collaboratie en repressie de laatste 20 jaar heeft opgeleverd. Prof. Bruno De Wever (broer van …) die destijds de promotor was van zijn licentiaatsverhandeling (thans heet dat ‘masterproef’) schreef het voorwoord. Dit feit op zich zegt al heel wat over het niveau  van het boek.

“Onverwerkt verleden: collaboratie en repressie in België 1942 – 1952” is het boek van Luc Huysse en Steven Dhondt. Zowat iedereen is het erover eens dat dit hét standaardwerk is  over de problematiek van collaboratie en repressie tijdens en na de tweede wereldoorlog. Het werd gepubliceerd in 1991 en  kreeg bijzonder lovende kritiek van historicus… Bart De Wever, toen weliswaar dertig jaar jonger.  Of politicus Bart De Wever dit vandaag nog zou herhalen is maar zeer de vraag.

Deze lijvige studie van zowat 400 blz. kreeg onlangs eveneens een heruitgave en ook dit werk werd aangevuld met recente nieuwe inzichten. Die werden  verkregen na het openstellen van de archieven van het krijgsauditoraat. Deze nieuwe inzichten werden aangebracht door Koen Aerts, Pieter Lagrou en… jawel, Bruno De Wever.

Meten is weten

Wars van alle vooroordelen hebben zowel Rzoska als Huysse zich gebaseerd op koude cijfers en daaruit conclusies getrokken. En die conclusies kunnen wel eens haaks staan op de beeldvorming die in bepaalde middens nog steeds wordt gekoesterd. De rechtstreekse getuigen zijn zo goed als verdwenen, maar de ervaringen van de ouders leven op heel uiteenlopende manieren door in hun kinderen.

Een voorbeeld. De bevolking van het hechteniskamp in Lokeren zou volgens getuigenissen van oud-gevangenen bestaan hebben uit 80% intellectuelen. Er werd met enige zelfspot gesproken over de Universiteit van Lokeren. In zijn notities stelt de auteur Filip De Pillecyn, zelf een kampgevangene, dat in zijn eigen barak 85% van de gedetineerden alleen maar lager onderwijs had gevolgd.

Het wetenschappelijk onderzoek van Rzoska geeft een gedetailleerder beeld:

37.7 % zijn arbeiders

33.3 % behoort tot de middenklasse: kleine zelfstandigen, landbouwers en ambachtslui

12,5 % bestaat uit lagere ambtenaren en bedienden

12.5 % zijn hogere ambtenaren en bedienden op bestuursniveau, ondernemers en vrije beroepen

04.0 % varia

Onderwijzers zitten in de categorie hogere ambtenaren. Zij waren prominent aanwezig!

Meten is weten: 82.5 % van de Lokerse gedetineerden waren geen intellectuelen.

Zo zijn er heel wat beweringen die het wetenschappelijke onderzoek niet overleven en moeten geklasseerd worden als ‘mythe’. In de jeugdbeweging van 50/60 jaar geleden, meer bepaald KSA, geloofden wij dat collaborateurs naar het Oostfront waren getrokken om er in dienst van de nazi’s te gaan vechten tegen het goddeloze communisme, hierbij aangespoord door priesters en paters. Die idealisten waren er beslist maar de beeldvorming die ons werd opgedrongen maakte dat zij het representatieve gezicht werden van ‘dé Oostfrontstrijders’. De werkelijkheid zag er anders uit!

In de rangen van de Oostfrontstrijders zaten uiteraard ook avonturiers, misdadigers die hun straf wilden ontvluchten, Vlaamse en Waalse werkwilligen die in Duitsland verplicht werden ‘vrijwillig’ dienst te nemen en collaborateurs die de onzekere toekomst van het Duitse offensief aan het Oostfront verkozen boven het lot dat hen te wachten stond bij de bevrijding nu de geallieerde legers snel naderden.

Nog meer cijfers

Vanuit Londen en vanaf december 1942 bereidde de regering  o.l.v.  de eerste Minister Pierlot in diverse besluitwetten de naoorlogse overheidsrepressie van collaborateurs voor. Walter Ganshof Van der Meersch, de auditeur-generaal speelde een grote rol in de totstandkoming van deze wetgeving en van haar toepassing na de bevrijding. Na het beëindigen van de oorlog  werden liefst 405.493 dossiers aangelegd tegen ‘incivieken’ (politieke delinquenten uit de Tweede Wereldoorlog). Van dit astronomisch getal gaven ‘slechts’ 57.254 dossiers aanleiding tot effectieve vervolging. 53.005 veroordelingen werden uitgesproken.

