Passie en liefde voor het boek. Van woensdag 27 april tot en met zondag 1 mei organiseert ’t Uilekot in samenwerking met vzw Climaxi het literair festival Boekmei.

Onder de noemer ‘Hoe is het nog met….?’ kan je naar 6 auteurslezingen komen kijken, is er een energiedebat, kan je deelnemen aan een masterclass energie, is er een een boekenmarkt en ter afsluiting een stomend poëtisch concert.

Programma:

Wo. 27.04, 11u: Peter Holvoet-Hanssen

Do. 28.04, 14u: Masterclass Energie met Aviel Verbruggen

Do. 28.04, 20u: Het grote energiedebat met Aviel Verbruggen, Dirk Knapen en Michel De Paepe

Vr. 29.04, 20u: Chris De Stoop

Za. 30.04, 20u: Johan de Boose & Pieterjan de Boose

Zo. 01.05, 13u – 21u: Slotdag Boekmei met Boekenmarkt, Peter Terrin, Pauline Coppens, Lara Taveirne en Noodzakelijk Kwaad

Op 14 maart 2019 sloot Pascal Verreth na een slepende ziekte voor de laatste keer zijn ogen. Wij herinneren hem als de rustige, sympathieke man die na één of ander concert bleef napraten en een paar dubbele Westmalles dronk in het café van ‘t Uilekot. Als lid van de boekenwerkgroep schreef hij in het Uilenbulletin elke maand over de nieuwe tweedehandsboeken. Pascal was ook één van de stuwende krachten achter Lezen in de Lente, het literair festival dat de boekenwerkgroep 15 jaar lang in Zuid-Oost-Vlaanderen organiseerde. Maar meer nog dan bij muziek of boeken lag zijn hart bij zijn doeken. Hij was een begenadigd schilder wiens schilderijen meermaals te zien waren op een tentoonstelling in ’t Uilekot (Herzele) of in De Fabriek (Sint-Lieven-Houtem). Vele van zijn doeken vonden zo de weg naar onze huizen.   

Begin maart 2022 brengt Sigrid Vandenbussche hulde aan haar overleden man in de tentoonstelling ‘P.A.S.C.A.L. – als ik mijn ogen sluit…’Zij wekt zo zijn liefde en die voor het schilderen terug tot leven. De expositie vindt plaats in de oude pastorie van Munte, gelegen op het Munteplein 6 te 9820 Merelbeke. Van zaterdag 5 maart tot en met zondag 13 maart is de tentoonstelling alle dagen open telkens van 14 uur tot 18 uur. Je krijgt er heel wat schilderijen te zien uit Pascals laatste periode, die het verdienen om te worden getoond. Sigrid smokkelt je mee naar zijn goed bewaarde schetsboeken, het sanctuarium van de kunstenaar. Zijn vriend David Slosse selecteerde er 20 portretten uit en schreef er gedichten bij. Dit geheel kan je ter plaatse beluisteren en bekijken. Dirk Pannier gaf alles mooi vorm en maakte er een stijlvolle bundel van. Tot slot kan je kennis maken met Willie. Dit vogeltje met hoogtevrees was ooit op weg om zich te nestelen in een kinderboek. Maar Willie vloog uit, zocht zijn eigen weg en dook op in uitnodigingskaarten, campagnes en huwelijksaankondigingen. Voor de gelegenheid schreef David het bijbehorende verhaal en werkte Dirk het geheel grafisch uit.

Op deze ode aan Pascals kunst kan ’t Uilekot niet ontbreken en Lieven Plouvier van de boekenwerkgroep confronteerde zich met het doek “Zuurstof” dat Pascal in het kader van Lezen aan de Lente 2010 schilderde. Het resultaat is de tekst ‘Ontwaken met “Zuurstof” van Pascal’ waarvan een gedrukte versie op de tentoonstelling te vinden zal zijn. “Zuurstof” is een typische Pascal. Steeds weer zette hij mensen op doek. Niet zomaar mensen, maar verscheurde zielen vol pijn, angst en eenzaamheid. Ook de twee figuren op “Zuurstof” vrezen iets onbestemds en vinden elkaar niet. Toch drukken ze ook nabijheid, ja zelfs medelijden, uit. Pascal wilde niet alleen de lelijkheid van de wereld met de schoonheid van zijn doeken tonen, maar biedt de kijker van zijn doeken letterlijk zuurstof aan. Hij wil ons als modern schilder wakker schudden uit de nachtmerrie van een vervreemd bestaan. Zelfs al bevatten zijn schilderijen geen uitdrukkelijke politieke boodschap, met zijn verbeelding wijst hij de weg naar een ander leven en verdiept zo de democratie. De twee wanhopige figuren op het doek “Zuurstof” die perplex voor zich uit staren, bevatten een maatschappelijke boodschap van hoop. Angst, misschien zelfs paniek, is wat ons te wachten staat als wij de klimaat- en biodiversiteitscrisis niet ernstig nemen, maar dit kan ons ook mobiliseren. Het op het doek uitgebeelde medelijden is een aanzet tot handelen dat de groeiende ongelijkheid ombuigt naar meer solidariteit. Met deze tekst over “Zuurstof” wil ’t Uilekot het engagement van Pascal in de boekenwerkgroep van het Uilekot eren. Daarom ook moet je begin maart zijn doeken gaan bekijken, om er zuurstof op te doen en om met een verrijkte blik op het leven uit Munte terug te keren.  

Enkele maanden voor zijn al te vroege dood schonk ik Pascal het boekje Oog en Geest[i] van de Franse filosoof Merleau-Ponty. Ik wilde ermee over zijn schilderkunst praten, maar een gesprek kwam er niet meer van. In onderstaande tekst reflecteer ik met het boek over Pascal Verreth zijn schilderij Zuurstof. Twee uitspraken zijn mijn leidraad. De ene is van Joris-Z-Helsen die in de inleiding van Hunkerbunker[ii], een boek met foto’s van Pascals schilderijen, schreef: “Hij denkt… gedachten van beeld en so(m)bere kleuren”. De andere is het antwoord op mijn vraag waarom hij schilderde: “Om de lelijkheid van onze wereld te tonen met de schoonheid van mijn doeken”. De lelijkheid, dat was voor hem een wereld waarin de angstige en vervreemde mens, opgesloten in een bunker, hunkert naar een beter leven. Het maatschappelijk engagement van de schilder moest voor Pascal die schonere en betere wereld dichterbij brengen. Zelf gaf hij dit vorm via de boekenwerkgroep van ’t Uilekot. In het schilderij Zuurstof ga ik ernaar op zoek, als postuum eerbetoon aan zijn schilderkunst.

Wanneer ik wakker word, zie ik Zuurstof aan de muur van mijn slaapkamer. Twee figuren in het midden van het doek trekken de aandacht. De eerste lijkt een kind op zijn rug liggend met opgetrokken knieën. Twee grote stippen – de ogen, twee puntjes – de neus, en een dikke kromme lijn – de mond, meer is het niet, maar opgevuld met tinten blauwgrijs toont het onmiskenbaar een gelaat vol angst. Ziet een ziek kind de dood onder ogen? Of heeft iets verschrikkelijks het teruggeworpen op zichzelf? Ik weet het niet. De tweede figuur van wie het gelaat meer details bevat, vlijt zich liggend tegen het kind. De ogen staren in het ijle en kruisen de blik van de andere figuur niet. Het haar wappert over het gezicht van het kind als een soort bescherming. Tegen wat? Iets onvoorstelbaars dat de grote broer of zus wil bezweren? Of iets ondraaglijks dat een mee-lijdende moeder wil afwenden? Ik weet het niet. De geschilderde ruimte versterkt de gevoelens van de twee figuren. Boven hen zie ik vele ruw aangebrachte dikke zwarte strepen, een razende storm als het ware. Onder hen iets dat lijkt op een deken dat de twee figuren bedekt en waarvan de witblauwe kleuren met geelgrijze tinten doen denken aan zeewater, woelig aan de kant van het kind, rustiger aan de andere kant. Het lijkt alsof alle uitwegen in hun leven versperd zijn en zij opgesloten zijn in zichzelf. Het doek is onmiskenbaar een Verreth, een figuratief schilderij dat bij de kijker intense gevoelens van verwarring oproept.

In Oog en geest reflecteert Merleau-Ponty, de filosoof van het niet-wetend weten, over de moderne schilderkunst die vanaf 1850 telkens weer onze blik verruimde. Tegen een dominante idee dat beeldend werk bekijken een nutteloze bezigheid is die zich in waanbeelden verliest, gaat Merleau-Ponty op zoek naar de zin van het zien. In zijn mooie boekje staat de volgende vraag centraal: ‘Wat is deze geheime kennis van de schilder, deze grondslag van de schilderkunst en misschien wel van alle cultuur?’ (pag. 18). Merleau-Ponty zoekt het antwoord in de bodem van onze zintuiglijke waarneming waaruit hij samen met de schilder niet alleen het zichtbare, maar ook het onzichtbare tot leven wil wekken. Een schilderij is voor hem een wapen tegen een kortzichtige geest die slechts één werkelijkheid kent. Zoals de moderne schilder met zijn penseel een doek vorm geeft, zo zet de filosoof Merleau-Ponty met zijn pen een tekst op papier in een poëtische beeldtaal waarin de lezer zich vele malen verliest, maar waaruit telkens weer nieuwe betekenissen opduiken.

In een eerste deel geef ik de inhoud van het boek Oog en geest weer. Vervolgens vul ik dat aan met bedenkingen over de maatschappelijke rol van de moderne kunstenaar om tenslotte, hiermee verrijkt, in het derde en laatste gedeelte terug te keren naar Pascals schilderij Zuurstof.

