Dominique Willaert borstelt de Denderstreek in een boek. Hij sprak met meer dan honderd mensen over hun verzuchtingen, wensen en leven. Hij ging aan tafel zitten met migranten, ‘zwetten’, asielzoekers, gekleurde Nederlandstaligen en wit-roze autochtonen die voor het Vlaams Belang stemmen. Hij zocht wat ze gemeen hebben en waar ze zich aan ergeren. En ook: waarom ze zich ergeren aan elkaar.

Dominique sprak met mensen uit Aalst, Denderleeuw, Geraardsbergen, Ninove en Herzele. Toen ik hem zelf de eerste keer op bezoek kreeg, uitte ik mijn twijfel: “Er is door buitenstaanders al zoveel negatiefs geschreven over deze streek. Voor de mensen die hier wonen is dat irritant. Telkens strijken journalisten, filmmakers en anderen hier neer om te beschrijven waarom het Vlaams Belang in de regio zoveel stemmen haalt. Na hun publicatie en de positieve kijk- of leescijfers verdwijnen ze opnieuw. Wij blijven met de shit achter.”

Anderzijds had ik wel wat vertrouwen in de aanpak van Dominique, de vroegere man achter Victoria Deluxe, die ooit mijn eigen eerste filmproject voor ’t Uilekot hielp tot stand komen.

Dat vertrouwen bleek niet misplaatst. Het boek werd een gevoelige en mooie beschrijving van mensenlevens in de streek. Van mensen die allemaal dezelfde zorgen of doelen hebben: een treffelijk huis vinden, zorgen dat je kinderen (als je er hebt) het goed hebben, wat te eten en te drinken vinden. En toch vinden sommige groepen mekaar niet, daartoe aangepord door het Vlaams Belang, dat teert op alle ongenoegen.

Dat ongenoegen zit diep. Het heeft te maken met snelle veranderingen, migratie zonder begeleiding en de voortdurende afbouw van diensten in deze streek. Toen ik nog in Geraardsbergen woonde waren er goede busverbindingen, een lokaal kantoor van de waterafdeling en elektriciteitsmaatschappij, een Volkshuis,… Allen zijn ze verdwenen of vervangen door online-dienstverlening. Op de koop toe worden cafés vervangen door een brasserie en verdwijnen veel lokale bakkers, beenhouwers enz. Het zorgt voor een verlieservaring die voor velen versterkt wordt door de snel verkleurende maatschappij om zich heen en door pijnlijke armoedecijfers: Volgens de kansarmoede-index van Kind en Gezin was in 2021 20,49% van de inwoners van Geraardsbergen kansarm. In het centrum loopt de kinderarmoede-index op tot maar liefst 39,8%. Daarmee doet de Oudenbergstad het opmerkelijk slechter dan Aalst, Denderleeuw, Ninove en zelfs Ronse.

Het boek ontroert en boeit en beschrijft elke mens met respect.

Dendertop

De auteur werkte ondertussen een tournee af in de streek, waarop telkens tientallen mensen komen luisteren naar de verhalen van hemzelf en de mensen die in het boek voorkomen. Op zaterdag 25 november organiseert een groep medestanders een Dendertop in vzw De Plomblom te Ninove. Het is de bedoeling om daar een soort van solidair charter voor te stellen, een verzameling van sociale en solidaire eisen en verzuchtingen die nadien aan het politieke niveau voorgelegd worden. Dat idee steunen we van harte. Zelf zou ik er voor pleiten om dat idee te vervolledigen met onze omgeving, het leefmilieu. Dominique heeft dan wel niemand het woord klimaat in de mond horen nemen, maar de overstromingen die de streek regelmatig teisteren, zijn er wel een direct gevolg van.

Levende krachten

Verder kan ik alleen maar hopen dat het project ankerpunten vindt in de streek. Het mag niet opnieuw gebeuren dat mensen die deze streek portretteren na dat werk met de noorderzon verdwijnen zonder het project door te geven aan de levende krachten in deze streek. De herinnering aan het SAAMO-débacle in Denderleeuw ligt daarvoor nog te vers in het geheugen. Het ‘progressieve’ gemeentebestuur zette deze werking aan de deur. Er volgden een actie en onderhandelingen waarbij actiegroepen en vakbonden uit de streek nauwelijks betrokken werden. ’t Uilekot en Climaxi lanceerden nog een oproep die door een vijftigtal organisaties en individuen getekend werd… maar initiatieven tot samenwerking werden niet beantwoord en SAAMO koos voor de juridische weg en verloor die.

Ook daar mogen linkse mensen wat uit leren: hou rekening met de streek en beslis minder van bovenaf! Integreer je, white man!

Filip De Bodt

Het boek van Dominique is voor €25 te koop in de Eco & Fair winkel, Groenlaan 39 te Herzele. Je kan het ook bestellen via info@ecofair.be

Soms doe je met een impulsieve aankoop van een boek jezelf onverwacht een groot plezier. Dat was overduidelijk met dit boek het geval. De zwarte kaft met enkel rood en witte letters trok moeiteloos mijn aandacht in de winkel Eco & Fair, maar het was de titel die me intrigeerde en tot kopen deed besluiten. Wist ik veel wat de inhoud precies te bieden had, maar tijdens het lezen bleek al snel dat de aankoop een superschot midden in de roos was. De term ‘Verlichting’ in de titel is me natuurlijk bekend, maar wat kon ik precies verwachten van ‘Hedendaagse antiverlichting’? Veel, zo bleek.

Het boek van Ico Maly heeft twee troeven. Het is toegankelijk geschreven, is dus geen doorwrocht moeilijk verstaanbare uiteenzetting – een euvel waarmee nogal wat werken mee te kampen hebben-, en het biedt, althans voor mij, een paar intrigerende inzichten en verduidelijkingen. De auteur, die zijn boek als ‘een essay’ omschrijft, deed me ook kennismaken met Zeev Sternhell, “een academicus die altijd bereid was het establishment te vertellen wat ze niet wilden zien”, zo vertelt Wikipedia me.

De verklaring van de titel wordt al heel snel in de inleiding verduidelijkt. Maly merkt op dat politici, journalisten en opiniemakers de mond vol hebben van democratie, verlichting en mensenrechten. ‘De waarheid van de verlichting wordt schijnbaar niet in twijfel getrokken. Toch is het vreemd dat een inherent politiek fenomeen als de verlichting wordt uitgedragen alsof het een neutraal gegeven is.’, aldus de docent aan de universiteit van Tilburg en auteur van het eerdere ‘Nieuw Rechts’.

In drie hoofdstukken licht Maly zijn stelling toe dat het vooreerst weinig zin heeft de verlichting te beschouwen als ‘één homogene ideologische beweging’. Hij legt uit waarom we volgens hem  democratie, scheiding der machten, stemrecht, gezondheidszorg, publiek onderwijs, gelijke rechten enz. te danken hebben aan de radicale verlichtingsdenkers, zoals Paine, Condorcet, de Gouges en Diderot. De vaak genoemde, maar gematigde verlichtingsdenkers (Voltaire, Montesqieu, Hume) waren, zo schrijft Maly, geen democraten, geen aanhangers van universele mensenrechten.

Het tweede grote punt in het boek is dat de vele zelfverklaarde hedendaagse verdedigers van de verlichting net de grote hoofdpunten van die verlichting grandioos met de voeten treden. Met andere woorden, aanhangers van rechtse partijen claimen de verlichtingswaarden (vrijheid, gelijkheid, solidariteit), maar kijken niettemin de andere kant op wanneer het gaat over de strijd tegen armoede en ongelijkheid. Maly herinnert de lezer eraan dat democratie en mensenrechten het resultaat zijn van een lange sociale en politieke strijd en dat die blijvend moeten beschermd worden, ze zijn niet veilig eenmaal ze gerealiseerd zijn.