De uitgesproken straffen bestonden voor 60% uit correctionele straffen van minder dan 5 jaar hechtenis en voor 40% uit criminele straffen van minimum 5 jaar waaronder 2940 doodstraffen. Er werden 242 effectieve terechtstellingen effectief uitgevoerd. De executie van parlementslid (Katholieke Partij) Leo Vindevogel, tevens oorlogsburgemeester van Ronse, bracht heel wat beroering in de regio.

Van de 53.005 veroordeelden waren  er:

31.861 militaire collaborateurs (wapendragers: Waffen SS, Vlaams Legioen,…)

16.305 paramilitaire collaborateurs (Fabriekswacht,…)

Politieke collaborateurs waren bvb leden van VNV, van Rex…, ideologische aanhangers van de Nieuwe Orde.

Burgerlijke epuratie omvatte het verlies van burgerrechten, o.m. het actief en passief stemrecht, het verbod om bepaalde beroepen uit te oefenen zoals advocaat, journalist, priester,…

Administratieve zuiveringen betekenden het ontslag uit hun ambt van het politiek personeel en de  ambtenaren tijdens de bezetting  het ontslag.

Weigering van het toekennen van het bewijs van burgertrouw maakte bvb inschrijving in het handelsregister onmogelijk of bezwaarde het kandideren voor een job  waar vaak dit bewijs een toelatingsvoorwaarde was.

Deze straffen troffen niet alleen de collaborateurs maar vaak ook hun gezin en familie die als paria’s in de armoede belandden. Daarnaast was er ook nog een arsenaal aan andere of bijkomende straffen zoals schadevergoeding, verbeurdverklaring enz.

De Volksrepressie

Via radioboodschappen had de regering in ballingschap vanuit Londen de bevolking uitdrukkelijk gevraagd het recht niet in eigen handen te nemen maar in het machtsvacuüm dat ontstond onmiddellijk na de bevrijding werden duizenden burgers wederrechtelijk beroofd van hun vrijheid en in kampen ondergebracht. Hun bezittingen werden geroofd of in brand gestoken. Mishandelingen hadden tientallen doden tot gevolg. We zijn september, anno 1944. Een deel van de bevolking nam na 4 jaar bezetting het recht in eigen handen om zij die mee hadden geheuld  met de bezetter te straffen.

Er zou een tweede golf van volksrepressie komen in mei 1945 toen de Duitsers definitief verslagen werden  en  de gruwelen van het naziregime en de Holocaust aan het licht kwamen.

Onverwerkt verleden

Vooral -maar zeker niet alleen- ter linkerzijde heeft men het altijd moeilijk gehad met ‘nationalisme’ in het algemeen en in onze contreien met het Vlaams nationalisme in het bijzonder. Die Vlaams nationalisten werden in de decennia na de oorlog systematisch in de (extreem) rechtse hoek geduwd en, in de context van de besproken problematiek bij uitstek bekeken als Duitsgezind, aanhangers van de Nieuwe Orde en collaborateurs.

Dit is op zijn minst een simplistische benadering van de realiteit. In de Volksunie  waren figuren als Nelly Maes (rooie Nelly), Willy Kuypers of Maurits Coppieters zonder meer  progressieve figuren. De visie over bvb. het apartheidsregime in Zuid-Afrika was één van de vele breuklijnen die dwars door de gelederen van de Volksunie liep.

In de Vlaamse publieke opinie daarentegen overheerste de overtuiging dat de repressie genadeloos en anti-Vlaams was. Collaborateurs kregen daardoor de status van slachtoffers eerder dan die van daders, een visie die vooral in Vlaams-nationalistische kringen uitgroeide tot een erg invloedrijke mythe” aldus Marc Reynebeau in zijn boekbespreking bij  de heruitgave van het hogergenoemde standaardwerk van Huysse. (De Standaard van 29/30 augustus 2020).

Zowel Rzoska als Huysse gaan uitvoerig in op deze mythe, tot groot ongenoegen van bepaalde middens in het Vlaams-nationalistische kamp. Het is nooit tot een verzoening gekomen tussen beide kampen nochtans de noodzakelijke voorwaarde om tot een verwerking van het oorlogsverleden te komen. Twee initiatieven daartoe zijn vermeldenswaardig. In meerdere edities van het ‘Journal des Tribunaux’ tussen 1945 en 1950  erkennen Franstalige juristen het feit dat de repressie vaak fout is geweest.