Oog en geest: het zien van de schilder als een bron van een cultuurkritiek

Oog en geest analyseert het fenomeen van het ‘zien’. Zien doe ik met mijn oog dat de aanwezige dingen in zijn blikveld altijd ziet vanuit een bepaalde plek. Het menselijk oog heeft nooit een alles overheersend perspectief, geen goddelijke blik. Als mijn oog de voorkant van een huis ziet, is de achterkant onzichtbaar. Mijn lichaam kan zich verplaatsen om de achterkant van het huis te zien, maar dan wordt de voorkant onzichtbaar. Het oog onthult altijd slechts een deel van de ruimte waarin ik leef en verhult een ander deel. Als ik mijn blik verplaats van de dingen naar mijn lichaam waartoe mijn oog behoort, dan dringt de beperktheid van het zien zich nog meer op. Een groot deel van mijn lichaam kan ik nooit zien, hoeveel ik mij ook verplaats. De twee polen van het zien – het oog dat dingen ziet en het lichaam waarmee ik zie – vormen samen het raadsel van het zien, aldus Merleau-Ponty. Ze overschrijden elkaars grenzen voortdurend bij het vormen van een ‘waar’neming. Het lichaam houdt met het oog de dingen in een cirkel om zich heen en ziet voorbij de ‘visuele gegevens’ uit op de wereld die het met zijn ogen bewoont. Het oog is het ‘venster van de ziel’ en stelt haar helderziendheid af op de dingen om de geest tot ‘voorwaardelijk denken’ te prikkelen. De geest kan zich losmaken van het oog en het lichaam, maar zo’n geest leert niets over de wereld van gevoelige, lichamelijke wezens, aldus Merleau-Ponty. Alleen vanuit een in tijd en ruimte gesitueerd lichaam kan de geest betekenis geven aan wat het met het oog ziet en beleeft. 

De moderne schilderkunst ontstond uit de verwondering over het raadsel van het zien, schrijft Merleau-Ponty. De moderne schilder aanvaardt alle problemen van het zien en reflecteert met zijn geest over wat zich in de grond van het zichtbare roert in zijn lichaam. Alles wat hij schildert, is een antwoord op de vraag van iemand die niet weet, maar het zichtbare aftast om tot weten te komen. De schilder leent zijn lichaam uit aan de buitenwereld om tot het hart van de dingen door te dringen en hun fantomen te vatten. Hij neemt de uiterlijke waarneming op in zijn binnenwereld, bewerkt deze en verrijkt ze met de bezieling van zijn innerlijk zien. Hij ziet terwijl hij schildert met zijn hele lichaam en verbeeldt zich met zijn bewustzijn wat aan zijn innerlijke zien ontbreekt om doek te worden. Hij denkt, zoals Cézanne zei, in schilderijen, en de lijnen, de ruimte, de kleuren, het licht en de schaduwen vloeien bij de geboorte van een doek samen in een nieuw beeld.
De kijker die met zijn blik ronddwaalt in een modern schilderij leent zijn ongeoefend oog dat niet weet, uit aan een schilder die geobsedeerd was door het raadsel van het zien. Hij ziet en denkt mee met de schilder, en het nieuwe beeld op het doek verbindt de schilder en de kijker in wat Merleau-Ponty de onbewuste ervaring van het ‘gedeelde zien van een tijdperk’ noemt. De westerse filosofie is dat gedeelde zien verloren, zo stelt Merleau-Ponty. Waarin dat verlies bestaat toont hij in zijn kritiek op de filosofie van Descartes (1596-1650). 

René Descartes kent de innerlijke bezieling van het zintuiglijke waarvan de schilder bezeten is, niet.   Hij gaat uit van een strikte scheiding tussen geest en lichaam. De geest ontdoet zich van de verwarde betrekkingen tussen het zien en het zichtbare, en zoekt louter en alleen met het denken naar zekere kennis van de wereld. Deze geest werkt niet actief in op de dingen die het oog en het lichaam waarnemen, maar registreert passief beelden van externe dingen die de cartesiaanse geest ordent in een vooraf geconstrueerde lege ruimte. Een ‘geest zonder lichaam’ ordent met de wiskunde deze beelden, bewerkt deze met zijn gedachten en voert allerlei experimenten uit op de mechanisch gedetermineerde ‘lichamen zonder geest’. De zo opgebouwde zekere kennis leert ons niets over de wereld die wij met onze ogen en ons ganse lichaam bewonen, schrijft Merleau-Ponty. Descartes wringt de ons omringende wereld in een lege meetkundige ruimte, bestaande uit drie rechthoekige assen waarin de dingen voor, na en naast elkaar geplaatst zijn.
De klassieke schilderkunst neemt deze lege ruimte als uitgangspunt en toont vanuit een gefixeerd perspectief een transparant beeld van een levenloze wereld waarin geen verborgen aanwezigheid bestaat. Hoe anders is de ruimte van de moderne schilderkunst. De picturale diepte is geen derde dimensie naast hoogte en breedte, maar de ervaring van de omkeerbare dimensies waarin alles tegelijk uitdrukt: daar is dát unieke ding. De ogen en het lichaam zijn geen receptoren van gedetermineerde externe lichamen in een lege ruimte, maar creëren samen met de geest een volle ruimte die niet los kan gezien worden van zijn inhoud. De moderne schilder denkt niet met zijn geest over kunst, maar zijn ogen en zijn hele lichaam denken door en met kunstwerken. Alle lijnen, alle kleuren, alle ruimte vloeien samen tot één geheel dat de volheid van de dingen in zich draagt en neerdaalt op de ruimte van het doek. Op Pascals doek Zuurstof nemen bijvoorbeeld de lijnen met de donkere en lichte kleuren de volledige ruimte in om niets anders uit te drukken dan de gemoedstoestand van de twee figuren. Merleau-Ponty kan zich niet voorstellen hoe een modern schilder die in de lege Cartesiaanse ruimte met zijn geest zonder lichaam dingen construeert en manipuleert, iets op doek zou kunnen zetten.

Geïnspireerd door de moderne schilderkunst breidt Merleau-Ponty zijn kritiek op Descartes die de vader van de moderne wetenschap genoemd wordt, uit tot een kritiek op de huidige wetenschappelijk-technologische cultuur waarin de cartesiaanse geest nog altijd ronddwaalt. Het mag dan waar zijn dat de wetenschap haar kennis niet meer ontfutselt aan een mechanisch gedetermineerde natuur zoals Descartes, maar weten wordt in onze tijd steeds meer gereduceerd tot meten. De wetenschapper construeert in zijn ivoren toren ‘uiterst’ bewerkte verschijnselen en kapitalisten stellen hem in functie van hun winst de technologische middelen ter beschikking waarmee hij de dingen manipuleert. Als wij blind blijven vertrouwen op deze imaginaire constructies van de geest en ons geen rekenschap geven van de ongrijpbare bron van de lichamelijke gewaarwordingen waaruit het denken voortkomt, dan treden wij ‘binnen in een cultuurstelsel waarin er van de mens en zijn geschiedenis niet langer iets waar of onwaar is, maar in een slaaptoestand of een nachtmerrie waarin niets hem [de mens] nog kan wekken’ (pag. 16) schreef Merleau-Ponty in 1960. De schilder die geen andere ‘techniek’ ter beschikking heeft dan zijn ogen en zijn lichaam, moet ons wakker schudden uit deze nachtmerrie en ons de weg wijzen naar een nieuwe vorm van weten. Hoe kan het weten van de moderne schilderkunst ons bevrijden uit de lelijke wereld van het kapitalisme met zijn wetenschappelijk-technologische cultuur? Hoe kan de schoonheid van haar doeken ons een nieuwe verbeelding schenken? Op deze vragen zoeken wij hierna een antwoord.    

Met de moderne kunst op zoek naar de verbeelding van een nieuwe cultuur

De klassieke of oude schilderkunst toonde ons in al haar schoonheid ware beelden van een onveranderlijke realiteit met een verborgen boodschap over wat mensen goed moesten vinden. Deze schone, ware en goede realiteit bestond op aarde, maar was slechts de afspiegeling van een goddelijke wereld waartoe wij via het geloof, de geest en de beeldende kunsten toegang kregen. Expressieve emoties zoals op Pascals doek Zuurstof waren des duivels. De uitbeelding van het lijden van Christus moest aanzetten tot nederigheid en onderwerping aan de bestaande realiteit.
Als Courbet en de impressionisten vanaf 1850 de oude schilderkunst de rug toekeren, dan treden zij met hun oog en lichaam de ons omringende zintuiglijke werkelijkheid actief tegemoet om telkens weer nieuwe beelden op doek te zetten. Zij zien met hun oog en geest om zich heen geen mooie, ware en goede realiteit waaraan mensen zich moeten onderwerpen, maar een lelijke wereld van angst en lijden en worstelen daarmee als mens en kunstenaar. De linkse kunstkritiek die Pascal maar al te goed kende, werkte dit uit en ontmaskerde de doeken van de klassieke schilderkunst als beelden van een klassenmaatschappij.

Op één van onze vele treintrajecten na het werk op weg van Brussel naar huis sprak ik Pascal eens vol enthousiasme over de memorabele BBC-uitzendingen ‘Ways of seeing die ik op YouTube bekeek. John Berger was de regisseur en schreef er ook een boek[iii] over. Ik wist dat Pascal hield van zijn romans over de teloorgang van het boerenleven in de Franse Alpen, maar hij kende de reeks waarin de ideologische wortels van het kunstwereldje blootgelegd werden, niet. Berger toonde hoe de klassieke schilders de macht van de adel en de koningen met hun eigendommen en hun mooie vrouw als kroonjuweel uitbeeldden. Oude kunstenaars zoals Caravaggio of Rembrandt die een andere wereld toonden en die wij nu sterk waarderen, werden systematisch gemarginaliseerd en stierven in bittere armoede. Voor Berger ontsnappen de moderne kunstenaars niet aan marginalisering. De door de reclame voorgeschotelde schoonheidsidealen werken door in de moderne beeldvorming en kunstenaars staan onder de invloed van de ideologie van de markt. Kunstgalerijen en de grote veilinghuizen reduceren kunstwerken tot een verkoopbaar product voor de rijke toplaag. Toen Pascal de BBC-reeks bekeken had, zei hij mij dat de inhoud hem welbekend was en dat een modern kunstenaar zich hoe dan ook verzet tegen de commercialisering van de kunst. Hoe begrijp ik dit nu? De moderne schilder werkt niet voor de rijke kapitalistische bovenlaag en beperkt zijn verbeelding niet tot de wetenschappelijk-technologische cultuur. Hij breekt met hun kijkgewoonten, en beeldt aan de rand ervan met een veelheid van lijnen, kleuren en vormen zijn eigen utopie uit. Zijn geest rammelt met de beelden die het oog en het lichaam zien om – in de lijn van Kants principe ‘durf te denken’ – zijn sublieme visioen op doek te stellen. En ook al bestempelen velen zijn werk als zotte toeren van een rare snuiter, voor hem is het herscholen van onze blik in een verloederde, lelijke wereld een politieke daad. Wij kunnen ervan leren. De vele wijzen van het in beeld brengen van het andere dat de kern van de moderne kunst uitmaakt, sluit aan bij het democratische ideaal. De veelheid aan standpunten in het publieke debat behoort tot de kern van de politieke democratie. Niet voor niets zet de moderne democratie zich vanaf 1850 samen met de moderne schilderkunst door.