Alert blijven is bijgevolg broodnodig. Maly maakt concreet waarom, hij verbaast er zich over dat zelfverklaarde verlichtingsstrijders, zoals Bart De Wever, net de belangrijkste punten van de verlichting totaal omgekeerd invullen. Ze verspreiden de boodschap dat de verlichting begrepen moet worden als ‘een nationaal en identitair verhaal’. Een democratisch en egalitair systeem werd echter nooit gerealiseerd. Erger zelfs, ongelijkheid lijkt groter te worden, mensenrechten worden aangevallen. Maly ziet een desastreus humanitair beleid, stijgende armoedecijfers, de altijd groter wordende werkdruk. Het discours draait enkel nog rond vrijheid zonder gelijkheid, en dat is een strijd voor privileges en ongelijkheid van de protagonisten die hun zogenaamd verlichtingsverhaal transformeren naar een meer in hun kraam passend antiverlichtingsstreven.

Maly omschrijft zichzelf als een betrokken intellectueel die, vanuit zijn bezorgdheid over de maatschappelijke en politieke evoluties in de wereld, de lezer zicht wil geven op zijn of haar plaats in een sociale en politieke geschiedenis. Confronterend is wel dat we sedert het verschijnen van het boek vier jaar verder zijn en dat de situatie op zijn zachts gezegd niet verbeterd is, integendeel. We leven in speciale tijden, de beschreven gebeurtenissen zijn oud nieuws, en de problematiek is nijpender, maar het boek is nog altijd relevant, zelfs relevanter dan ooit. Omdat Ico Maly met zijn engagement een tegengewicht aflevert tegen een (extreem-)rechterzijde die mensen wil doen geloven dat zij het zijn die de afdoende antwoorden hebben. Die zogenaamde oplossingen zijn echter deel van de problemen en versnellen de afbouw van de democratie. “Vrijheid kan niet zonder gelijkheid. Democratie kan niet zonder een democratische mens” , is zijn duidelijke boodschap. Het kan Maly niet verweten dat hij geen bijdrage geleverd heeft om dat te bewerkstelligen.

Sophia De Wolf

Hedendaagse antiverlichting. Ico Maly. Uitgeverij EPO. 157 p. €15. ISBN 978 94 6267 152 2. Boek bestellen kan door een bericht te sturen naar ons contactformulier.

In de lente is er Boekmei, het literair festival van ‘t Uilekot dat boeken en verhalen in het zonnetje zet. De editie van 2023 heeft dit jaar als thema Mensenrechten en gaat door van 22 april tot en met 8 mei. Op het programma staan auteurslezingen, een theatermonoloog, concert en boekenmarkt met literair café.

Kurt Defrancq en Guido Desimpelaere brengen de pakkende theatermonoloog De Poppendokter, over WOII.

Hans Claus heeft het over kleinschalige detentiehuizen en brengt zijn poëzie.

Op de Dag van de Arbeid, tijdens ons boekenfeest op 1 mei, vertellen Sien Volders, Els Snick en Yves Petry over hun passie voor schrijven of het ontstaan van hun boek en Jo Van Driessche leest jou individueel en op maat zijn gedichten voor. Snuister er op de boekenmarkt tussen oude boekenkaften, strips, postkaarten en recente tweedehandsboeken, maak een praatje met andere boekenliefhebbers of ruil jouw eigen boek met dat van een ander. Mong, Tamara en De Illustratie brengen dan ook een heerlijke ratatouille van muzikale, meezingbare verhalen.

Als afsluiter van Boekmei nemen we deel aan ‘Vrij op 8 mei’, waarbij we gelijktijdig met andere cultuurhuizen een culturele herdenking organiseren over het einde van de Tweede Wereldoorlog (nazi-Duitsland).

Een zitplaats reserveren is aangeraden en gaat via www.uilekot.org/contact

Meer info per activiteit: www.uilekot.org/events

Boekmei is een initiatief van de boekenwerkgroep van ’t Uilekot vzw en op 1 mei is dit in samenwerking met vzw Climaxi. De activiteiten gaan door in en rond het boekencafé van ’t Uilekot, Groenlaan 41, 9550 Herzele.

Zin om jou te engageren als boekenvrijwilliger tijdens de activiteiten of ter voorbereiding van een volgende editie? Geef ons een seintje tijdens een activiteit of stuur een berichtje via ons contactformulier.

Boekmei is mogelijk door de steun van Literatuur Vlaanderen.

Op maandag 1 mei organiseert de boekenwerkgroep van ’t Uilekot het literair evenement Boekmei (thema ‘mensenrechten’). Voor de boekenmarkt op deze dag verwelkomen wij graag boekverkopers (11u – 18u). Uw verkoopmateriaal dient hoofdzakelijk uit nieuwe of tweedehandsboeken te bestaan. Oude en historische papierwaren zoals postkaarten, strips, landkaarten,… kunnen ook.

De boekenmarkt is open van 11u tot 18u (doorlopend ook auteurslezingen, drank- en eetverkoop). Jouw deelname is gratis en je kan jouw kraam opstellen tussen 10u en 11u. Hierna vragen we jou de auto te parkeren op de Groenlaan. De boekenmarkt gaat door in een tent op ons terrein (bij regenweer). De inkleding van jouw stand laten we aan jou over (bvb. zelf plooitafel of decoratie meebrengen).

Inschrijven is nodig en gaat via dit registratieformulier.

Locatie: ’t Uilekot vzw, Groenlaan 41, Herzele.

In de namiddag zijn er tussen 14u en 18u auteurslezingen door Sien Volders, Els Snick en Yves Petry.

Na het boeiende debat in ’t Uilekot met Dominique Willaert en Eric Corijn over de nood aan een nieuw verbindend links project verdiepten wij ons nog wat in Corijns boek “Gramsci Lezen – van klassenstrijd tot woke”. In dit werk laat Corijn zich inspireren door de Italiaanse marxist Antonio Gramsci (1881-1937) en biedt hij de lezer een diversiteit van perspectieven op de besproken problematiek. Hieronder verduidelijken wij eerst Gramsci’s centrale begrip hegemonie, vervolgens geven wij enkele bedenkingen bij het boek van Corijn en tot slot leggen wij de link met de praktische werking van ’t Uilekot.

Marx beschreef de economische wetten van het kapitalisme en de uitbuiting van de arbeiders, maar zijn theorie is deterministisch en leidt tot passiviteit, stelde Gramsci. Ze overschat het belang van dwingende macht en onderschat de hegemonie, de culturele instemming met praktijken en opvattingen. Mensen geloven dat ze vrij en gelijk zijn in de kapitalistische staat. Dit vals bewustzijn wil Gramsci vervangen door een tegenhegemonie, ontwikkeld door praktische vormen van solidariteit in de arbeidersstrijd en een nieuwe ideologische theorie. Die dubbele beweging van praktijk en theorie moet vorm krijgen in een politiek project dat de arbeidersklasse emancipeert en bevrijdt van de uitbuiting. Zo zag Gramsci het bijna honderd jaar geleden, en Corijn zoekt naar een actueel links politiek project dat de tegenhegemonie kan verwerven. Het is een belangrijk thema in een tijd waarin rechts de hegemonie heeft via zowel het kosmopolitisch neoliberalisme als haar nationalistische tegenreactie. Als aanvulling op Corijns pleidooi formuleren wij enkele bedenkingen bij zijn boek om zo mee de zoektocht naar nieuwe praktijken en opvattingen een tegenhegemonie te stimuleren.   