En op de IJzerbedevaart van 2000 sprak Frans-Jos Verdoodt het ‘historisch pardon’ uit waarin het IJzerbedevaartcomité  erkende dat er vergissingen, beoordelingen en verkeerde  allianties in het verleden werden gemaakt. Een noodzakelijk vervolg is er niet geweest. Het oorlogsverleden blijft onverwerkt. En laat dit nu juist het opzet geweest zijn van beide besproken werken.

Luc Van Impe

Bronnen:

Björn Rzoska; “Opgesloten tussen Zwart, Wit en Grijs – Het Kamp van Lokeren (1944-1947)”, woord vooraf door prof. Dr. Bruno De Wever, Uitgeverij Doorbraak, 167 blz;

Luc Huysse, Steven Dhondt met nieuwe bijdragen van Bruno De Wever, Koen Aerts en Pieter Lagrou;

“Onverwerkt Verleden. Collaboratie en Repressie in België 1942-1952. Uitgeverij Kritak, 406 blz.;

Marc Reynebeau in De Standaard van 29/30 augustus 2020. Interview met Pieter Lagrou.

De geschiedenis heeft ons weinig namen nagelaten van socialistische pioniers die zelf werkten als arbeider. In Geraardsbergen kennen we wel de naam van zo iemand: Bellarminus Van Der Bruggen. Ik poog nu een schets over zijn leven te geven.

Schoenmaker Joannes Van Der Bruggen (°1796) en wasvrouw/strijkster Joanna Pletincks (°1802) begroeten hun eerste kindje in 1842: Maria Theresia. Op 5.8.1825 komt er een broertje: Bellarminus. Augustinus ziet op zijn beurt het levenslicht in 1829. Het gezin Van Der Bruggen woont in Geraardsbergen, een stad met circa 6000 inwoners waarvan veel ambachtslui, veel kleine straatjes en schrijnende armoede.

De kinderen zijn nog piepjong als Geraardsbergen een woelige periode kent met de Belgische revolutie van 1830. De Geraardsbergenaars hopen op een beter leven met de onafhankelijkheid maar mogen al blij zijn dat ze van de daaropvolgende oorlog met Nederland gespaard blijven. Kort daarop wordt het gezin Van Der Bruggen zwaar getroffen: in 1833 overlijdt moeder Joanna. Vader Joannes moet met de drie kinderen zien te overleven.

Joannes hertrouwt met Adelais Vienvalet (°1801), Petrus Van Der Bruggen (°1836) wordt uit dit huwelijk geboren. Het gezin bestaat nu uit vijf personen. Bellarminus moet als oudste jongen al vlug gaan werken om zijn bijdrage te leveren aan het gezinsinkomen. Volgens Abraham Ruiz start hij zijn beroepsloopbaan in een ‘stekskesfabriek’. Zeker is dat niet gezien de eerste stekskesfabriek (Mertens) in Geraardsbergen pas opent in 1843 en de eerste in Lessen in 1835. Mogelijks werkt hij bij zijn vader of in een andere sector. Wat we wel met zekerheid weten is dat geen enkele sector zoveel kinderarbeid kende als de lucifernijverheid.

In de tweede helft van de jaren 40 wordt ook Geraardsbergen getroffen door hongersnood ten gevolge van mislukte graan- en aardappeloogsten, vervolgens krijgen de inwoners ook nog eens een choleraepidemie over zich..

Bellarminus en zijn gezin
Bellarminus trouwt in 1856 met Catharina Van Damme (°25.11.1833). Mevrouw Van Der Bruggen is één van de 1800 kantwerksters in Geraardsbergen. Ze verdient zo een 50 centiemen per dag terwijl mijnheer tussen 1 en 1,5 frank per dag verdient. Met dat geld kan men dagelijks één brood en enkele patatten kopen. Een stuk spek of kaas of een beetje melk zijn een luxe die men zich af en toe eens kan permitteren. Ter illustratie: in 1847 kost een roggebrood 34 cent, een kilo aardappelen kost 13 cent.

In 1864 verwelkomt het gezin de eerste nakomeling: Rachel Van der Bruggen, in de archieven wordt ze later ‘huishoudster’ genoemd. Twee jaar nadien kan het gezin een tweede dochter begroeten; Maria Prudentia Van der Bruggen, zij wordt ‘dagloonster’, wat wil zeggen dat ze iedere dag moet afwachten of ze aangenomen wordt.

Vermoedelijk milliteert Bellarminus reeds in de eerste internationale in Geraardsbergen, er zijn echter geen ledenlijsten bewaard zodat we dat niet 100% zeker kunnen weten.