Moderne kunst stimuleert het kritisch denken in de publieke sfeer. Als Picasso de kernelementen van de oude schilderkunst – een gefixeerd perspectief, emotionele afstand en idealisering van het bestaande – op de schop gooit, dan is dat niet alleen een kritiek op de westerse kunstgeschiedenis, maar ook een pleidooi voor een nieuw denken en een nieuwe wereld. Moderne kunst toont ons dat er niet één richting is die ons leven uitgaat, maar een veelheid aan wegen die tot uitdrukking komen in de vele tegenstrijdige richtingen en stijlen van de moderne kunst. De erin uitgebeelde gedachten blijven altijd fragmentarisch zoals ook het leven steeds ambivalent en dubbelzinnig is. Wij spraken reeds van het raadselkarakter van de kunst. Het denken moet het raadsel niet oplossen zoals de kunstexperts met hun soms onverstaanbaar gewauwel doen. Noch de kunstenaars, noch de kijkers hebben daar een boodschap aan. Wij moeten het raadsel als raadsel behouden, maar het naar de publieke sfeer brengen want in de openbaarheid zal het fragmentarische karakter van kunst steeds weer uitnodigen tot discussie. De manier waarop de kunstenaar de zintuiglijk ervaren ruimte herdefinieert met zijn beelden, verdiept de maatschappelijke ervaring en dit raakt aan de kern van de democratische politiek.

Een democratisch politicus die instemming probeert te krijgen voor zijn ideeën, appelleert aan het verbeeldingsvermogen van zijn publiek. Als hij een beeld schetst van een schonere en betere wereld, dan is dat geen ingebeelde weergave van een bestaande realiteit die waar, goed en schoon is, maar de plastische uitbeelding van een niet-bestaande, maar mogelijke realiteit die hij gerealiseerd wil zien. Met andere woorden hij stelt zich niet in de traditie van de oude kunst, maar wil zoals de moderne schilderkunst nieuwe wegen bewandelen. En omgekeerd verrijkt de moderne kunstenaar ons inbeeldingsvermogen telkens weer, ongeacht of hij een politieke boodschap brengt. Door ons inbeeldingsvermogen, zowel zintuiglijk als intellectueel, te verrijken met zijn beelden, verdiept hij de democratie. Vaak toont de moderne kunstenaar iets dat wij op het eerste zicht reeds weten, maar door zijn doek steeds weer opnieuw te bekijken, zien wij vaak in dat wij niet begrijpen wat wij weten. So(m)bere of schokkende beelden doen ons inzien wat wij reeds lang weten, maar voordien nooit echt begrepen. Als wij ons nadien van het doek naar de publieke ruimte toewenden, heeft het schilderij ons inbeeldingsvermogen uitgebreid. Daarom moeten wij steeds weer schilderijen bekijken, moeten wij erover spreken in het publieke debat en heeft de democratie nood aan kunst.

‘Zuurstof’ als uitdrukking van een nieuwe sociale en ecologische verbeelding

Verrijkt met het inzicht in de rol van de moderne kunst en de filosofie van Merleau-Ponty bij de vorming van een nieuwe democratische verbeelding, breng ik tot slot als wakkere burger het schilderij van Pascal vanuit mijn slaapkamer naar de publieke ruimte.

Zuurstof’ toont ons twee figuren die geen uitweg meer lijken te zien in de situatie en perplex voor zich uit staren. Het is een terugkerend thema in het oeuvre van Pascal. Mensen die in het ijle kijken, zich afvragend wat hen overkomen is en wat zij zichzelf of anderen aangedaan hebben. Een stilstaand moment waarin iemand overrompeld is door zijn emoties en (nog) niet aan handelen toekomt. Zo ook drukken de twee figuren op het doek in mijn slaapkamer een emotie uit die ik verder wil uitdiepen in het licht van twee thema’s die belangrijk zijn voor het huidige publieke debat. Of Pascal met de emoties op zijn doek die thema’s wilde aanraken, is niet mijn punt. Ik laat het graag aan de kunstexperts over om de ware bedoeling van de kunstenaar bloot te leggen. Elke kijker ziet iets anders in de magische, raadselachtige wereld die een schilderij oproept. En zoals het doek tijdens het schilderen met Pascals oog en geest op de loop ging, zo ook laat ik het met mij aan de haal gaan.

Het gelaat van de eerste figuur, het kind, drukt één en al angst uit alsof het iets verschrikkelijks gezien heeft, schreef ik eerder. In de voorbije decennia werden wij om de oren geslagen met de uitspraak dat angst een slechte raadgever was, iets voor bange blanke mannen die zich terugtrekken in hun bekrompen kleine kring. Het heeft Pascal er niet van weerhouden om telkens weer doeken te schilderen met mensen vol existentiële angst, precies alsof hij beter wist. Als het Coronavirus ons iets geleerd heeft, dan is het dat wij angst, ja doodsangst, best ernstig nemen, en dat wij onze vrijheden en zorgeloosheid best nu en dan wat opzij zetten. Angst wordt straks ongetwijfeld ook een goede raadgever om de dramatische gevolgen van de klimaatcrisis onder ogen te zien. Wij allen weten hoe erg het is, maar weinigen zien het erge van de situatie in. Het moment dat wij geen uitweg meer zullen zien, in het ijle zullen kijken, ons afvragend wat wij onszelf aangedaan hebben, komt er met rasse schreden aan. De moderne kunstenaar die de ecologische crisis met zijn verbeelding wil uitbeelden, staat voor een bijna onmenselijke opdracht. De opwarming van de aarde zien wij niet, en de schilder die dit wil uitbeelden, moet met zijn geest als het ware het onzichtbare zichtbaar maken. Zijn opdracht lijkt nog moeilijker dan die van Picasso of Cézanne die bij het verruimen van onze verbeelding in het begin van de 20e eeuw het zichtbare in hun visioen verrijkten met het onzichtbare. Maar die taak van de schilder is niet moeilijker dan die van democratische politicus die ook het onvoorstelbare voorstelbaar moet maken in het besef dat de natuur ons, mensen, met steeds meer geweld met onze voeten op de aarde zal zetten.

De tweede figuur toont ons het medelijden met de angst van de ander. Hij wil de pijn, het lijden verzachten maar lijkt geen uitweg te zien. Wat is medelijden? ‘Mee lijden’ voelt iemand die aangesproken wordt door het lijden/de pijn van een ander. Hij voelt de pijn van de ander niet zelf, maar is er wel spontaan op gericht, versmelt zich als het ware ermee. Men kan zich met de rede of de wil van dit spontane medelijden afsluiten, zeer zeker. De neoliberale ideologie voor wie de mens een autonoom en vrij individu is, ontkent deze spontane vereenzelviging met de ander. Zuurstof toont die juist wel, en herinnert ons eraan dat iedereen fysisch of mentaal kan lijden en dat niemand zich eraan kan onttrekken. Het medelijden met de angstige eerste figuur appelleert ons ook aan de mogelijke nabijheid van de dood als iets dat nog hartverscheurender is dan het lijden zelf. Het werpt ons machteloos terug op onszelf, maar drijft ons ook naar elkaar toe. Daarom identificeren wij ons met de ander, en zijn doodsangst en medelijden de fundamenten van onze moraal. Ze volstaan op zich niet om onze pijn of het lijden op te heffen. Daarvoor moeten wij een stap verder gaan, onze morele en politieke verantwoordelijkheid opnemen en samen solidair handelen. En daartoe roept de tweede figuur die op het doek vertederd tegen het angstige kind aanligt, ons ook op.

Zuurstof biedt ons met de twee wanhopige figuren in al zijn schoonheid troost. Het zet ons aan om voor elkaar te zorgen en doorheen ons moreel en politiek handelen nieuwe vormen van solidariteit te smeden die een dam opwerpen tegen de pijn en het lijden. Dan wordt de wanhoop en de lelijkheid die wij met ons oog en onze geest waarnemen op het so(m)bere doek, in al zijn schoonheid een bron van hoop. Thijs Lijsters citeert in een recent boek[iv] de Amerikaanse kunstcriticus Thomas B. Hess die schreef ‘it takes years to look at a picture’ en ik kan dit slechts beamen. Na jarenlang elke morgen het schilderij van Pascal bekeken te hebben, is het voor mij in al zijn schoonheid een toeverlaat tegen een lelijke wereld vol milieuverloedering en ongelijkheid. Pascal heeft er met zijn ecologische en sociale verbeelding de hoop op een andere wereld in gelegd en dat geeft mij zuurstof, elke dag opnieuw.

Lieven Plouvier
januari 2022


[i] Merleau-Ponty, Maurice, Oog en geest, Parresia, Amsterdam, 2012 (vertaling van L’oeil et l’esprit, 1960)

[ii] Verreth Pascal, Slosse David & De Backere Willy, Hunkerbunker, Melle, 2007

[iii] Berger, John, Ways of Seeing, Penguin, London, 1972

[iv] Lijsters, Thijs, Kijken, proeven, denken. Essays over kunst, kritiek en filosofie, De Bezige Bij, Meppel, 2019  

De klus is geklaard! Duizendhonderd pagina’s economische geschiedenis zijn zowel met liefde als met haat doorworsteld. Dat ging de ene moment bijgevolg vlotter dan de andere. Had Piketty, de Franse econoom die wereldwijde bekendheid verwierf met zijn ‘Kapitaal in de 21ste Eeuw’, het wat beknopter moeten houden? Ja en nee.

Ja, omdat zijn historische analyse met het oog op het beter begrijpen van meer recentere ontwikkelingen zodanig gedetailleerd is dat sommige lezers zonder twijfel grote stukken zullen overslaan. In zijn inleiding haalt hij zélf dat gevaar aan, hij vraagt om chronologisch te lezen en niet enkel zijn conclusies bij de verschillende hoofdstukken door te nemen. Meermaals heb ik zelfs de indruk dat ik een handboek voor studenten in handen heb, zo uitgebreid is zijn betoog. De auteur herhaalt bovendien meermaals reeds eerder in zijn boek beschreven vaststellingen, alsof hij zeker wil zijn dat het goed wordt ingeprent. Tabellen en voetnoten besliste ik al snel gewoon over te slaan. Om die óók nog vrijwillig te bestuderen en te lezen, daar is het leven toch wel veel te kort voor.