Corijn neemt in zijn boek veel hooi op zijn vork en dat is jammer. Gramsci’s gedachtegoed geeft hij goed weer, maar hij bespreekt ook latere marxisten die door hem beïnvloed zijn. Bij elk van die volgelingen serveert hij de ideeën van hun voornaamste critici, veelal in hun eigen terminologie. Dit alles maakt de tekst moeilijk leesbaar. Komt daarbij dat Gramsci zijn centrale begrip hegemonie ontwikkelde in de erbarmelijke omstandigheden van een Italiaanse gevangenis waardoor zijn notities soms tegenstrijdig zijn. De actualiteit van Gramsci’s boodschap raakt zo ondergesneeuwd. De meester toont zich in de beperking, schreef Goethe, en Corijn had dat motto beter wat ernstiger genomen. Dan zouden minder lezers halfweg de lectuur van het boek afhaken en zou zijn boek over Gramsci een bredere verspreiding vinden.    

Om anno 2022 een tegenhegemonie op te bouwen zoekt Corijn inspiratie bij Laclau en Mouffe, twee volgelingen van Gramsci. Ze bieden een “model waar men mee loskomt van de vele impasses waarin de historische debatten verzand zijn” (pag. 161), schrijft Corijn terecht. Zij verwerpen “de communistische voorhoede als drager van de hegemonie” (pag. 150) en bieden inspiratie om de al te diepe kloof tussen het socialisme, de politieke ecologie en de nieuwe sociale bewegingen te dichten. Diversiteit krijgt zo zijn plaats in het nieuwe gemeenschappelijke links project, en dat is een goede zaak. Maar als Corijn het samen met Laclau en Mouffe heeft over “de openheid en de vloeibaarheid van het sociale, dat zelf ook bepaald wordt door de oneindigheid van taalspelen” (pag. 163) gaat hij toch wel heel sterk de postmoderne toer op. Een open politiek debat is belangrijk voor het ontwikkelen van een tegenhegemonie, maar oneindige taalspelen sluiten al te veel aan bij postmoderne vrijblijvendheid en onvoldoende bij Gramsci’s filosofie van de praxis, geworteld in verzet en strijd. Is “elke subjectpositie, ook die van de arbeidersklasse, het product van een narratief” (pag. 172)? Als mensen door armoede in opstand komen tegen het kapitalisme, is dat allereerst een zaak van materiële belangen waarvoor ze opkomen. Gedeelde verhalen zijn cruciaal voor de opbouw van een tegenhegemonie, maar hegemonie verwerven is meer dan “het opbouwen van een vertooggemeenschap” (pag. 161). Zo niet, dan zal Corijns politieke project blijven steken in postmodern gebabbel waarvan mensen zich zullen afkeren.     

Corijn blijft dromen van een éénheidsproject. Wij vinden ons helemaal terug in zinnen als “De herpolitisering moet… bestaan uit het samenbrengen van reëel bestaande praktijken en een tegenhegemonisch narratief” (pag. 211) en delen zijn pleidooi voor de verbondenheid van vele nieuwe sociale bewegingen, het socialisme en de politieke ecologie. Corijn stelt dat die laatste het meest beloftevol is om de leiding te nemen bij het opbouwen van een tegenhegemonie in onze tijd, maar de politieke ecologie biedt “geen totaalanalyse van de systemische crisissen” (pag. 206). In dezelfde lijn schrijft hij dat “de meervoudige en onherleidbare diversiteit van de hedendaagse sociale strijd elke grondslag voor een politieke verbeelding met één Subject en één verloop van dé Geschiedenis… en een Rationele ordening van tafel geveegd” heeft (pag. 130). Wij volgen hem hier niet meer. Een allesomvattende theorie die als richtlijn voor de praxis kan dienen, zal de diversiteit van de praxis ondergeschikt maken aan de theorie en is niet wenselijk. Sociale klassen, politieke partijen en zelfs gemeenschappen hoeven veelheid en diversiteit niet uit te sluiten, noch in theorie, noch in praktijk. Zo’n verbondenheid in diversiteit probeert ’t Uilekot in haar werking te realiseren en in een laatste alinea leggen wij het verband met Gramsci’s project.      

De vzw ’t Uilekot bouwt in praktijk met vele vrijwilligers aan een ecologische en solidaire samenleving en vindt haar theorie in een basistekst, gepubliceerd op haar website. Kritische rationaliteit staat hierin centraal omdat “elke mens met een zekere vorm van rationaliteit behept” is en omdat elke mens kritisch kan reflecteren over zijn praktijk. De nadruk op het belang van voedselproductie en de distributie van lokale landbouwproducten via de Eco & Fair winkel wijkt af van Gramsci’s marxistisch primaat van de industriële ontwikkeling, maar het aanbod van producten uit coöperatieven sluit dan weer helemaal aan bij zijn basis socialistisch project. Met het oog op de opbouw van een wereldwijde tegenhegemonie steunde ‘t Uilekot begin 21e eeuw volop de idee van participatieve democratie van het Wereld Sociaal Forum. Corijn heeft het jammer genoeg niet over dat belangrijke experiment. Ook de huidige geopolitieke verschuivingen ziet Corijn onvoldoende. Over enkele decennia mag je verwachten dat de Chinese communistisch partij de rechtse hegemonie van het kapitalistische Westen zal verdringen met een nieuwe hegemonie waar wij in ‘t Uilekot niet vrolijk van zouden worden. Hoe hiertegen een tegenhegemonie opbouwen, is een belangrijke vraag voor de volgende decennia. Het zou Gramsci’s geest die de fascisten van Mussolini in de gevangenis nooit klein kregen, anno 2022 eer betuigd hebben als Corijn zich hiermee meer ingelaten had. Het zou het grote belang van zijn thematiek gediend hebben.

Lieven Plouvier, Sophia De Wolf en Filip De Bodt

Een uitvoeriger bespreking van het Corijns boek door Sophia is te vinden op de site van het HVV (zie https://humanistischverbond.be/kritisch-lezen/760/gramsci-lezen-van-klassenstrijd-tot-woke).

Passie en liefde voor het boek. Van woensdag 27 april tot en met zondag 1 mei organiseert ’t Uilekot in samenwerking met vzw Climaxi het literair festival Boekmei.

Onder de noemer ‘Hoe is het nog met….?’ kan je naar 6 auteurslezingen komen kijken, is er een energiedebat, kan je deelnemen aan een masterclass energie, is er een een boekenmarkt en ter afsluiting een stomend poëtisch concert.

Programma:

Wo. 27.04, 11u: Peter Holvoet-Hanssen

Do. 28.04, 14u: Masterclass Energie met Aviel Verbruggen

Do. 28.04, 20u: Het grote energiedebat met Aviel Verbruggen, Dirk Knapen en Michel De Paepe

Vr. 29.04, 20u: Chris De Stoop

Za. 30.04, 20u: Johan de Boose & Pieterjan de Boose

Zo. 01.05, 13u – 21u: Slotdag Boekmei met Boekenmarkt, Peter Terrin, Pauline Coppens, Lara Taveirne en Noodzakelijk Kwaad

Op 14 maart 2019 sloot Pascal Verreth na een slepende ziekte voor de laatste keer zijn ogen. Wij herinneren hem als de rustige, sympathieke man die na één of ander concert bleef napraten en een paar dubbele Westmalles dronk in het café van ‘t Uilekot. Als lid van de boekenwerkgroep schreef hij in het Uilenbulletin elke maand over de nieuwe tweedehandsboeken. Pascal was ook één van de stuwende krachten achter Lezen in de Lente, het literair festival dat de boekenwerkgroep 15 jaar lang in Zuid-Oost-Vlaanderen organiseerde. Maar meer nog dan bij muziek of boeken lag zijn hart bij zijn doeken. Hij was een begenadigd schilder wiens schilderijen meermaals te zien waren op een tentoonstelling in ’t Uilekot (Herzele) of in De Fabriek (Sint-Lieven-Houtem). Vele van zijn doeken vonden zo de weg naar onze huizen.   