Bellarminus is actief in (of zelfs medestichter van) de werkersbond, opgericht in 1877. De werkersbond – die toen trouwens illegaal was – wordt in 1877 lid van de Vlaamse Socialistische Arbeidspartij, de eerste socialistische partij in België.

Op aansturen van de Antwerpse socialist Goetschalck en de Gentenaar Edward Anseele richt Bellarminus samen met anderen in 1880 een ‘Maatschappij van onderlinge bijstand’ op. In tegenstelling tot de werkersbond is dit een legaal initiatief conform de wet op ‘De maatschappijen van onderlingen bijstand’ van 1851. Deze maatschappijen steunen zieke leden financieel. Leden betalen wekelijks een kwartje, in Geraardsbergen zijn sommigen zo arm dat ze deze minimale bijdrage niet kunnen betalen.

Socialistische maatschappijen voegen er in hun statuten aan toe dat ook stakers financieel gesteund kunnen worden, zodat deze maatschappij de facto ook een vakbond is. In Geraardsbergen rekruteert de bond vooral bij sigarenmakers en groeit vlug. Na een lange staking van sigarenarbeiders komt de bond sterk verzwakt uit de strijd. Bellarminus zelf is ondertussen 55 jaar en werkt nog altijd in de lucifernijverheid. Hij is één van de weinigen die thuis werkt, thuiswerk is een efficiënte strategie van de werkgevers om te vermijden dat iemand zijn collega’s ‘opstookt’. Bellarminus werkt vooral als snijder: het met een mes vanuit rollen afgerold hout lucifers snijden.

1885 is een belangrijk jaar voor het socialisme in België, in ‘De Zwaan’ op de Brusselse Grote Markt stichten 112 vertegenwoordigers van plaatselijke groepen de ‘Belgische Werkliedenpartij’ (BWP) Geraardsbergen wordt waarschijnlijk vertegenwoordigd door Bellarminus, Karel Lodewijk Spitaels en Joseph Clerebaut. (dixit Gaston Imbo).

Bellarminus werkt nu actief mee aan het op poten zetten van de Geraardsbergse afdeling van de BWP. Die afdeling wordt in 1886 formeel opgericht samen met Karel Lodewijk Spitaels, Jan De Froy en Isidoor De Moor. De laatste twee zijn kopstukken van de sigarenmakersbond.

Op 15 augustus 1886 organiseert de jonge BWP een nationale betoging in Brussel voor het ‘algemeen stemrecht’ (AS). De BWP legt vanuit Geraardsbergen een trein in naar de betoging. Hij is ‘stampvol gevuld met betogers van Geraardsbergen en randgemeenten’.

Bij de aankomst wordt Bellarminus op de schouders getild door arbeiders die geestdriftig een rondedansje met hem doen. De gedisciplineerde betoging eindigt in het park van Sint Gillis waar de ‘Eed van Sint Gillis’ gezworen wordt: ‘Zonder onderbreking of rust, te vechten totdat de dag is aangebroken waarop door de instelling van het algemeen stemrecht het volk werkelijk een vaderland zal hebben veroverd’.

Begin 1886 komt de situatie in de lucifersfabrieken ter sprake op een meeting in ‘De Gouden Leeuw’ op het Stationsplein. Daarop volgt een artikel in de Vooruit : ‘Er is geene stad waar de werkman meer te lijden heeft als hier. In de fosfoorfabrieken kan het niet erger gaan met de uitbuiterskliek’ (Vooruit 11.1.1886). Bellarminus speelt zeker een rol bij het in de aandacht brengen van de problemen van de luciferarbeiders. De toestanden zijn dan ook vreselijk.

Enkele voorbeelden van ontoelaatbare werkomstandigheden in de luciferfabrieken:
Het loon bedraagt 1 tot 1,5 fr per dag (in de koolmijnen betaalt men 3 fr per dag); kinderarbeid vanaf 7 jaar; uitermate ongezond werk; arbeiders worden verplicht om brood, meubelen, afgedragen kledij van bazen te kopen; de kruideniersprijzen liggen hoger dan in de andere winkels, het loon wordt te laat uitbetaald; arbeiders kunnen goederen kopen op krediet, waardoor ze helemaal afhankelijk worden van de fabriekseigenaar.

In april 1886 komt een regeringscommissie op bezoek. Ze vergadert op het stadhuis, naast de commissieleden zijn ook de arts Edmond Brocorens, enkele fabrikanten en vier arbeiders aanwezig. Brocorens getuigt dat de arbeiders last hebben van ‘Beenbreuken als gevolg van langzame maar onafgebroken vergiftiging’.