Neen, omdat de uitgave een lawine aan intrigerende info en verduidelijking bevat over verleden en heden. Hij laveert uitgebreid via economie en geschiedenis, slaat regelmatig een zijweg in naar de literatuur, sociologie en filosofie. Wat tot gevolg heeft dat je op sommige momenten hevig in het boek getrokken wordt en ontzettend veel interessante achtergrondkennis opdoet over maatschappelijke mechanismen. Het boek is dus het ene moment gortdroog, dan weer meeslepend. Achterflapteksten strijden nogal eens naar de eerste prijs bewieroking. Feit is dat die positieve commentaren er wel degelijk zijn. Ongetwijfeld zijn er ook andere. Die de flap natuurlijk niét halen. Wie koopt het, wie leest het, wie worstelt zich hier doorheen? Dat vraag ik me aanvankelijk meermaals af. Maar ik ondervind al snel dat hoe meer ik vorder in het boek, hoe interessanter ik het begin te vinden. Al zijn er, eerlijk toegegeven, eveneens een aantal paragrafen die mijn herhaaldelijk rechtgezette pet te boven gaan.

Heel tof voor de literatuurliefhebbers én een noodzakelijke frisheid in de eerste twee delen is dat Piketty een aantal klassiekers connecteert aan de tijd waarvan ze een weerslag zijn. Overbekende werken van onder andere Jane Austen en Honoré de Balzac worden op die manier in hun historische context geplaatst en dat geeft deze een extra dimensie. Tijdens het lezen van die passages dringt de vraag zich op of ik niet beter voorrang zou geven aan die romans zélf. De boeken die ik al las, moet ik dan misschien zelfs eens herlezen. Ongetwijfeld ‘lees’ ik ze anders. Het letterlijk en figuurlijk zware boek goed doorploeteren vraagt tijd, en het schrijven ervan moet een monnikenwerk geweest zijn. Piketty splitst zijn werk op in vier delen.

Hij start met het schetsen van de inegalitaire stelsels uit de geschiedenis, met name de standenmaatschappijen en de bezitterssamenlevingen (19de eeuw) en laat tal van historische ontwikkelingen in verschillende landen de revue passeren – ontwikkelingen die te maken hebben met de hardnekkige structuur van diverse vormen van ongelijkheid. De hyper-inegalitaire samenlevingen van de voorbije drie eeuwen kunnen niet zomaar terzijde worden geschoven als een oude, voorbije wereld, er zijn tal van raakpunten die van wezenlijk belang zijn om de huidige wereld te begrijpen.

In deel twee doet Piketty minutieus uit de doeken hoe de slavenstaten, koloniale samenlevingen en de standenmaatschappijen een zware erfenis van ongelijkheid nalieten. Heiligverklaring van privébezit had zelfs tot gevolg dat bij de afschaffing van de slavernij in de VS de bevrijde slaven hun vroegere eigenaars letterlijk een hoge tol moesten betalen voor hun vrijheid. Voor president Jefferson kon er enkel sprake zijn van vrijmaking wanneer de eigenaars daarbovenop nog een billijke staatsvergoeding kregen, ze waren immers hun werkkrachten kwijt. Wat het bewijs is van een doordrongen respect voor propriëtarisme. De slaven schadeloos stellen als compensatie voor het hun aangedane onrecht, niemand vond het nuttig of nodig.

In deel drie analyseert de auteur hoe de sociale ongelijkheid in de twintigste eeuw ingrijpend veranderde, aanvankelijk in de goede richting. De eeuw laat hij beginnen bij de aanslag in Sarajevo op 28 juni 1914 en eindigen bij de aanslagen in New York op 11 september 2001. Kenmerkend voor dat tijdperk is de hoop op een rechtvaardiger wereld, een samenleving met sociale gelijkheid én het voornemen om de oude, inegalitaire regimes radicaal om te vormen. De twintigste eeuw wordt na de twee grote conflicten vooral gekenmerkt door de contacten tussen samenlevingen en culturen die elkaar voordien bijna volledig negeerden en voornamelijk communiceerden via interstatelijke relaties en militaire overheersing. Het laissez-faire raakt in diskrediet en de overheidsbemoeienis stijgt. Na de ‘Trente Glorieuses’ (1950-1980) groeit de ongelijkheid echter opnieuw. Het aantal belastingparadijzen stijgt terwijl politieke wil tot transparantie ontbreekt. Sedertdien ondergraaft  vermogensconcentratie en een ondemocratische spreiding van de rijkdom de samenleving. En waarschuwt Piketty dat dat wel eens gevaarlijk zou kunnen zijn. Antidemocratische keuzes blokkeren de totstandkoming van ambitieuze internationale politieke programma’s om meer gelijkheid te bewerkstelligen. Zo worden in zowel de postcommunistische als kapitalistische landen de mislukkingen van het communisme regelmatig aangegrepen om bij voorbaat elk ambitieus herverdelingsproject in de kiem te smoren.

Ook de EU kent geen prioriteit toe aan de strijd voor fiscale rechtvaardigheid en hogere belastingen voor dominante spelers. Piketty vindt dit riskant. Die koers geeft brandstof aan een diep anti-Europees sentiment onder de lagere en middenklasse waardoor het mensen in de armen van nationalistische, nativistische en identitaire bewegingen duwt. Hij stelt de pertinente vraag waarom de EU een gezamenlijke munt en de ECB wist te bewerkstellingen, maar geen gezamenlijke fiscale constructie om belastingen te heffen inrichtte. Het antwoord is niet moeilijk te vinden. De afzonderlijke landen willen de concurrentiepositie behouden en bijgevolg ook de grote bedrijven in eigen land houden of er naartoe lokken met alsmaar lagere winstbelastingen.

Wat de auteur vertelt zal voor velen niet nieuw zijn – het autoritaire liberalisme à la Friedrich Hayek is bijna dagelijks onderwerp van vele artikels en opinies. Anderen zal het regelmatig de ogen openen. Piketty hamert herhaaldelijk op de oorzaken en de gevolgen van ongelijkheid, focust op de hardnekkige mechanismen die een uitweg uit de impasse verhinderen en wijst op het kortzichtig eigenbelang van elites met een meritocratisch discours. Piketty is een Franse burger, casus Frankrijk komt dus uitgebreid in zijn vizier. Ook om zijn punt te maken dat als het vraagstuk van die ongelijkheid niet ernstig genomen wordt, eveneens het klimaatbeleid door wijdverbreid onbegrip en protest geblokkeerd wordt. En kan dat ook anders wanneer de Franse regering forse verhogingen van de CO²-belastingen doorvoert op benzine, maar een uitzondering maakt voor kerosine?

De grote en tegelijk ontnuchterende conclusie van de econoom (doorheen het hele boek) is dat de meeste politiek-ideologische constructies hebben laten zien dat sociale ongelijkheid nooit iets ‘natuurlijks’ had en dat nog altijd niet heeft: ze zijn net een gevolg van die politiek en ideologie. Politieke elites maken keuzes en die zijn altijd wel in iemands belang. Eén keer raden in wiens belang…

Vanaf de jaren 1990 stak een grenzeloos geloof in de zelfregulering van de markt en het privébezit de kop op. Zowel de Amerikaanse Democraten als de Europese socialisten stopten van dan af grotendeels met nadenken over de indamming van het kapitalisme of over alternatieven ervoor. Thomas Piketty zal deze recensie niet lezen, dus even onder ons: indien uw eventuele interesse niet langer tegen te houden is, laat de eerste twee delen voor wat ze zijn of lees enkel de conclusie en concentreer u meteen op de laatste twee hoofdstukken. Die bieden een helder en boeiend overzicht op een eeuw Amerikaanse, (Oost-)Europese en Aziatische politieke geschiedenis, haar electorale systemen en de opvallend gelijklopende tendensen – van het Reaganisme tot gele hesjes, via de Brexit tot Beppe Grillo, van Poetin tot Bolsonaro. Ook laat de auteur in dit lijvig werk de lezer kennismaken met ‘brahmaans links’, een term om uit te leggen hoe vanaf 1990 de hoger opgeleide kiezers via de ‘opleidingslijn’ naar de andere politieke zijde verhuisden, meer bepaald de linkerzijde die door de zich in de steek gelaten voelende kiezer met lagere of geen diploma’s verlaten werd in het voordeel van nativistische partijen. Het op een traditionele klassenscheidingslijn gebaseerde, naoorlogse links-rechtspartijensysteem maakte geleidelijk plaats voor een systeem van meerdere elites, waarin brahmaans links de hoger opgeleiden aantrok en zakelijk rechts de mensen met de hoogste inkomens en vermogens.

In het vierde deel neemt Piketty eerst nog een lange aanloop om uiteindelijk in het laatste hoofdstuk met de beloofde voorstellen tot oplossingen- een aantal zijn niet nieuw – wat betreft de onrechtvaardigheden te komen. Hij stelt zich hierbij terughoudend op, maar biedt niettemin uiterst steekhoudende (veelal dus reeds gekende) alternatieven voor de huidige scheeflopende gang van zaken. Oplossingen waarbij de nuchtere lezer met voorkeur voor rechtvaardigheid ongetwijfeld ja-knikkend verder leest en zich afvraagt waarom het nog geen werkelijkheid is. Volgens de econoom moeten we weg van een wijdverbreide nationalistische trend waarin landen zich in isolement binnen de grenzen van eigen staat en identiteit terugtrekken en in de plaats daarvan evolueren richting sociaal-federalisme op mondiaal niveau. Hij geeft toe dat dit laatste een ideaalbeeld is, maar het positieve is dat een waaier aan tussenvormen mogelijk is. Progressieve vermogen- en inkomstenbelasting, gelijke opleidingskansen door toegankelijk onderwijs voor iedereen, eerlijke partijfinanciering, inperking van de macht van aandeelhouders, transnationale fiscale rechtvaardigheid met gemeenschappelijke heffingen voor de hoogste inkomens en vermogens én voor multinationals, paal en perk stellen aan belastingparadijzen en offshoreconstructies. Een nieuw soort globalisering, gebaseerd op verdragen van gemeenschappelijke ontwikkeling met als doel sociale, fiscale en ecologische rechtvaardigheid.