Begin maart 2022 brengt Sigrid Vandenbussche hulde aan haar overleden man in de tentoonstelling ‘P.A.S.C.A.L. – als ik mijn ogen sluit…’Zij wekt zo zijn liefde en die voor het schilderen terug tot leven. De expositie vindt plaats in de oude pastorie van Munte, gelegen op het Munteplein 6 te 9820 Merelbeke. Van zaterdag 5 maart tot en met zondag 13 maart is de tentoonstelling alle dagen open telkens van 14 uur tot 18 uur. Je krijgt er heel wat schilderijen te zien uit Pascals laatste periode, die het verdienen om te worden getoond. Sigrid smokkelt je mee naar zijn goed bewaarde schetsboeken, het sanctuarium van de kunstenaar. Zijn vriend David Slosse selecteerde er 20 portretten uit en schreef er gedichten bij. Dit geheel kan je ter plaatse beluisteren en bekijken. Dirk Pannier gaf alles mooi vorm en maakte er een stijlvolle bundel van. Tot slot kan je kennis maken met Willie. Dit vogeltje met hoogtevrees was ooit op weg om zich te nestelen in een kinderboek. Maar Willie vloog uit, zocht zijn eigen weg en dook op in uitnodigingskaarten, campagnes en huwelijksaankondigingen. Voor de gelegenheid schreef David het bijbehorende verhaal en werkte Dirk het geheel grafisch uit.

Op deze ode aan Pascals kunst kan ’t Uilekot niet ontbreken en Lieven Plouvier van de boekenwerkgroep confronteerde zich met het doek “Zuurstof” dat Pascal in het kader van Lezen aan de Lente 2010 schilderde. Het resultaat is de tekst ‘Ontwaken met “Zuurstof” van Pascal’ waarvan een gedrukte versie op de tentoonstelling te vinden zal zijn. “Zuurstof” is een typische Pascal. Steeds weer zette hij mensen op doek. Niet zomaar mensen, maar verscheurde zielen vol pijn, angst en eenzaamheid. Ook de twee figuren op “Zuurstof” vrezen iets onbestemds en vinden elkaar niet. Toch drukken ze ook nabijheid, ja zelfs medelijden, uit. Pascal wilde niet alleen de lelijkheid van de wereld met de schoonheid van zijn doeken tonen, maar biedt de kijker van zijn doeken letterlijk zuurstof aan. Hij wil ons als modern schilder wakker schudden uit de nachtmerrie van een vervreemd bestaan. Zelfs al bevatten zijn schilderijen geen uitdrukkelijke politieke boodschap, met zijn verbeelding wijst hij de weg naar een ander leven en verdiept zo de democratie. De twee wanhopige figuren op het doek “Zuurstof” die perplex voor zich uit staren, bevatten een maatschappelijke boodschap van hoop. Angst, misschien zelfs paniek, is wat ons te wachten staat als wij de klimaat- en biodiversiteitscrisis niet ernstig nemen, maar dit kan ons ook mobiliseren. Het op het doek uitgebeelde medelijden is een aanzet tot handelen dat de groeiende ongelijkheid ombuigt naar meer solidariteit. Met deze tekst over “Zuurstof” wil ’t Uilekot het engagement van Pascal in de boekenwerkgroep van het Uilekot eren. Daarom ook moet je begin maart zijn doeken gaan bekijken, om er zuurstof op te doen en om met een verrijkte blik op het leven uit Munte terug te keren.  

Enkele maanden voor zijn al te vroege dood schonk ik Pascal het boekje Oog en Geest[i] van de Franse filosoof Merleau-Ponty. Ik wilde ermee over zijn schilderkunst praten, maar een gesprek kwam er niet meer van. In onderstaande tekst reflecteer ik met het boek over Pascal Verreth zijn schilderij Zuurstof. Twee uitspraken zijn mijn leidraad. De ene is van Joris-Z-Helsen die in de inleiding van Hunkerbunker[ii], een boek met foto’s van Pascals schilderijen, schreef: “Hij denkt… gedachten van beeld en so(m)bere kleuren”. De andere is het antwoord op mijn vraag waarom hij schilderde: “Om de lelijkheid van onze wereld te tonen met de schoonheid van mijn doeken”. De lelijkheid, dat was voor hem een wereld waarin de angstige en vervreemde mens, opgesloten in een bunker, hunkert naar een beter leven. Het maatschappelijk engagement van de schilder moest voor Pascal die schonere en betere wereld dichterbij brengen. Zelf gaf hij dit vorm via de boekenwerkgroep van ’t Uilekot. In het schilderij Zuurstof ga ik ernaar op zoek, als postuum eerbetoon aan zijn schilderkunst.

Wanneer ik wakker word, zie ik Zuurstof aan de muur van mijn slaapkamer. Twee figuren in het midden van het doek trekken de aandacht. De eerste lijkt een kind op zijn rug liggend met opgetrokken knieën. Twee grote stippen – de ogen, twee puntjes – de neus, en een dikke kromme lijn – de mond, meer is het niet, maar opgevuld met tinten blauwgrijs toont het onmiskenbaar een gelaat vol angst. Ziet een ziek kind de dood onder ogen? Of heeft iets verschrikkelijks het teruggeworpen op zichzelf? Ik weet het niet. De tweede figuur van wie het gelaat meer details bevat, vlijt zich liggend tegen het kind. De ogen staren in het ijle en kruisen de blik van de andere figuur niet. Het haar wappert over het gezicht van het kind als een soort bescherming. Tegen wat? Iets onvoorstelbaars dat de grote broer of zus wil bezweren? Of iets ondraaglijks dat een mee-lijdende moeder wil afwenden? Ik weet het niet. De geschilderde ruimte versterkt de gevoelens van de twee figuren. Boven hen zie ik vele ruw aangebrachte dikke zwarte strepen, een razende storm als het ware. Onder hen iets dat lijkt op een deken dat de twee figuren bedekt en waarvan de witblauwe kleuren met geelgrijze tinten doen denken aan zeewater, woelig aan de kant van het kind, rustiger aan de andere kant. Het lijkt alsof alle uitwegen in hun leven versperd zijn en zij opgesloten zijn in zichzelf. Het doek is onmiskenbaar een Verreth, een figuratief schilderij dat bij de kijker intense gevoelens van verwarring oproept.

In Oog en geest reflecteert Merleau-Ponty, de filosoof van het niet-wetend weten, over de moderne schilderkunst die vanaf 1850 telkens weer onze blik verruimde. Tegen een dominante idee dat beeldend werk bekijken een nutteloze bezigheid is die zich in waanbeelden verliest, gaat Merleau-Ponty op zoek naar de zin van het zien. In zijn mooie boekje staat de volgende vraag centraal: ‘Wat is deze geheime kennis van de schilder, deze grondslag van de schilderkunst en misschien wel van alle cultuur?’ (pag. 18). Merleau-Ponty zoekt het antwoord in de bodem van onze zintuiglijke waarneming waaruit hij samen met de schilder niet alleen het zichtbare, maar ook het onzichtbare tot leven wil wekken. Een schilderij is voor hem een wapen tegen een kortzichtige geest die slechts één werkelijkheid kent. Zoals de moderne schilder met zijn penseel een doek vorm geeft, zo zet de filosoof Merleau-Ponty met zijn pen een tekst op papier in een poëtische beeldtaal waarin de lezer zich vele malen verliest, maar waaruit telkens weer nieuwe betekenissen opduiken.