Die ziekte wordt veroorzaakt door de fosfordampen (fosforwaterstof) die vrij komen bij de productie van lucifers. Hij noemt die ziekte koudvuur. ‘De dood is gewoonlijk een gevolg van hersenontsteking, of van stuipen, waarschijnlijk veroorzaakt door een uitbreiding van het koudvuur tot de beenderen van het onderdeel van de schedel.’ Na het bezoek worden de productiemethodes aangepast en worden er meer en meer ‘veiligheidslucifers’ gemaakt. Het duurt echter jaren vooraleer alle fabrikanten overgeschakeld zijn. In 1905 is er nog een staking in ‘La Suedoise’ als de fabrikant de werknemers verplicht de tanden te laten trekken.

In 1893 is Bellarminus medestichter van de ‘Fosfoorbewerkersbond’, een afsplitsing van de werkliedenbond. Die bond wordt de drijvende kracht achter de strijd voor de verbetering van de werkomstandigheden van de arbeiders, de arbeidsters en de talrijke kinderen in de lucifersnijverheid. In datzelfde jaar breken er stakingen uit in de luciferfabrieken.

In 1894 besluit de propagandaclub van Geraardsbergen (het bestuur van de BWP dus) tot het (her)oprichten van een ‘Gemengde weerstandskas’, een voorloper van de ziekenkas ‘Bond Moyson’. Bellarminus wordt op 25.2.1894 verkozen tot de eerste voorzitter.

Onder het gedreven voorzitterschap van Bellarminus groeit de maatschappij vlug. Binnen de kortste keren worden honderden nieuwe leden verwelkomt die een bijdrage betalen, maar er zijn ook veel steunvragen bij ziekte (en zoals reeds gezegd zijn er vooral bij de luciferarbeiders zeer ernstige gezondheidsproblemen). De weerstandskas opereert onder de naam ‘Helper en Trooster’ en ervaart daardoor een toenemende financiële druk.

In 1895 haalt het kartel ‘Democratisch verbond der verenigde liberalen en werklieden’ de absolute meerderheid in het stadsbestuur. Dat lijkt een goed moment om bij monde van het socialistisch raadslid Vital De Clercq. steun te vragen voor ‘Helper en trooster’. Die steun komt er niet, zelfs de kartelpartner stemt tegen omdat H&T niet erkend is door de nationale overheid. Op 30.12.1900 stopt Bellarminus als voorzitter van ‘Helper en trooster’. Hij is dan 75 en wordt erevoorzitter. Alfons De Moyer volgt hem op als voorzitter.

Reeds begin de jaren 90 organiseert de socialistische beweging meetings in het Hollands Koffiehuis in de Visstraat. Dat wordt echter te klein en de snel groeiende beweging koopt een gebouw op de Zakkaai. Dat gebouw wordt omgevormd tot volkshuis en als zodanig in gebruik genomen in 1895.

Bellarminus is bijzonder gelukkig bij de inhuldiging, en met ogen die straalden van hoop en blijdschap hoorden wij hem verklaren: “Nu mogen wij gerust zijn, en zullen wij niet meer verplicht zijn te vergaderen in verdoken hoeken en kanten om aan onze vervolgers te ontsnappen zoals wij het vroeger hebben beleefd”.

Bellarminus wordt lid van alle mogelijke geledingen die de socialistische beweging opricht. Zo werkt hij ook mee met ‘De studiekring en sprekersschool’. Kort na de oprichting van de ‘Vrijdenkersbond’ geeft hij op 8 september 1898 een lezing over ‘Godsdienst en socialisme’. Dat is een delicaat onderwerp daar de geestelijken een kruistocht houden tegen het socialisme. Alle middelen zijn goed: dreigen om kinderen hun communie niet te laten doen, een uitzicht op de hel bieden, ontslag in het vooruitzicht stellen, het weigeren van een plaatsje op het kerkhof. De meeste arbeiders zijn katholiek opgevoed en worden op die manier in gewetensnood gebracht.

Op zondag 11 september debatteert hij er met Victor Cosijns (°1876 en militant van de Socialistische Jonge Wacht) over ‘Anarchisme en socialisme’. Een beetje klaarheid scheppen in de verschillende stromingen is in die periode zeer nuttig.
Bellarminus blijft tot op hoge leeftijd lid van verschillende geledingen van de BWP en woont zelfs nog de vergaderingen bij.

Bellarminus overlijdt op 5.6.1914. Zijn stoffelijk overschot wordt naar het graf begeleid door een grote menigte terwijl de fanfare ‘De Verbroedering’ de internationale en treurmarsen speelt.