Piketty demonstreert met cijfers dat elke vorm van ambitieus beleid qua herverdeling en bestrijding van ongelijkheid verwaarloosd of – vooral – genegeerd wordt. Waardoor structurele veranderingen voorlopig utopie zijn. Daarom dat de auteur – die meegeeft dat door zijn studie van historische bronnen zijn opvattingen minder liberaal en meer socialistisch zijn geworden – zijn boek eindigt met de oproep om mee te denken, om een breed maatschappelijk debat, steunend op argumenten, ideeën en ervaringen, te openen. Het maakt hem niet uit of de lezer het eens is met zijn conclusie, hij wil de discussie aanzwengelen. Of wil althans met dit boek de historische en economische kennis ervoor verspreiden. Hier en daar blijkt tussen de regels dat Piketty niet overwegend pessimistisch is. Tijdens zijn onderzoekwerk voor het boek merkte hij dat net in crisismomenten telkens gegrabbeld wordt in de vergaarbakken van ideeën van de intellectuele lange termijnontwikkelingen, weg van de korte termijnlogica.

Had ik met deze recensie – net als Piketty met zijn boek – bondiger moeten zijn? Ja en neen. Ja, omdat er ongetwijfeld ondertussen al lezers afgehaakt hebben wegens te lang en te droog en omdat ik zelf weet dat dergelijke uitgebreide exposés niet gelezen worden, ook soms door mij niet – ook al ben ik een veellezer. Neen, omdat ik niet anders beoogde dan de belangrijkste wetenswaardigheden meegeven. Het allernoodzakelijkste, zodat, wanneer dit boek niet gelezen wordt, het aantal volhouders die tot hier zijn geraakt, toch gebriefd zijn.

Heb ik voor mezelf mijn tijd nuttig gebruikt? Had ik beter een paar romans gelezen? Persoonlijk weet ik dat hoe verder ik vorderde in ‘Kapitaal en ideologie’, hoe duidelijker het werd dat ik de actualiteit beter en minder naïef zal kunnen volgen. Dit leidde echter ook tot het stijgen van het aantal desillusies. Feit is wel dat ik onmiskenbaar veel feitenkennis heb verworven, antwoorden heb gekregen op vragen die ik me al lang stelde, mijn blik heb verruimd en beter geïnformeerd ben. En ook beseft heb dat de geschiedenis zich misschien niet herhaalt, maar toch opmerkelijk veel gelijklopende evoluties kent waar uit te leren valt. Net zoals uit dit boek, dat blijvend kan dienen als een soort naslagwerk.

Ja! Die duizendhonderd pagina’s geduldig doorploegen was het waard. Achteraf gezien althans toch…

Sophia De Wolf

Uitgeverij De Geus, 2020

Tweede wereldoorlog 1940-1945

Met 630.000 kijkers voor de TV-reeks ‘Kinderen van de collaboratie’ en meer dan 400.000 voor de documentaires over de holocaust kan het aandeel van het oorlogsgebeuren in het collectieve geheugen van Vlaanderen moeilijk overschat worden. Dat het boek van Björn Rzoska na 20 jaar aan een tweede druk toe was (net zoals het standaardwerk van Luc Huysse en Steven Dhondt) ligt in diezelfde lijn. Dat dit verleden nog steeds niet is verwerkt is een thesis die in beide werken over collaboratie en repressie unisono wordt beleden.

Het hechteniskamp in Lokeren

Het  kamp te Lokeren, gebouwd voor  de toekomstige Engelse krijgsgevangenen,  werd na de bezetting  omgevormd tot het grootste interneringskamp van België. Verdachten van collaboratie werden er samengepropt op een terrein van 264 are in 15  houten barakken in afwachting van hun proces. Op het hoogtepunt verbleven er  zowat 5000 gedetineerden, 350 per barak  terwijl die oorspronkelijk voorzien waren voor slechts 150 personen. Ca. 20.000 gedetineerden passeerden er in de periode van september 1944 tot oktober 1947, de ene al langer dan de andere, van één maand of enkele maanden tot enkele jaren…). Niet verwonderlijk dat het hechteniskamp van Lokeren een van de belangrijke herinneringsplaatsen van de repressie is geworden. Hygiëne en voedselbevoorrading lieten te wensen over. De toestand werd zo schrijnend dat er in augustus 1945 een heuse opstand plaatsvond.

Het boek verhaalt op boeiende wijze het dagelijkse kampleven maar beperkt er zich niet toe. Het is tevens  een stevig wetenschappelijk dossier geworden op basis van eigen onderzoek. In de tweede druk die bijna 20 jaar na de eerste druk (1999) het leven zag verwerkt hij nieuwe inzichten die het wetenschappelijk onderzoek over collaboratie en repressie de laatste 20 jaar heeft opgeleverd. Prof. Bruno De Wever (broer van …) die destijds de promotor was van zijn licentiaatsverhandeling (thans heet dat ‘masterproef’) schreef het voorwoord. Dit feit op zich zegt al heel wat over het niveau  van het boek.

“Onverwerkt verleden: collaboratie en repressie in België 1942 – 1952” is het boek van Luc Huysse en Steven Dhondt. Zowat iedereen is het erover eens dat dit hét standaardwerk is  over de problematiek van collaboratie en repressie tijdens en na de tweede wereldoorlog. Het werd gepubliceerd in 1991 en  kreeg bijzonder lovende kritiek van historicus… Bart De Wever, toen weliswaar dertig jaar jonger.  Of politicus Bart De Wever dit vandaag nog zou herhalen is maar zeer de vraag.

Deze lijvige studie van zowat 400 blz. kreeg onlangs eveneens een heruitgave en ook dit werk werd aangevuld met recente nieuwe inzichten. Die werden  verkregen na het openstellen van de archieven van het krijgsauditoraat. Deze nieuwe inzichten werden aangebracht door Koen Aerts, Pieter Lagrou en… jawel, Bruno De Wever.

Meten is weten

Wars van alle vooroordelen hebben zowel Rzoska als Huysse zich gebaseerd op koude cijfers en daaruit conclusies getrokken. En die conclusies kunnen wel eens haaks staan op de beeldvorming die in bepaalde middens nog steeds wordt gekoesterd. De rechtstreekse getuigen zijn zo goed als verdwenen, maar de ervaringen van de ouders leven op heel uiteenlopende manieren door in hun kinderen.

Een voorbeeld. De bevolking van het hechteniskamp in Lokeren zou volgens getuigenissen van oud-gevangenen bestaan hebben uit 80% intellectuelen. Er werd met enige zelfspot gesproken over de Universiteit van Lokeren. In zijn notities stelt de auteur Filip De Pillecyn, zelf een kampgevangene, dat in zijn eigen barak 85% van de gedetineerden alleen maar lager onderwijs had gevolgd.

Het wetenschappelijk onderzoek van Rzoska geeft een gedetailleerder beeld:

37.7 % zijn arbeiders

33.3 % behoort tot de middenklasse: kleine zelfstandigen, landbouwers en ambachtslui

12,5 % bestaat uit lagere ambtenaren en bedienden

12.5 % zijn hogere ambtenaren en bedienden op bestuursniveau, ondernemers en vrije beroepen

04.0 % varia

Onderwijzers zitten in de categorie hogere ambtenaren. Zij waren prominent aanwezig!

Meten is weten: 82.5 % van de Lokerse gedetineerden waren geen intellectuelen.

Zo zijn er heel wat beweringen die het wetenschappelijke onderzoek niet overleven en moeten geklasseerd worden als ‘mythe’. In de jeugdbeweging van 50/60 jaar geleden, meer bepaald KSA, geloofden wij dat collaborateurs naar het Oostfront waren getrokken om er in dienst van de nazi’s te gaan vechten tegen het goddeloze communisme, hierbij aangespoord door priesters en paters. Die idealisten waren er beslist maar de beeldvorming die ons werd opgedrongen maakte dat zij het representatieve gezicht werden van ‘dé Oostfrontstrijders’. De werkelijkheid zag er anders uit!

In de rangen van de Oostfrontstrijders zaten uiteraard ook avonturiers, misdadigers die hun straf wilden ontvluchten, Vlaamse en Waalse werkwilligen die in Duitsland verplicht werden ‘vrijwillig’ dienst te nemen en collaborateurs die de onzekere toekomst van het Duitse offensief aan het Oostfront verkozen boven het lot dat hen te wachten stond bij de bevrijding nu de geallieerde legers snel naderden.

Nog meer cijfers

Vanuit Londen en vanaf december 1942 bereidde de regering  o.l.v.  de eerste Minister Pierlot in diverse besluitwetten de naoorlogse overheidsrepressie van collaborateurs voor. Walter Ganshof Van der Meersch, de auditeur-generaal speelde een grote rol in de totstandkoming van deze wetgeving en van haar toepassing na de bevrijding. Na het beëindigen van de oorlog  werden liefst 405.493 dossiers aangelegd tegen ‘incivieken’ (politieke delinquenten uit de Tweede Wereldoorlog). Van dit astronomisch getal gaven ‘slechts’ 57.254 dossiers aanleiding tot effectieve vervolging. 53.005 veroordelingen werden uitgesproken.

De uitgesproken straffen bestonden voor 60% uit correctionele straffen van minder dan 5 jaar hechtenis en voor 40% uit criminele straffen van minimum 5 jaar waaronder 2940 doodstraffen. Er werden 242 effectieve terechtstellingen effectief uitgevoerd. De executie van parlementslid (Katholieke Partij) Leo Vindevogel, tevens oorlogsburgemeester van Ronse, bracht heel wat beroering in de regio.

Van de 53.005 veroordeelden waren  er:

31.861 militaire collaborateurs (wapendragers: Waffen SS, Vlaams Legioen,…)

16.305 paramilitaire collaborateurs (Fabriekswacht,…)

Politieke collaborateurs waren bvb leden van VNV, van Rex…, ideologische aanhangers van de Nieuwe Orde.

Burgerlijke epuratie omvatte het verlies van burgerrechten, o.m. het actief en passief stemrecht, het verbod om bepaalde beroepen uit te oefenen zoals advocaat, journalist, priester,…

Administratieve zuiveringen betekenden het ontslag uit hun ambt van het politiek personeel en de  ambtenaren tijdens de bezetting  het ontslag.

Weigering van het toekennen van het bewijs van burgertrouw maakte bvb inschrijving in het handelsregister onmogelijk of bezwaarde het kandideren voor een job  waar vaak dit bewijs een toelatingsvoorwaarde was.

Deze straffen troffen niet alleen de collaborateurs maar vaak ook hun gezin en familie die als paria’s in de armoede belandden. Daarnaast was er ook nog een arsenaal aan andere of bijkomende straffen zoals schadevergoeding, verbeurdverklaring enz.