In een eerste deel geef ik de inhoud van het boek Oog en geest weer. Vervolgens vul ik dat aan met bedenkingen over de maatschappelijke rol van de moderne kunstenaar om tenslotte, hiermee verrijkt, in het derde en laatste gedeelte terug te keren naar Pascals schilderij Zuurstof.

Oog en geest: het zien van de schilder als een bron van een cultuurkritiek

Oog en geest analyseert het fenomeen van het ‘zien’. Zien doe ik met mijn oog dat de aanwezige dingen in zijn blikveld altijd ziet vanuit een bepaalde plek. Het menselijk oog heeft nooit een alles overheersend perspectief, geen goddelijke blik. Als mijn oog de voorkant van een huis ziet, is de achterkant onzichtbaar. Mijn lichaam kan zich verplaatsen om de achterkant van het huis te zien, maar dan wordt de voorkant onzichtbaar. Het oog onthult altijd slechts een deel van de ruimte waarin ik leef en verhult een ander deel. Als ik mijn blik verplaats van de dingen naar mijn lichaam waartoe mijn oog behoort, dan dringt de beperktheid van het zien zich nog meer op. Een groot deel van mijn lichaam kan ik nooit zien, hoeveel ik mij ook verplaats. De twee polen van het zien – het oog dat dingen ziet en het lichaam waarmee ik zie – vormen samen het raadsel van het zien, aldus Merleau-Ponty. Ze overschrijden elkaars grenzen voortdurend bij het vormen van een ‘waar’neming. Het lichaam houdt met het oog de dingen in een cirkel om zich heen en ziet voorbij de ‘visuele gegevens’ uit op de wereld die het met zijn ogen bewoont. Het oog is het ‘venster van de ziel’ en stelt haar helderziendheid af op de dingen om de geest tot ‘voorwaardelijk denken’ te prikkelen. De geest kan zich losmaken van het oog en het lichaam, maar zo’n geest leert niets over de wereld van gevoelige, lichamelijke wezens, aldus Merleau-Ponty. Alleen vanuit een in tijd en ruimte gesitueerd lichaam kan de geest betekenis geven aan wat het met het oog ziet en beleeft. 

De moderne schilderkunst ontstond uit de verwondering over het raadsel van het zien, schrijft Merleau-Ponty. De moderne schilder aanvaardt alle problemen van het zien en reflecteert met zijn geest over wat zich in de grond van het zichtbare roert in zijn lichaam. Alles wat hij schildert, is een antwoord op de vraag van iemand die niet weet, maar het zichtbare aftast om tot weten te komen. De schilder leent zijn lichaam uit aan de buitenwereld om tot het hart van de dingen door te dringen en hun fantomen te vatten. Hij neemt de uiterlijke waarneming op in zijn binnenwereld, bewerkt deze en verrijkt ze met de bezieling van zijn innerlijk zien. Hij ziet terwijl hij schildert met zijn hele lichaam en verbeeldt zich met zijn bewustzijn wat aan zijn innerlijke zien ontbreekt om doek te worden. Hij denkt, zoals Cézanne zei, in schilderijen, en de lijnen, de ruimte, de kleuren, het licht en de schaduwen vloeien bij de geboorte van een doek samen in een nieuw beeld.
De kijker die met zijn blik ronddwaalt in een modern schilderij leent zijn ongeoefend oog dat niet weet, uit aan een schilder die geobsedeerd was door het raadsel van het zien. Hij ziet en denkt mee met de schilder, en het nieuwe beeld op het doek verbindt de schilder en de kijker in wat Merleau-Ponty de onbewuste ervaring van het ‘gedeelde zien van een tijdperk’ noemt. De westerse filosofie is dat gedeelde zien verloren, zo stelt Merleau-Ponty. Waarin dat verlies bestaat toont hij in zijn kritiek op de filosofie van Descartes (1596-1650). 

René Descartes kent de innerlijke bezieling van het zintuiglijke waarvan de schilder bezeten is, niet.   Hij gaat uit van een strikte scheiding tussen geest en lichaam. De geest ontdoet zich van de verwarde betrekkingen tussen het zien en het zichtbare, en zoekt louter en alleen met het denken naar zekere kennis van de wereld. Deze geest werkt niet actief in op de dingen die het oog en het lichaam waarnemen, maar registreert passief beelden van externe dingen die de cartesiaanse geest ordent in een vooraf geconstrueerde lege ruimte. Een ‘geest zonder lichaam’ ordent met de wiskunde deze beelden, bewerkt deze met zijn gedachten en voert allerlei experimenten uit op de mechanisch gedetermineerde ‘lichamen zonder geest’. De zo opgebouwde zekere kennis leert ons niets over de wereld die wij met onze ogen en ons ganse lichaam bewonen, schrijft Merleau-Ponty. Descartes wringt de ons omringende wereld in een lege meetkundige ruimte, bestaande uit drie rechthoekige assen waarin de dingen voor, na en naast elkaar geplaatst zijn.
De klassieke schilderkunst neemt deze lege ruimte als uitgangspunt en toont vanuit een gefixeerd perspectief een transparant beeld van een levenloze wereld waarin geen verborgen aanwezigheid bestaat. Hoe anders is de ruimte van de moderne schilderkunst. De picturale diepte is geen derde dimensie naast hoogte en breedte, maar de ervaring van de omkeerbare dimensies waarin alles tegelijk uitdrukt: daar is dát unieke ding. De ogen en het lichaam zijn geen receptoren van gedetermineerde externe lichamen in een lege ruimte, maar creëren samen met de geest een volle ruimte die niet los kan gezien worden van zijn inhoud. De moderne schilder denkt niet met zijn geest over kunst, maar zijn ogen en zijn hele lichaam denken door en met kunstwerken. Alle lijnen, alle kleuren, alle ruimte vloeien samen tot één geheel dat de volheid van de dingen in zich draagt en neerdaalt op de ruimte van het doek. Op Pascals doek Zuurstof nemen bijvoorbeeld de lijnen met de donkere en lichte kleuren de volledige ruimte in om niets anders uit te drukken dan de gemoedstoestand van de twee figuren. Merleau-Ponty kan zich niet voorstellen hoe een modern schilder die in de lege Cartesiaanse ruimte met zijn geest zonder lichaam dingen construeert en manipuleert, iets op doek zou kunnen zetten.

Geïnspireerd door de moderne schilderkunst breidt Merleau-Ponty zijn kritiek op Descartes die de vader van de moderne wetenschap genoemd wordt, uit tot een kritiek op de huidige wetenschappelijk-technologische cultuur waarin de cartesiaanse geest nog altijd ronddwaalt. Het mag dan waar zijn dat de wetenschap haar kennis niet meer ontfutselt aan een mechanisch gedetermineerde natuur zoals Descartes, maar weten wordt in onze tijd steeds meer gereduceerd tot meten. De wetenschapper construeert in zijn ivoren toren ‘uiterst’ bewerkte verschijnselen en kapitalisten stellen hem in functie van hun winst de technologische middelen ter beschikking waarmee hij de dingen manipuleert. Als wij blind blijven vertrouwen op deze imaginaire constructies van de geest en ons geen rekenschap geven van de ongrijpbare bron van de lichamelijke gewaarwordingen waaruit het denken voortkomt, dan treden wij ‘binnen in een cultuurstelsel waarin er van de mens en zijn geschiedenis niet langer iets waar of onwaar is, maar in een slaaptoestand of een nachtmerrie waarin niets hem [de mens] nog kan wekken’ (pag. 16) schreef Merleau-Ponty in 1960. De schilder die geen andere ‘techniek’ ter beschikking heeft dan zijn ogen en zijn lichaam, moet ons wakker schudden uit deze nachtmerrie en ons de weg wijzen naar een nieuwe vorm van weten. Hoe kan het weten van de moderne schilderkunst ons bevrijden uit de lelijke wereld van het kapitalisme met zijn wetenschappelijk-technologische cultuur? Hoe kan de schoonheid van haar doeken ons een nieuwe verbeelding schenken? Op deze vragen zoeken wij hierna een antwoord.    