Guillaume De Nauw (°1880 en toekomstig burgemeester van Geraardsbergen) spreekt de grafrede uit. De geschiedenis van de BWP in Geraardsbergen loopt samen met het leven van B.’ Hij werd beschimpt en gebroodroofd maar wist desondanks mensen op te beuren na een tegenslag. Hij leefde een leven van strijd en opoffering en had niets dan vrienden’.

Bellarminus heeft een steen verlegd in de Dender, en die steen heeft een rimpeling veroorzaakt.

Wim Thienpont

Bronnen:

  • De Chou, Freddy; De rode burcht; 2018
  • Godfroid, Stepha; Surdiacourt, Dirk; Lucifersbedrijven te Geraardsbergen, 1983
  • Imbo, Gaston; Richard Clerebaut, een pionier van het socialisme te Geraardsbergen, artikelenreeks in ‘De Heemschutter’.
  • Ruiz, Abraham; Geraardsbergen en de ontvoogdingsstrijd van de werkende klasse, 1981
  • Ruiz, Abraham; Geraardsbergen op de drempel van de 20e eeuw, 1976
  • Walraet, Lucien; 90 jaar cooperatieve werking in Geraardsbergen en Ninove, 1991
  • Archief Gerardimontium
  • AMSAB
  • Wikipedia

De CREG heeft het gewicht van de elektriciteits- en aardgasfactuur in het budget van de Belgische gezinnen in 2018 geanalyseerd. Eén van de opvallendste vaststellingen is dat 40 tot 50 % van de eenoudergezinnen in energiearmoede verkeert. De studiedienst van het ABVV zette de cijfers op een rijtje.

Lage inkomsten zijn de voornaamste oorzaak van energiearmoede. Op basis van deze analyse kan bepaald worden welke gezinnen kampen met energiearmoede, met andere woorden die een te groot aandeel van hun budget besteden aan de betaling van hun elektriciteits- en aardgasfacturen. Hier gaat het om de gemeten energiearmoede. In dit kader gaan we er gemeenzaam van uit (hypothese ook weerhouden door de CREG in deze studie) dat wanneer een gezin meer dan 10% van zijn netto beschikbaar inkomen (na aftrek van de huisvestingskosten) besteedt aan de betaling van zijn energiefacturen, het met energiearmoede kampt.

De regulator stelt dat van de gezinnen die hun woonst in 2018 verwarmden met aardgas (61% van de Belgische gezinnen), de energiearmoede gemiddeld:

  • 20 tot 30% van de alleenstaanden trof;
  • 40 tot 50% van de eenoudergezinnen trof;
  • 6 tot 10% van de gezinnen met twee volwassenen en twee kinderen ten laste trof;
  • ongeveer 2% van de gezinnen met twee volwassenen zonder kinderen ten laste trof.

Dit vertegenwoordigt ten minste 400.000 Belgische gezinnen in energiearmoede.

Van de personen die uitsluitend elektriciteit verbruiken (om zich te verwarmen, te koken, voor warm sanitair water enz., wat 6% van de gezinnen vertegenwoordigt), bevinden de meeste zich in energiearmoede. De elektriciteitsfactuur kan immers tot 20% van hun netto beschikbaar inkomen vertegenwoordigen.

Energiearmoede treft voornamelijk gezinnen die drie kenmerken cumuleren: eenoudergezinnen of alleenstaanden met lage inkomsten die zich met elektriciteit verwarmen.

Om de gezinnen in armoede te beschermen bestaat er in België een sociaal tarief voor elektriciteit en aardgas. Dankzij het mechanisme van sociale tarieven kan men de totale elekriciteits- en aardgasfactuur van de gezinnen die die tarieven genieten plafonneren. We merken op dat het aantal begunstigden de laatste jaren sterk is gestegen, vooral sinds 2015, meer bepaald wegens de toename van het aantal leefloners (OCMW), wat het resultaat is van de uitsluiting van personen uit het werkloosheidstelsel.

Ongeveer 9% van de Belgische gezinnen geniet een sociaal tarief voor elektriciteit en 5% van de gezinnen aangesloten op het aardgasdistributienet geniet een sociaal tarief voor aardgas. Deze maatregel is echter onvoldoende, want de sociale tarieven bereiken niet alle gezinnen met de laagste inkomens. De toekenning van het sociaal tarief hangt immers af van het statuut van deze gezinnen (leefloners, begunstigden van de IGO,…) en niet van het inkomensniveau.