De Volksrepressie

Via radioboodschappen had de regering in ballingschap vanuit Londen de bevolking uitdrukkelijk gevraagd het recht niet in eigen handen te nemen maar in het machtsvacuüm dat ontstond onmiddellijk na de bevrijding werden duizenden burgers wederrechtelijk beroofd van hun vrijheid en in kampen ondergebracht. Hun bezittingen werden geroofd of in brand gestoken. Mishandelingen hadden tientallen doden tot gevolg. We zijn september, anno 1944. Een deel van de bevolking nam na 4 jaar bezetting het recht in eigen handen om zij die mee hadden geheuld  met de bezetter te straffen.

Er zou een tweede golf van volksrepressie komen in mei 1945 toen de Duitsers definitief verslagen werden  en  de gruwelen van het naziregime en de Holocaust aan het licht kwamen.

Onverwerkt verleden

Vooral -maar zeker niet alleen- ter linkerzijde heeft men het altijd moeilijk gehad met ‘nationalisme’ in het algemeen en in onze contreien met het Vlaams nationalisme in het bijzonder. Die Vlaams nationalisten werden in de decennia na de oorlog systematisch in de (extreem) rechtse hoek geduwd en, in de context van de besproken problematiek bij uitstek bekeken als Duitsgezind, aanhangers van de Nieuwe Orde en collaborateurs.

Dit is op zijn minst een simplistische benadering van de realiteit. In de Volksunie  waren figuren als Nelly Maes (rooie Nelly), Willy Kuypers of Maurits Coppieters zonder meer  progressieve figuren. De visie over bvb. het apartheidsregime in Zuid-Afrika was één van de vele breuklijnen die dwars door de gelederen van de Volksunie liep.

In de Vlaamse publieke opinie daarentegen overheerste de overtuiging dat de repressie genadeloos en anti-Vlaams was. Collaborateurs kregen daardoor de status van slachtoffers eerder dan die van daders, een visie die vooral in Vlaams-nationalistische kringen uitgroeide tot een erg invloedrijke mythe” aldus Marc Reynebeau in zijn boekbespreking bij  de heruitgave van het hogergenoemde standaardwerk van Huysse. (De Standaard van 29/30 augustus 2020).

Zowel Rzoska als Huysse gaan uitvoerig in op deze mythe, tot groot ongenoegen van bepaalde middens in het Vlaams-nationalistische kamp. Het is nooit tot een verzoening gekomen tussen beide kampen nochtans de noodzakelijke voorwaarde om tot een verwerking van het oorlogsverleden te komen. Twee initiatieven daartoe zijn vermeldenswaardig. In meerdere edities van het ‘Journal des Tribunaux’ tussen 1945 en 1950  erkennen Franstalige juristen het feit dat de repressie vaak fout is geweest.

En op de IJzerbedevaart van 2000 sprak Frans-Jos Verdoodt het ‘historisch pardon’ uit waarin het IJzerbedevaartcomité  erkende dat er vergissingen, beoordelingen en verkeerde  allianties in het verleden werden gemaakt. Een noodzakelijk vervolg is er niet geweest. Het oorlogsverleden blijft onverwerkt. En laat dit nu juist het opzet geweest zijn van beide besproken werken.

Luc Van Impe

Bronnen:

Björn Rzoska; “Opgesloten tussen Zwart, Wit en Grijs – Het Kamp van Lokeren (1944-1947)”, woord vooraf door prof. Dr. Bruno De Wever, Uitgeverij Doorbraak, 167 blz;

Luc Huysse, Steven Dhondt met nieuwe bijdragen van Bruno De Wever, Koen Aerts en Pieter Lagrou;

“Onverwerkt Verleden. Collaboratie en Repressie in België 1942-1952. Uitgeverij Kritak, 406 blz.;

Marc Reynebeau in De Standaard van 29/30 augustus 2020. Interview met Pieter Lagrou.

Maarten Van Rossem is een duizendpoot. We zien hem regelmatig in de kurkdroge Nederlandse editie van “De slimste mens” en hij lijkt daar niet direct de sympathiekste figuur. Die ambitie zal hij wellicht ook niet hebben want hij neemt geen blad voor de mond, nergens, ook niet in zijn geschriften.

Hij is bijzonder hoogleraar aan de universiteit van Utrecht maar bij het grote(re) publiek gekend en erkend  als de man die op een heel laconieke, aanstekelijke en bijwijlen luimige wijze zijn wetenschappelijke kennis duidelijk en toegankelijk kan overbrengen aan een ruim publiek.

De moderne geschiedenis van de V.S. passioneert hem. Hij schreef er een standaardwerk over dat hij recentelijk bijwerkte in een geactualiseerde versie.

In zijn boek(je) “Waarom is de burger boos ?” (2010) ontleedt Van Rossem een fenomeen dat mondiaal hoge toppen scheert: het populisme. Hij doet dit aan de hand van de drie Nederlandse populisten bij uitstek: Pim Fortuyn, Rita Verdonk en uiteraard Geert Wilders.

Ook wanneer we minder geïnteresseerd zouden zijn in de binnenlandse politiek van Nederland blijft het boekje interessant omdat de analyse van hun doen en laten tevens een leerrijke beschrijving oplevert van wat populisme nu eigenlijk is. Want hoewel er zo stilaan bibliotheken kunnen gevuld worden met werken over populisme en wij er om de haverklap mee geconfronteerd worden in dagbladen, tijdschriften en programma’s op TV is en blijft een bondige, bevattelijke maar stevig onderbouwde analyse aan de hand van concrete personen en gebeurtenissen een leerrijke opsteker.

Reeds in de inleiding verwoordt hij onverbloemd zijn mening over populisten en populisme.

Hij constateert dat het populisme na de dood van Pim Fortuyn en de ondergang van zijn partij niet, zoals  verwacht, verdween of marginaliseerde maar dat met Rita Verdonk en Geert Wilders het populistische kiezerspotentieel niet kleiner is geworden. Voor Van Rossem is dit verbazingwekkend gezien de “baarlijke nonsens die zij uitkramen”. “Wilders excelleert vooral handig geformuleerde borreltafelpolitiek” en “de enorme attractie van deze politieke kermisgasten is dus verrassend stabiel”. Met de kernboodschap van de populisten, de zogenaamde “islamisering van Nederland en de rest van Europa” rekent hij in één woord genadeloos af: die islamisering is gewoon niet-bestaand!

Hij besluit zijn inleiding met de stelling dat populistische partijen brede protestpartijen zijn waarbij de overheid, het politieke systeem en de maatschappelijke elite het doelwit vormen .

Historische achtergrond

De auteur onderscheidt twee periodes in het naoorlogse Europa. In de eerste periode (1945-1975)  herstelt het geruïneerde en armoedige Europa zich en komt tot ongekende welvaart: niet alleen consumptiegoederen (radio, TV, wasmachines, auto’s . . . ) maar ook   onderwijs en een uitgebreide sociale bescherming bereiken op aansturen van de overheid brede lagen van de bevolking.  Volledige werkgelegenheid en een stabiele economische groei waren de noodzakelijke voorwaarden om die in stand te houden. De Engelse econoom Keynes verdedigde de mogelijkheden van een macro-economische  sturing door de overheid. De verzorgingsstaat was een feit. De sterke economische groei gecombineerd met een minimale  bevolkingsgroei in de voorafgaande decade (1935- 1945) zorgden al gauw voor tekorten op de arbeidsmarkt. De oplossing: arbeidskrachten aantrekken uit landen met een arbeidsreserve.

In de tweede periode (1975-2008) doet het neo-liberalisme zijn intrede. Thatcher en Reagan zijn de invloedrijke woordvoerders van de nieuwe beleidsconcensus. De recepten zijn genoegzaam gekend: privatisering van overheidsbedrijven en deregulering van het fiscaal-economische verkeer. Dat alles ten voordele van een onbelemmerde vrije markt.

De kern van het populisme

Populisme is onlosmakelijk verbonden met de democratie”. Dat is het kernbetoog van Van Rossem.

De democratie, aldus de auteur, functioneert op basis van macht van het soevereine volk, voor het soevereine volk maar NIET door het soevereine volk. De vertegenwoordigende democratie kent complexe instituties: de rechtsstaat met zijn bicamerale parlement en zijn politie partijen. Net die instituties geven de burger vaak het gevoel dat hij eigenlijk weinig in de pap te brokken heeft en dat hij uiteindelijk een buitenstaander blijft in een systeem dat hijzelf via vierjaarlijkse verkiezingen legitimeert.

Een deel van die burgers laat zich verleiden door de sirenenzang van populisten die aan de burger beloven dat hij echt aan de macht zal komen als zij het voor het zeggen hebben. Die boodschap brengen zij op een specifieke manier, namelijk met verbale provocatie, een aansprekend politiek theater en een fervent anti-intellectualisme (anti-elite).

Populistische bewegingen

Van Rossem onderscheidt op het einde van de eerste periode (de verzorgingsstaat – 1945/1945)  een links socialistische en een links liberale variant van het populisme.

De socialistische variant stelt dat de arbeidersklasse staat voor het ganse volk en dat zij werd afgekocht met televisietoestellen en auto’s maar verstoken bleef van de productiemiddelen. Alleen een revolutie kon zorgen voor een echte democratie.

Voor een goed begrip van de liberale variant moeten we naar Denemarken en meer bepaald naar Mogens Glistrup die in 1972 opriep tot een belastingsrevolte. Hiermee viseerde hij de middenklasse die steeds meer het gevoel kreeg een onevenredig hoge belastingsbijdrage te leveren. In feite was dit een regelrechte aanval op de verzorgingsstaat.

Zijn geestelijke opvolgster, Kjaersgaard, pleit voor een drastische beperking van de immigratie, in het bijzonder van moslims.

De structuur van het populisme

Het volk is een werkelijk bestaand en levend organisme, één en ondeelbaar. Het is soeverein, homogeen en deugdzaam. En exclusief: wie niet deelt in de historische bepaalde cultuur en levenswijze (identiteit) behoort tot de ‘anderen’.

Tegenover dat volk staat de elite, die er op uit is het volk te manipuleren en uit te buiten.

Het land moet volgens de populisten teruggegeven worden aan het volk. Dat noemt Van Rossem een zonderling voornemen omdat het impliceert dat het land ooit daadwerkelijk aan het volk zou hebben toebehoord.

Leider en beweging zijn op natuurlijke wijze één met hun volk. De leider weet wat het volk wil en is vaak een charismatisch figuur. De parlementaire democratie deugt niet en de politieke partijen zijn de ergste uitwas ervan. De partijen zijn het instrument waarmee de elites het volk naar hun hand zetten. De overheden zijn van hoog tot laag corrupt en incompetent. Ambtenaren doen nooit iets goed en zijn in overtal; een deel van hen dient ontslagen te worden. (cfr. Le Pen in Frankrijk)

De rol van de media

Het succes van de populisten wordt volgens Van Rossem in hoge mate bevorderd door de media, en door de televisie in het bijzonder; de media-logica valt immers deels samen met de populistische logica. Ook de media-logica vraagt  theater, drama en alles wat de dagelijkse routine overstijgt en de lezer/kijker emotioneert.