Met de moderne kunst op zoek naar de verbeelding van een nieuwe cultuur

De klassieke of oude schilderkunst toonde ons in al haar schoonheid ware beelden van een onveranderlijke realiteit met een verborgen boodschap over wat mensen goed moesten vinden. Deze schone, ware en goede realiteit bestond op aarde, maar was slechts de afspiegeling van een goddelijke wereld waartoe wij via het geloof, de geest en de beeldende kunsten toegang kregen. Expressieve emoties zoals op Pascals doek Zuurstof waren des duivels. De uitbeelding van het lijden van Christus moest aanzetten tot nederigheid en onderwerping aan de bestaande realiteit.
Als Courbet en de impressionisten vanaf 1850 de oude schilderkunst de rug toekeren, dan treden zij met hun oog en lichaam de ons omringende zintuiglijke werkelijkheid actief tegemoet om telkens weer nieuwe beelden op doek te zetten. Zij zien met hun oog en geest om zich heen geen mooie, ware en goede realiteit waaraan mensen zich moeten onderwerpen, maar een lelijke wereld van angst en lijden en worstelen daarmee als mens en kunstenaar. De linkse kunstkritiek die Pascal maar al te goed kende, werkte dit uit en ontmaskerde de doeken van de klassieke schilderkunst als beelden van een klassenmaatschappij.

Op één van onze vele treintrajecten na het werk op weg van Brussel naar huis sprak ik Pascal eens vol enthousiasme over de memorabele BBC-uitzendingen ‘Ways of seeing die ik op YouTube bekeek. John Berger was de regisseur en schreef er ook een boek[iii] over. Ik wist dat Pascal hield van zijn romans over de teloorgang van het boerenleven in de Franse Alpen, maar hij kende de reeks waarin de ideologische wortels van het kunstwereldje blootgelegd werden, niet. Berger toonde hoe de klassieke schilders de macht van de adel en de koningen met hun eigendommen en hun mooie vrouw als kroonjuweel uitbeeldden. Oude kunstenaars zoals Caravaggio of Rembrandt die een andere wereld toonden en die wij nu sterk waarderen, werden systematisch gemarginaliseerd en stierven in bittere armoede. Voor Berger ontsnappen de moderne kunstenaars niet aan marginalisering. De door de reclame voorgeschotelde schoonheidsidealen werken door in de moderne beeldvorming en kunstenaars staan onder de invloed van de ideologie van de markt. Kunstgalerijen en de grote veilinghuizen reduceren kunstwerken tot een verkoopbaar product voor de rijke toplaag. Toen Pascal de BBC-reeks bekeken had, zei hij mij dat de inhoud hem welbekend was en dat een modern kunstenaar zich hoe dan ook verzet tegen de commercialisering van de kunst. Hoe begrijp ik dit nu? De moderne schilder werkt niet voor de rijke kapitalistische bovenlaag en beperkt zijn verbeelding niet tot de wetenschappelijk-technologische cultuur. Hij breekt met hun kijkgewoonten, en beeldt aan de rand ervan met een veelheid van lijnen, kleuren en vormen zijn eigen utopie uit. Zijn geest rammelt met de beelden die het oog en het lichaam zien om – in de lijn van Kants principe ‘durf te denken’ – zijn sublieme visioen op doek te stellen. En ook al bestempelen velen zijn werk als zotte toeren van een rare snuiter, voor hem is het herscholen van onze blik in een verloederde, lelijke wereld een politieke daad. Wij kunnen ervan leren. De vele wijzen van het in beeld brengen van het andere dat de kern van de moderne kunst uitmaakt, sluit aan bij het democratische ideaal. De veelheid aan standpunten in het publieke debat behoort tot de kern van de politieke democratie. Niet voor niets zet de moderne democratie zich vanaf 1850 samen met de moderne schilderkunst door.

Moderne kunst stimuleert het kritisch denken in de publieke sfeer. Als Picasso de kernelementen van de oude schilderkunst – een gefixeerd perspectief, emotionele afstand en idealisering van het bestaande – op de schop gooit, dan is dat niet alleen een kritiek op de westerse kunstgeschiedenis, maar ook een pleidooi voor een nieuw denken en een nieuwe wereld. Moderne kunst toont ons dat er niet één richting is die ons leven uitgaat, maar een veelheid aan wegen die tot uitdrukking komen in de vele tegenstrijdige richtingen en stijlen van de moderne kunst. De erin uitgebeelde gedachten blijven altijd fragmentarisch zoals ook het leven steeds ambivalent en dubbelzinnig is. Wij spraken reeds van het raadselkarakter van de kunst. Het denken moet het raadsel niet oplossen zoals de kunstexperts met hun soms onverstaanbaar gewauwel doen. Noch de kunstenaars, noch de kijkers hebben daar een boodschap aan. Wij moeten het raadsel als raadsel behouden, maar het naar de publieke sfeer brengen want in de openbaarheid zal het fragmentarische karakter van kunst steeds weer uitnodigen tot discussie. De manier waarop de kunstenaar de zintuiglijk ervaren ruimte herdefinieert met zijn beelden, verdiept de maatschappelijke ervaring en dit raakt aan de kern van de democratische politiek.

Een democratisch politicus die instemming probeert te krijgen voor zijn ideeën, appelleert aan het verbeeldingsvermogen van zijn publiek. Als hij een beeld schetst van een schonere en betere wereld, dan is dat geen ingebeelde weergave van een bestaande realiteit die waar, goed en schoon is, maar de plastische uitbeelding van een niet-bestaande, maar mogelijke realiteit die hij gerealiseerd wil zien. Met andere woorden hij stelt zich niet in de traditie van de oude kunst, maar wil zoals de moderne schilderkunst nieuwe wegen bewandelen. En omgekeerd verrijkt de moderne kunstenaar ons inbeeldingsvermogen telkens weer, ongeacht of hij een politieke boodschap brengt. Door ons inbeeldingsvermogen, zowel zintuiglijk als intellectueel, te verrijken met zijn beelden, verdiept hij de democratie. Vaak toont de moderne kunstenaar iets dat wij op het eerste zicht reeds weten, maar door zijn doek steeds weer opnieuw te bekijken, zien wij vaak in dat wij niet begrijpen wat wij weten. So(m)bere of schokkende beelden doen ons inzien wat wij reeds lang weten, maar voordien nooit echt begrepen. Als wij ons nadien van het doek naar de publieke ruimte toewenden, heeft het schilderij ons inbeeldingsvermogen uitgebreid. Daarom moeten wij steeds weer schilderijen bekijken, moeten wij erover spreken in het publieke debat en heeft de democratie nood aan kunst.

‘Zuurstof’ als uitdrukking van een nieuwe sociale en ecologische verbeelding

Verrijkt met het inzicht in de rol van de moderne kunst en de filosofie van Merleau-Ponty bij de vorming van een nieuwe democratische verbeelding, breng ik tot slot als wakkere burger het schilderij van Pascal vanuit mijn slaapkamer naar de publieke ruimte.