Allereerst impliceert de bestrijding van energiearmoede de bestrijding van armoede zonder meer. Te weinig inkomsten zijn immers de belangrijkste oorzaak van energiearmoede. Daarom eist het ABVV waardige lonen en sociale uitkeringen die hoger liggen dan de armoededrempel.

Ten tweede, is een van de remedies om energiearmoede aan te pakken het ingrijpen op de prijzen. Een van de beloftes van de vrijmaking van de sector was immers dat de concurrentie tussen de leveranciers zou leiden tot een prijsdaling voor de consument. Dit klopt niet! We moeten vaststellen dat dit niet is gebeurd. Naast de monitoring van de prijsevolutie door de CREG, ondersteunt het ABVV de CREG ook in haar wil om in te werken op de energieprijzen, meer bepaald door regels op te leggen aan de leveranciers met betrekking tot de indexering van de variabele producten. We betreuren ook dat het vangnetmechanisme is stopgezet. We herhalen de eis om de BTW terug te brengen naar 6% in plaats van 21%. Voor het ABVV is het belangrijk dat de koopkracht wordt verdedigd aan de ‘ingang’ (lonen, uitkeringen enz.), maar ook aan de ‘uitgang’ (prijsbeleid).

Vervolgens ondersteunt het ABVV ook alle sociale maatregelen (sociaal tarief enz.) die de burger toelaten om een lagere energiefactuur te verkrijgen. Nog ruimer eist het ABVV een ingrijpen op de kwaliteit van de huisvesting. We eisen een groot investeringsplan voor energie-efficiëntie (isoleren van woningen enz.) in sociale woningen. Zo kan ook de factuur voor de meest kwetsbare groep verlaagd worden.

Wanneer we ons buigen over het onderwerp, moeten we tot onze verrassing in deze fase vaststellen dat er geen duidelijke definitie bestaat van energiearmoede. Het ABVV pleit net als de CREG voor een duidelijke definitie op Belgisch niveau, evenals voor de bepaling van een Europese indicator die zou toelaten om de evolutie van energiearmoede doorheen de tijd op te volgen.

Wat betreft het luik van de bescherming van en de informatie aan de consument, klaagt het ABVV de agressieve verkoopstechnieken (deur-aan-deur, televerkoop enz.) aan die de consument aanzetten om overhaaste beslissingen te nemen die hem duur kunnen komen te staan. Daarom maakt het ABVV promotie voor de CREG Scan van de CREG, die de meest volledige en meest betrouwbare prijsvergelijker is op het internet.

De vakbond vraagt ook een campagne bij het brede publiek van het type ‘Durf vergelijken’ die in 2012-2013 werd gevoerd. Tot slot, vragen we dat leveranciers verplicht worden om de consumenten te informeren die ‘slapende contracten’ hebben en om hen een actueel, veel voordeliger contract aan te bieden.

Filip De Bodt

Sinds zijn Sociaaleconomisch Congres en het afsluiten van een sociaal contract met de kiezer gaat het Vlaams Belang door als een sociaaleconomisch linkse of sociale partij. De  belofte om voor iedereen een minimumpensioen te voorzien van 1500 € is daarbij het kroonstuk. Die belofte rammelt evenwel langs alle kanten en zou voor veel Vlamingen wel eens het omgekeerde kunnen betekenen: we geraken nooit aan een pensioen van 1500 €

In 2013 ontdeed het Vlaams Belang zich van zijn meest asociale trekjes tijdens een congres. Men had een verkiezingsnederlaag achter de rug en die werd geweten aan het ranzig extreem-rechts imago van de partij én de economisch ultra-liberale uitstraling. Deze laatste positie werd bovendien al ingenomen door de N-VA. Met twee concurrenten dezelfde positie innemen is niet altijd handig, zeker niet voor de kleinste van de twee.

In ijltempo herschreef de partij zijn beginselen en ontdeed ze zich van alle verwijzingen naar het bruine verleden: het solidarisme (het economisch systeem van klassensamenwerking dat door de Italiaanse dictator Mussolini 1883-1945 opgezet werd) ter geschrapt in de beginselen. Tegelijkertijd werden figuren die al teveel hulde brachten aan andere dictators en collaborateurs uit de Tweede Wereldoorlog naar de uitgang of de achtergrond begeleid. Andere lieden of Driezen met dezelfde opvattingen werden dan weer naar binnen geloodst.

Sociaal programma.