De populistische leiders zijn meesters in het bespelen van die media; hun kenmerkende stijl geeft precies waar media om vragen: verbale provocatie, schaamteloze overdrijvingen, goed georganiseerde pseudo-gebeurtenissen en politiek theater. De essentie van politiek op TV is (te vaak) het conflict tussen de politici. Een ander kenmerk van de media-logica dat naadloos aansluit bij de populistische logica: goed nieuws is geen nieuws.

Het immigratieprobleem

In de tachtiger jaren gaan de traditionele partijen het neo-liberalisme steeds meer omarmen.

Ze starten met omvangrijke privatiseringen en sanering van de verzorgingsstaat en hopen op die manier de wind uit de zeilen van de populisten te halen. Maar die koortsachtige neiging om overal bedrijfsmatig te gaan werken creëerde nieuwe onzekerheden en zo werden sommige populisten plots pleitbezorgers van de verzorgingsstaat en critici van de beleidsvisie van de liberalen, althans voor zover het neo-liberalisme angst of ongerustheid zou kunnen oproepen bij (een deel van) het electoraat. Van plat opportunisme gesproken!

Met het immigratieprobleem scoren ze dubbel: ze onderscheiden zich opnieuw van de ’traditionele partijen’ en ze hebben meteen een nieuw mobilisatie-issue, een thema om nieuwe kiezers te verleiden.

Pim Fortuyn

… etaleert zijn opvattingen in een boekje met als titel: ‘Tegen de islamisering van onze cultuur. Nederlandse identiteit als fundament.‘ (Utrecht, 1977).  Fortuyn stelt het cultuurrelativisme van de Nederlanders aan de kaak: “Wij Nederlanders zijn niet meer geïnteresseerd in ons erfgoed. We weten niets over onze culturele identiteit.” Hij plaatst vervolgens de traditionele Nederlandse cultuur, namelijk  de joods-christelijke humanistische cultuur tegenover de fundamentalistische islam en voorspelt de ondergang van die Nederlandse cultuur ten gevolge van de desinteresse van de Nederlanders.

Niet alleen de Nederlandse maar de hele Westerse cultuur zal verloren gaan.

Dit is voor Van Rossem de wereld op zijn kop en wel om twee redenen:

  1. Moslims zijn en blijven een kleine minderheid, bovendien sociaal en economisch zwak en ook nog eens gediscrimineerd. Hoe zou die minderheid de hele westerse cultuur van de overgrote meerderheid van de bevolking succesvol te lijf kunnen gaan? Dit is de wereld op zijn kop want het is de westerse cultuur die naar het gevoel van veel moslims de islam bedreigt.
  2. De islamofoben komen telkens opnieuw met dezelfde begrippen aandraven: westers cultuurrelativisme en de rampzalige multiculturele samenleving terwijl net andersom de overgrote meerderheid van de westerlingen overtuigd is van de vanzelfsprekende superioriteit van de eigen cultuur.

Verder constateert Van Rossem dat bijna alle aspecten van het Islamitische geloof die Fortuyn zo weerzinwekkend vindt essentiële onderdelen waren van de christelijke praktijk: discriminatie van homo’s, ondergeschikte positie van de vrouw. Van Rossem vat samen: “Het paranoïde beeld van de veronderstelde islamisering bevindt zich buiten de grenzen van de werkelijkheid.”

Besluit

Ook de analyse van het politieke reilen en zeilen van Rita Verdonk en Geert Wilders is bijzonder leerrijk al is het maar om de gelijkenissen met onze eigen Belgische politiek te ontdekken.

En zoals de traditionele partijen destijds het neo-liberalisme meer en meer omarmden zouden zij nu wel eens dezelfde fout kunnen maken met het achternahollen van de populisten in de immigratieproblematiek.

Luc Van Impe

Het is puur toeval. Maar dat ik iets meer dan een maand geleden – toen ik nog het café van ‘t Uilekot binnen mocht – net dit boek uitkoos om te bespreken, vind ik toch wel opmerkelijk. De auteur ervan, Erik De Bruyn, was dertig jaar actief in de socialistische partij, tot hij in 2011 opstapte en de politieke beweging Rood! oprichtte. Dit boek dateert eveneens uit 2011 maar doet beseffen dat het logge politieke schip heel moeizaam van koers verandert.

Het is alsof ik via het boek ‘De terugkeer van de dwarsliggers’ een rondleiding krijg in de situatie waarin we nu met de coronacrisis terecht zijn gekomen. We zitten er nog middenin, maar nu reeds worden we weeral in de richting gemobiliseerd – ja, eigenlijk gehersenspoeld – om vooral de economie te redden. Denk de details en de specifieke gebeurtenissen van 10 jaar geleden weg, verplaats je naar 2020 en je herkent de machinaties die gebruikt worden door de politieke -en bedrijfselite. Niets nieuw onder de zon dus. Ik ben oud genoeg om me de situaties en de namen uit 2011 en ervoor te herinneren.

Een aantal gebeurtenissen uit die periode worden op een bevattelijke manier uit de doeken gedaan en geven 10 jaar na datum een verhelderende blik op de partijpolitiek van de SP-a in die jaren, maar evengoed van de andere traditionele partijen. Eigen- en partijbelang primeert boven algemeen belang. Namen en feiten worden door de auteur niet geschuwd. We kijken er al lang niet meer van op, we wéten dat winstmaximalisatie hét motief is om te snoeien in de overheidsuitgaven, de sociale zekerheid, de gezondheidszorg, het onderwijs, de lonen en de pensioenen. In heel Europa worden werknemers gedwongen om loonmatiging en flexibilisering te aanvaarden. Erik De Bruyn duidt in deze toegankelijke uitgave de stand van zaken aan van zowel rechter- als linkerzijde en geeft zijn visie op zijn persoonlijk standpunt dat rood geleidelijk aan minder rood werd. Gelukkig was er de socialistische vakbond om de vinger aan de pols te houden.

Aan de hand van zijn persoonlijke verhaal legt hij op heldere wijze en in een vlotte schrijfstijl uit hoe het oude kapitalisme dat achter het nieuwe liberalisme van de globalisering schuilgaat vooral níet mag in vraag gesteld worden. Ook zijn partij was, dixit De Bruyn, in hetzelfde bedje ziek. Een groot deel van de linkerzijde verloor uit het oog dat er zich een neoliberale revolutie voltrok. Men ging mee in het rechtsere verhaal en men besefte niet dat een groot deel van het oorspronkelijk kiespubliek net daardoor richting extreem -rechts vertrok. De auteur beperkt zich niet tot België en schetst eveneens ‘het uitstekend in elkaar zittend neoliberaal concept Europa’. In tijden van crisis – zoals we er nu weer een beleven – leidt dit mechanisme automatisch tot een transfer van arbeid naar kapitaal. Een kosmopolitisch Europa is nuttig, maar onder het mom daarvan hoeven we géén sociale afbraak te slikken.

Erik De Bruyn is niettemin optimistisch in 2011, hij ziet een terugkeer van de dwarsliggers. Het was de tijd van de Arabische lente, de Indignados,… Ondertussen weten we dat dat niet echt gelukt is. Helaas. Lukt het na déze coronacrisis wel? Zal samenwerking het halen van egoïsme? Zullen politici het belang van de bevolking vooropstellen of gaan ze weer over tot hun partijpolitieke orde van de dag? En gaan wij ons opnieuw voor de neoliberale kar laten spannen? Zullen N-VA- kiezers zich nog steeds een rad voor ogen laten draaien en niet inzien dat de voorzitter de verkeerde ‘transfers’ aanklaagt, met name die naar Wallonië, maar in alle talen zwijgt over de veel grotere transfers naar belastingparadijzen?

Gebeurtenissen worden soms beter op afstand bekeken dan wanneer je er middenin inzit. Er zijn ongeveer 10 jaar verstreken sedert De Bruyn dit boek schreef. Maar het is nog steeds zéér lezenswaard om de eenvoudige reden dat er weinig gewijzigd is. Hij schetst haarscherp hoe onze wereld in elkaar zit en hoe economische wetmatigheden voornamelijk dienen voor de verrijking van een klasse van aandeelhouders en onvermijdelijk een verarming van de werkende klasse tot gevolg hebben. Alleen al daarvoor is het boek interessant, ook al zullen insiders die op de eerste rij stonden in 2011 misschien niet helemaal akkoord gaan met zijn visie op bepaalde plaatselijke feiten. Ik ben me ervan bewust dat je altijd twee klokken moet horen luiden.

Zijn pleidooi voor desactivering echter én bijgevolg meer levenskwaliteit, daar kan alvast níemand tegen zijn. De Bruyn beklemtoont het nut en de taak van de vakbond en roept op tot een authentieke linkerzijde die zich onafhankelijk opstelt van de “powers that be”. Hij citeert La Boétie, de vriend van filosoof Michel de Montaigne: “we zijn leifeigenen omdat we dat aanvaarden”. Waar wachten we op om vrij te zijn? We zijn met genoeg om het te bewerkstelligen. Mooi ook dat de auteur zijn boek opdroeg aan de kinderen van Utoya. Aan ons om hen een laatste eer te bewijzen en vreedzaam terug te vechten. Allemaal samen.

Erik De Bruyn was jaren gangmaker van ROOD!, een linkse tendens binnen de SP.a. De Bruyn verkreeg nationale bekendheid als tegenkandidaat van Caroline Gennez bij de voorzittersverkiezingen van de sp.a in 2007. Tijdens de campagne noemde Caroline Gennez hem een ‘communist’, een incident dat breed uitgesmeerd werd in de pers. Tegen alle verwachtingen in kreeg hij de steun van heel wat partijafdelingen, waaronder de grootste afdeling van de partij: de afdeling Antwerpen. Erik De Bruyn en zijn running-mate Elke Heirman behaalden 33,6 procent van de stemmen. In 2011 schreef hij dit boekje als opstap voor een nationale politieke beweging. De Bruyn probeerde nog een eigen gemeenteraadslijst in 2012 maar haalde daar slechts 1,1 % van de stemmen mee. In 2014 werd hij opnieuw lid van de SP.a.