Zuurstof’ toont ons twee figuren die geen uitweg meer lijken te zien in de situatie en perplex voor zich uit staren. Het is een terugkerend thema in het oeuvre van Pascal. Mensen die in het ijle kijken, zich afvragend wat hen overkomen is en wat zij zichzelf of anderen aangedaan hebben. Een stilstaand moment waarin iemand overrompeld is door zijn emoties en (nog) niet aan handelen toekomt. Zo ook drukken de twee figuren op het doek in mijn slaapkamer een emotie uit die ik verder wil uitdiepen in het licht van twee thema’s die belangrijk zijn voor het huidige publieke debat. Of Pascal met de emoties op zijn doek die thema’s wilde aanraken, is niet mijn punt. Ik laat het graag aan de kunstexperts over om de ware bedoeling van de kunstenaar bloot te leggen. Elke kijker ziet iets anders in de magische, raadselachtige wereld die een schilderij oproept. En zoals het doek tijdens het schilderen met Pascals oog en geest op de loop ging, zo ook laat ik het met mij aan de haal gaan.

Het gelaat van de eerste figuur, het kind, drukt één en al angst uit alsof het iets verschrikkelijks gezien heeft, schreef ik eerder. In de voorbije decennia werden wij om de oren geslagen met de uitspraak dat angst een slechte raadgever was, iets voor bange blanke mannen die zich terugtrekken in hun bekrompen kleine kring. Het heeft Pascal er niet van weerhouden om telkens weer doeken te schilderen met mensen vol existentiële angst, precies alsof hij beter wist. Als het Coronavirus ons iets geleerd heeft, dan is het dat wij angst, ja doodsangst, best ernstig nemen, en dat wij onze vrijheden en zorgeloosheid best nu en dan wat opzij zetten. Angst wordt straks ongetwijfeld ook een goede raadgever om de dramatische gevolgen van de klimaatcrisis onder ogen te zien. Wij allen weten hoe erg het is, maar weinigen zien het erge van de situatie in. Het moment dat wij geen uitweg meer zullen zien, in het ijle zullen kijken, ons afvragend wat wij onszelf aangedaan hebben, komt er met rasse schreden aan. De moderne kunstenaar die de ecologische crisis met zijn verbeelding wil uitbeelden, staat voor een bijna onmenselijke opdracht. De opwarming van de aarde zien wij niet, en de schilder die dit wil uitbeelden, moet met zijn geest als het ware het onzichtbare zichtbaar maken. Zijn opdracht lijkt nog moeilijker dan die van Picasso of Cézanne die bij het verruimen van onze verbeelding in het begin van de 20e eeuw het zichtbare in hun visioen verrijkten met het onzichtbare. Maar die taak van de schilder is niet moeilijker dan die van democratische politicus die ook het onvoorstelbare voorstelbaar moet maken in het besef dat de natuur ons, mensen, met steeds meer geweld met onze voeten op de aarde zal zetten.

De tweede figuur toont ons het medelijden met de angst van de ander. Hij wil de pijn, het lijden verzachten maar lijkt geen uitweg te zien. Wat is medelijden? ‘Mee lijden’ voelt iemand die aangesproken wordt door het lijden/de pijn van een ander. Hij voelt de pijn van de ander niet zelf, maar is er wel spontaan op gericht, versmelt zich als het ware ermee. Men kan zich met de rede of de wil van dit spontane medelijden afsluiten, zeer zeker. De neoliberale ideologie voor wie de mens een autonoom en vrij individu is, ontkent deze spontane vereenzelviging met de ander. Zuurstof toont die juist wel, en herinnert ons eraan dat iedereen fysisch of mentaal kan lijden en dat niemand zich eraan kan onttrekken. Het medelijden met de angstige eerste figuur appelleert ons ook aan de mogelijke nabijheid van de dood als iets dat nog hartverscheurender is dan het lijden zelf. Het werpt ons machteloos terug op onszelf, maar drijft ons ook naar elkaar toe. Daarom identificeren wij ons met de ander, en zijn doodsangst en medelijden de fundamenten van onze moraal. Ze volstaan op zich niet om onze pijn of het lijden op te heffen. Daarvoor moeten wij een stap verder gaan, onze morele en politieke verantwoordelijkheid opnemen en samen solidair handelen. En daartoe roept de tweede figuur die op het doek vertederd tegen het angstige kind aanligt, ons ook op.

Zuurstof biedt ons met de twee wanhopige figuren in al zijn schoonheid troost. Het zet ons aan om voor elkaar te zorgen en doorheen ons moreel en politiek handelen nieuwe vormen van solidariteit te smeden die een dam opwerpen tegen de pijn en het lijden. Dan wordt de wanhoop en de lelijkheid die wij met ons oog en onze geest waarnemen op het so(m)bere doek, in al zijn schoonheid een bron van hoop. Thijs Lijsters citeert in een recent boek[iv] de Amerikaanse kunstcriticus Thomas B. Hess die schreef ‘it takes years to look at a picture’ en ik kan dit slechts beamen. Na jarenlang elke morgen het schilderij van Pascal bekeken te hebben, is het voor mij in al zijn schoonheid een toeverlaat tegen een lelijke wereld vol milieuverloedering en ongelijkheid. Pascal heeft er met zijn ecologische en sociale verbeelding de hoop op een andere wereld in gelegd en dat geeft mij zuurstof, elke dag opnieuw.

Lieven Plouvier
januari 2022


[i] Merleau-Ponty, Maurice, Oog en geest, Parresia, Amsterdam, 2012 (vertaling van L’oeil et l’esprit, 1960)

[ii] Verreth Pascal, Slosse David & De Backere Willy, Hunkerbunker, Melle, 2007

[iii] Berger, John, Ways of Seeing, Penguin, London, 1972

[iv] Lijsters, Thijs, Kijken, proeven, denken. Essays over kunst, kritiek en filosofie, De Bezige Bij, Meppel, 2019  

De klus is geklaard! Duizendhonderd pagina’s economische geschiedenis zijn zowel met liefde als met haat doorworsteld. Dat ging de ene moment bijgevolg vlotter dan de andere. Had Piketty, de Franse econoom die wereldwijde bekendheid verwierf met zijn ‘Kapitaal in de 21ste Eeuw’, het wat beknopter moeten houden? Ja en nee.

Ja, omdat zijn historische analyse met het oog op het beter begrijpen van meer recentere ontwikkelingen zodanig gedetailleerd is dat sommige lezers zonder twijfel grote stukken zullen overslaan. In zijn inleiding haalt hij zélf dat gevaar aan, hij vraagt om chronologisch te lezen en niet enkel zijn conclusies bij de verschillende hoofdstukken door te nemen. Meermaals heb ik zelfs de indruk dat ik een handboek voor studenten in handen heb, zo uitgebreid is zijn betoog. De auteur herhaalt bovendien meermaals reeds eerder in zijn boek beschreven vaststellingen, alsof hij zeker wil zijn dat het goed wordt ingeprent. Tabellen en voetnoten besliste ik al snel gewoon over te slaan. Om die óók nog vrijwillig te bestuderen en te lezen, daar is het leven toch wel veel te kort voor.

Neen, omdat de uitgave een lawine aan intrigerende info en verduidelijking bevat over verleden en heden. Hij laveert uitgebreid via economie en geschiedenis, slaat regelmatig een zijweg in naar de literatuur, sociologie en filosofie. Wat tot gevolg heeft dat je op sommige momenten hevig in het boek getrokken wordt en ontzettend veel interessante achtergrondkennis opdoet over maatschappelijke mechanismen. Het boek is dus het ene moment gortdroog, dan weer meeslepend. Achterflapteksten strijden nogal eens naar de eerste prijs bewieroking. Feit is dat die positieve commentaren er wel degelijk zijn. Ongetwijfeld zijn er ook andere. Die de flap natuurlijk niét halen. Wie koopt het, wie leest het, wie worstelt zich hier doorheen? Dat vraag ik me aanvankelijk meermaals af. Maar ik ondervind al snel dat hoe meer ik vorder in het boek, hoe interessanter ik het begin te vinden. Al zijn er, eerlijk toegegeven, eveneens een aantal paragrafen die mijn herhaaldelijk rechtgezette pet te boven gaan.