Na 2013 werd niet bijzonder veel meer gehoord van het sociale element van de partij, tot het colloquium van februari 2019, waar het verkiezingsprogramma voor 2019 bekend gemaakt werd. Daar werden heel wat sociaal ogende maatregelen goedgekeurd: strijd tegen armoede en huisjesmelkerij, optrekken van leefloon en co tot boven de armoedegrens, behoud van de index, maximumfactuur in rusthuizen, enz.  De werkloosheidsvergoeding wordt dan weer afgeschaft na twee jaar, behalve voor mensen die ouder zijn dan 50.

Het Planbureau berekende de kosten van het Vlaams Belang-programma op ongeveer 11 miljard. Geen probleem, zegt de partij, dat maken we goed door de transfers naar Wallonië af te schaffen en de toegang tot ons land en onze sociale zekerheid te bemoeilijken voor mensen uit (sommige) andere landen. Moeilijk te berekenen, zoiets, denk je dan, zeker als je er nog een aantal andere avontuurlijke programmapunten aan toevoegt waarvan je de reactie van andere gemeenschappen of beroepsgroepen dan maar best niet berekend: onafhankelijkheid met Brussel als tweetalige hoofdstad, splitsing van het spoorwegenbeleid, privatisering van de VRT, splitsing van de sociale zekerheid…. Het kan allemaal opbrengen, tot zolang je niet in een Catalaanse avontuur belandt waarbij anderen je splitsingen niet aanvaarden. Het Vlaams Belang zet nog een stapje verder dan de Catalanen en wil een onafhankelijkheidsverklaring met daarna een referendum. We mogen ons pas uitspreken na de feiten.

Pensioenen.  

Het VB maakte evenwel het meeste sier in de pers met zijn belofte om iedereen (ook zelfstandigen) aan een minimumpensioen te helpen van 1500 € na 40 jaar werken. Op dat vlak steekt het VB de PVDA langs links voorbij, kon je lezen in de media. Dat valt nog even te bezien. 

Volgt U even? 

Het VB-programma stelt op p. 64 inderdaad voor om een minimumpensioen uit te keren van 1500 € na een voltijdse loopbaan van 40 jaar. Via een puntensysteem wordt berekend aan hoeveel procent van de voltijdse loopbaan men zit: “Vlaams Belang wil een pensioen op basis van een puntensysteem, dus op basis van het aantal effectief gewerkte uren. Het aantal gewerkte uren die nodig zijn voor het minimumpensioen willen wij jaarlijks indexeren naargelang de gestegen levensduurte.”Het VB verdoezelt op dit vlak waar de partij naartoe wil: langer werken en minder pensioen voor velen. 

Momenteel worden de pensioenen op een als volgt berekend: men zet een minimumleeftijd vast voor een volwaardig pensioen (vroeger 65, binnen een paar jaar 67 jaar). Vanaf dan heb je recht op een voltijds pensioen, ongeacht je loopbaan. Heb je al 40 of 42 jaar gewerkt, dan kan je vroeger op pensioen.

Belangrijk in dit systeem zijn de gelijkgestelde dagen. Dit is een cryptische omschrijving voor dagen waarbij je niet werkt, maar die men telt als deel uitmaken van je beroepsloopbaan: werkloosheid, militaire dienst, bepaalde vormen van deeltijds werk, stakingen, ziekte. Men nam dus een loopbaan als 1 geheel in plaats van je enkel te vergoeden voor de dagen dat je effectief werkte. Men ging er ook vanuit vb. dat mensen gedwongen deeltijds werkten, maar dan toch een volwaardig pensioen verdienden. Stilaan probeerde de vorige regering deze dagen te beperken bij de berekening van het pensioen en verminderde ondermeer de opname van het brugpensioen in deze regeling.

In zijn programma zegt het VB niets over die gelijkgestelde dagen, maar men benadrukt wel dat het pensioen zal berekend worden op effectief gewerkte periodes. Niet dat het VB in deze dagen niet geïnteresseerd is of ze niet kent: de Ninovieter Guy D’haeseleer stelde eind 2016 één van zijn zeldzame vragen in het parlement rond deze problematiek. Wie deze zaken kent en benadrukt dat pensioenen zullen berekend worden op basis van effectief gewerkte dagen, weet wat hij doet: de pensioenleeftijd van het overgrote deel van de werknemers (ambtenaren, vrouwen, halftijdsen) verhogen en hun pensioen verlagen. Volgens de krant De Tijd zijn 8 op 10 van de nieuwe jobs deeltijds. 

Het VB is er bij pers en een deel van het publiek dus in geslaagd zich een sociaal imago aan te meten ondanks de reële verarming van de bevolking die deze pensioenmaatregelen zullen teweeg brengen. Faut-le-faire!

Filip De Bodt