Het boek boeide me zodanig dat, had het gekund, ik het in één ruk had uitgelezen. De bedoeling is dat ik met mijn besprekingen hier wat reclame maak voor de tweedehandsboeken die in de rekken van het café staan. Wel, dit boek is écht een aanrader voor wie wil weten welke laakbare handelswijzen er in onze geglobaliseerde samenleving de boventoon voeren. Helaas voor jullie, het is ondertussen verkocht. Wie wil mag het van me lenen.

Sophia De Wolf

Wij verkopen meer dan 400 tweedehandsboeken via Books in Belgium. Je kan ze online bestellen en wij verzenden ze naar je thuis of je kan het afhalen op het afgesproken tijdstip in de winkel Eco & Fair, Groenlaan 39, Herzele. Hier kan je de database bekijken.

Heeft een vrouw het recht een letterlijke grens op te trekken tussen haar lichaam en ons, de buitenstaanders, als zij dit nodig vindt voor haar eigen menselijke waardigheid? Kan zij daarvoor beroep doen op de mensenrechten? Geldt de vrijheid van meningsuiting slechts voor de westerse mens en veranderen de regels voor de ‘allochtoon’? Na haar ontslag als juriste bij Unia – omdat ze zelfbeschikking doortrok naar de hoofddoek – zoekt Rachida Lamrabet op een overtuigende manier via dit essay een antwoord op een aantal ongemakkelijke vragen. De inzet van de strijd is of het al dan niet bedekken van het vrouwenlichaam en vooral het verbod ervan (eveneens al dan niet) een symptoom is van onze bange samenleving.

Lamrabet maakt duidelijk dat ze geen religieus symbool verdedigt maar daarentegen het allerpersoonlijkste recht van een vrouw om zelf keuzes te maken. Opmerkelijk is dat ze er op wijst dat er geen verschil is tussen moslimgeleerden en mannen die vrouwen verplichten zich te bedekken én tussen de opvatting van de seculiere westerse samenleving dat niét te doen.

Haar argumenten staan er en wie ze wil weerleggen moet van goeden huize zijn. Ze toont op vastberaden wijze aan dat dominante groepen er voor zichzelf alle baat bij hebben ‘dissidente’ stemmen het zwijgen op te leggen. Net zoals we nu zien bij de – vrouwelijke – activistische Greta Thunberg, Anuna De Wever en Kyra Gantois: hun girlpower wordt door conservatieve krachten op alle mogelijke manieren in diskrediet gebracht om het toch maar niet over het eigenlijke probleem hoeven te hebben teneinde de comfortabele status-quo te kunnen behouden.

De schrijfster wijst er bovendien op dat emancipatie enkel mogelijk is wanneer minderheidsgroepen zelf aan het debat deelnemen. Dat geldt absoluut ook voor de vrouwenbeweging.

Rachida Lamrabet giet haar duidelijke verontwaardiging en glasheldere inzichten in een overtuigend betoog. Haar analyse is er een van ‘een ervaringsdeskundige’ – ze vertelt hetzelfde verhaal als haar naamgenote Rachida Aziz: ze worden niet gewoon als vrouw, maar steevast als ‘allochtone’ vrouw opgevoerd om het te hebben over ‘allochtone’ onderwerpen. Het lezen van haar essay zou politici en media kunnen aanzetten hun ‘witte weten’ wat te nuanceren, wat grijzer te maken .

Daarvoor is luisteren cruciaal. Bijgevolg niemand het zwijgen opleggen is alvast een goed begin.

Zwijg, allochtoon, Uitgeverij EPO, jaar 2017, 176 p, 15,50€.

Als lid van ’t Uilekot kan je het boek bestellen aan 10% korting (bij afhaling in Herzele). Bestellen kan via ons contactformulier.

Sophia De Wolf

Beste medewerkers, persmensen, organisatoren, gemeentebesturen, schrijvers en lezers,

In 2003 startte Lezen in de Lente als literair project in Herzele. Het initiatief vertrok uit dit bescheiden dorp in de Denderstreek en groeide uit tot een regionaal gebeuren. De organisatoren (vzw ’t Uilekot en een tiental verenigingen van binnen en buiten de streek) wilden een origineel literair festival organiseren. Ze kozen voor een twintigtal activiteiten in de maand april waarbij auteurs op volkse, originele plaatsen (bibliotheken, café’s, de Herzeelse Burcht, een rusthuis…) hun ding deden. Elk jaar kozen ze een thema dat gedurende een maand voorbereid werd met non-fictie auteurs en eindigde op 1 mei met een literair event aan vzw ’t Uilekot zelf.

Het evenement groeide elk jaar en besluit om na vijftien jaar in zijn huidige vorm te stoppen.

Lezen in de Lente was er voor gekend om regelmatig voor wat stuntwerk te zorgen: samen met de gemeente Herzele werden boeken in de bomen aan de Groenlaan gehangen. Een andere keer deed men mensen eendjes vissen op de Burchtvijver, organiseerde men een zoektocht.  Handelaars zetten een boek voor het raam en tientallen vrijwilligers maakten in 2011 een boekendomino tussen de bibliotheek en vzw ’t Uilekot. Activiteiten verspreidden zich over Ninove, Sint-Lievens-Houtem, Geraardsbergen, Lierde, Zottegem, Ronse, Herzele, Erpe-Mere,

Op vijftien jaar tijd werden méér dan vijfhonderd muzikanten, auteurs en vormgevers naar de streek gehaald. Elk jaar haalde het festival minstens een duizendtal bezoekers. Financiële steun kwam er van Leader, het Fonds voor de Letteren, gemeentebesturen en de deelnemende verenigingen (Climaxi, Masereelfonds, ABVV,…).

Door de opeenvolgende bezuinigingsoperaties van de overheid en de dwang om initiatieven als deze via steeds strengere criteria verder te commercialiseren en te professionaliseren, droogde de financiële stroom op en stak vzw ’t Uilekot per jaar zelf  een flink pak centen in de activiteiten en de programmatie en omkadering ervan door eigen personeel. Deze situatie werd onhoudbaar.  Ook bibliotheken en Culturele Centra concentreren zich meer op de eigen activiteiten in plaats van op samenwerking met anderen. Ze worden zo een concurrent voor het bruisend cultureel leven in plaats van een stimulans. De laatste sponsor was de gemeente Herzele die de laatste jaren nog 850 € veil had voor het initiatief. De organisatoren zijn daar dankbaar voor, maar kunnen met dit bedrag onmogelijk hun actie verder zetten.

BOEKENLIEFDE

Dit jaar zijn er dus geen literaire activiteiten tijdens de maand april in deze regio. Maar juicht, vzw ’t Uilekot gaat wél uit liefde voor boeken en de Herzeelse bevolking 250 boeken verstoppen in het centrum van deze gemeente. En, nog meer: we behouden 1 mei als Feest van het Boek (auteurslezingen, vertelwandeling, tweedehandsboekenverkoop,…). Je kan hier het volledige programma bekijken.

Stiekem hopen we dat overheden, geëngageerde mensen en boekenliefhebbers dit sabbatjaar gebruiken om ons te contacteren om een vernieuwde werking op te starten, zodat er volgend jaar terug een Lezen in de Lente-XL kan doorgaan.

Wit, mannelijk, heteroseksueel. Rijk en voornamelijk in het westen wonend: Rachida Aziz schreef een boek voor iedereen die niet tot deze groep behoort. Het is meteen duidelijk en zonneklaar dat ze zich engageert voor de grote groep die ze in het eerste hoofdstuk rechtstreeks aanspreekt:  ‘Alle mensen die onderdrukt, misbruikt, uitgespuugd en tegen elkaar opgezet worden, ondergewaardeerde arbeid verrichten,… kortom al de mensen die niet de norm zijn, ik zie jullie overal. Maar we hebben één iets gemeen, we zijn met veel’.

Achter elke zin voelt men licht ressentiment, Aziz reikt geen hand maar balt de vuist. Als dochter van een arbeidsmigrant voelde ze zich een studieobject, altijd goed voor statistieken, rapporten en doctoraten.

Strijdvaardig, scherp en af en toe een klein beetje rancuneus. Maar misschien is dit laatste wel nodig als je het tij wil keren. Haar oproep kan onmogelijk mis begrepen worden, je kop boven het maaiveld uitsteken is niet zonder risico’s maar noodzakelijk wanneer je iets wil doen bewegen. Het boek is goed geschreven en bevat mooie zinnen, opmerkelijke gedachten en inzichten. Ze slaagt erin om je tijdens het lezen je eigen referentiekader te doen verlaten, je in haar te verplaatsen en op die manier een aantal vooringenomenheden – samen met haar – vanuit een andere invalshoek te bekijken. En dat is dus soms wel confronterend voor de lezer. Maar het biedt je ook een aantal waardevolle inzichten, iedereen en vooral elke politicus zou dit boek moeten lezen: polariseren is ronduit oneerlijk en als we dachten dat blanke Vlamingen een homogeen volk zijn, dan is er Rachida Aziz om dit te doorprikken. De breuklijnen in onze samenleving liggen duidelijk elders. ‘Met Nahima Lanjri of Zuhal Demir heb ik weinig gemeen en al evenmin met een imam die op tv uitlegt hoe mannen vrouwen onder de knoet moeten houden’, aldus Aziz.

Het boek leest ontzettend vlot, je krijgt filosofie , geschiedenis, politiek mee. Ze belicht in elf hoofdstukken een aantal facetten uit onze leefwereld aan de hand van voorvallen en gebeurtenissen uit haar eigen leven. Op de voorzijde van het boek prijkt een foto van de schrijfster met gesloten ogen, de achterflap laat een lachende Rachida zien. Misschien symbolisch voor het feit dat ze na het schrijven van dit boek optimistisch verder wil: ‘De ontwaakte’ (Rachida) zoals het laatste hoofdstuk getiteld is. Ze eindigt weliswaar wat wollig maar in ieder geval vastberaden en roept iedereen die op grond van kleur, status, opleidingsniveau, afkomst, seksuele voorkeur,… gediscrimineerd wordt op om zich niet te laten intimideren en kleine stappen van rebellie vooruit te zetten.

Rachida Aziz is schrijfster, activiste, modeontwerpster en onderneemster. We zullen in de toekomst niet naar haar naam moeten zoeken, ze zorgt er zelf wel voor dat als we dan toch weer in slaap dommelen, het in ieder geval niet vast zal zijn.

Sophia De Wolf

Leden van ’t Uilekot kunnen dit boek met 10% korting bestellen, indien ze bestellen via ons. Uitgeverij EPO; 19,90€.