Heel tof voor de literatuurliefhebbers én een noodzakelijke frisheid in de eerste twee delen is dat Piketty een aantal klassiekers connecteert aan de tijd waarvan ze een weerslag zijn. Overbekende werken van onder andere Jane Austen en Honoré de Balzac worden op die manier in hun historische context geplaatst en dat geeft deze een extra dimensie. Tijdens het lezen van die passages dringt de vraag zich op of ik niet beter voorrang zou geven aan die romans zélf. De boeken die ik al las, moet ik dan misschien zelfs eens herlezen. Ongetwijfeld ‘lees’ ik ze anders. Het letterlijk en figuurlijk zware boek goed doorploeteren vraagt tijd, en het schrijven ervan moet een monnikenwerk geweest zijn. Piketty splitst zijn werk op in vier delen.

Hij start met het schetsen van de inegalitaire stelsels uit de geschiedenis, met name de standenmaatschappijen en de bezitterssamenlevingen (19de eeuw) en laat tal van historische ontwikkelingen in verschillende landen de revue passeren – ontwikkelingen die te maken hebben met de hardnekkige structuur van diverse vormen van ongelijkheid. De hyper-inegalitaire samenlevingen van de voorbije drie eeuwen kunnen niet zomaar terzijde worden geschoven als een oude, voorbije wereld, er zijn tal van raakpunten die van wezenlijk belang zijn om de huidige wereld te begrijpen.

In deel twee doet Piketty minutieus uit de doeken hoe de slavenstaten, koloniale samenlevingen en de standenmaatschappijen een zware erfenis van ongelijkheid nalieten. Heiligverklaring van privébezit had zelfs tot gevolg dat bij de afschaffing van de slavernij in de VS de bevrijde slaven hun vroegere eigenaars letterlijk een hoge tol moesten betalen voor hun vrijheid. Voor president Jefferson kon er enkel sprake zijn van vrijmaking wanneer de eigenaars daarbovenop nog een billijke staatsvergoeding kregen, ze waren immers hun werkkrachten kwijt. Wat het bewijs is van een doordrongen respect voor propriëtarisme. De slaven schadeloos stellen als compensatie voor het hun aangedane onrecht, niemand vond het nuttig of nodig.

In deel drie analyseert de auteur hoe de sociale ongelijkheid in de twintigste eeuw ingrijpend veranderde, aanvankelijk in de goede richting. De eeuw laat hij beginnen bij de aanslag in Sarajevo op 28 juni 1914 en eindigen bij de aanslagen in New York op 11 september 2001. Kenmerkend voor dat tijdperk is de hoop op een rechtvaardiger wereld, een samenleving met sociale gelijkheid én het voornemen om de oude, inegalitaire regimes radicaal om te vormen. De twintigste eeuw wordt na de twee grote conflicten vooral gekenmerkt door de contacten tussen samenlevingen en culturen die elkaar voordien bijna volledig negeerden en voornamelijk communiceerden via interstatelijke relaties en militaire overheersing. Het laissez-faire raakt in diskrediet en de overheidsbemoeienis stijgt. Na de ‘Trente Glorieuses’ (1950-1980) groeit de ongelijkheid echter opnieuw. Het aantal belastingparadijzen stijgt terwijl politieke wil tot transparantie ontbreekt. Sedertdien ondergraaft  vermogensconcentratie en een ondemocratische spreiding van de rijkdom de samenleving. En waarschuwt Piketty dat dat wel eens gevaarlijk zou kunnen zijn. Antidemocratische keuzes blokkeren de totstandkoming van ambitieuze internationale politieke programma’s om meer gelijkheid te bewerkstelligen. Zo worden in zowel de postcommunistische als kapitalistische landen de mislukkingen van het communisme regelmatig aangegrepen om bij voorbaat elk ambitieus herverdelingsproject in de kiem te smoren.

Ook de EU kent geen prioriteit toe aan de strijd voor fiscale rechtvaardigheid en hogere belastingen voor dominante spelers. Piketty vindt dit riskant. Die koers geeft brandstof aan een diep anti-Europees sentiment onder de lagere en middenklasse waardoor het mensen in de armen van nationalistische, nativistische en identitaire bewegingen duwt. Hij stelt de pertinente vraag waarom de EU een gezamenlijke munt en de ECB wist te bewerkstellingen, maar geen gezamenlijke fiscale constructie om belastingen te heffen inrichtte. Het antwoord is niet moeilijk te vinden. De afzonderlijke landen willen de concurrentiepositie behouden en bijgevolg ook de grote bedrijven in eigen land houden of er naartoe lokken met alsmaar lagere winstbelastingen.

Wat de auteur vertelt zal voor velen niet nieuw zijn – het autoritaire liberalisme à la Friedrich Hayek is bijna dagelijks onderwerp van vele artikels en opinies. Anderen zal het regelmatig de ogen openen. Piketty hamert herhaaldelijk op de oorzaken en de gevolgen van ongelijkheid, focust op de hardnekkige mechanismen die een uitweg uit de impasse verhinderen en wijst op het kortzichtig eigenbelang van elites met een meritocratisch discours. Piketty is een Franse burger, casus Frankrijk komt dus uitgebreid in zijn vizier. Ook om zijn punt te maken dat als het vraagstuk van die ongelijkheid niet ernstig genomen wordt, eveneens het klimaatbeleid door wijdverbreid onbegrip en protest geblokkeerd wordt. En kan dat ook anders wanneer de Franse regering forse verhogingen van de CO²-belastingen doorvoert op benzine, maar een uitzondering maakt voor kerosine?

De grote en tegelijk ontnuchterende conclusie van de econoom (doorheen het hele boek) is dat de meeste politiek-ideologische constructies hebben laten zien dat sociale ongelijkheid nooit iets ‘natuurlijks’ had en dat nog altijd niet heeft: ze zijn net een gevolg van die politiek en ideologie. Politieke elites maken keuzes en die zijn altijd wel in iemands belang. Eén keer raden in wiens belang…

Vanaf de jaren 1990 stak een grenzeloos geloof in de zelfregulering van de markt en het privébezit de kop op. Zowel de Amerikaanse Democraten als de Europese socialisten stopten van dan af grotendeels met nadenken over de indamming van het kapitalisme of over alternatieven ervoor. Thomas Piketty zal deze recensie niet lezen, dus even onder ons: indien uw eventuele interesse niet langer tegen te houden is, laat de eerste twee delen voor wat ze zijn of lees enkel de conclusie en concentreer u meteen op de laatste twee hoofdstukken. Die bieden een helder en boeiend overzicht op een eeuw Amerikaanse, (Oost-)Europese en Aziatische politieke geschiedenis, haar electorale systemen en de opvallend gelijklopende tendensen – van het Reaganisme tot gele hesjes, via de Brexit tot Beppe Grillo, van Poetin tot Bolsonaro. Ook laat de auteur in dit lijvig werk de lezer kennismaken met ‘brahmaans links’, een term om uit te leggen hoe vanaf 1990 de hoger opgeleide kiezers via de ‘opleidingslijn’ naar de andere politieke zijde verhuisden, meer bepaald de linkerzijde die door de zich in de steek gelaten voelende kiezer met lagere of geen diploma’s verlaten werd in het voordeel van nativistische partijen. Het op een traditionele klassenscheidingslijn gebaseerde, naoorlogse links-rechtspartijensysteem maakte geleidelijk plaats voor een systeem van meerdere elites, waarin brahmaans links de hoger opgeleiden aantrok en zakelijk rechts de mensen met de hoogste inkomens en vermogens.

In het vierde deel neemt Piketty eerst nog een lange aanloop om uiteindelijk in het laatste hoofdstuk met de beloofde voorstellen tot oplossingen- een aantal zijn niet nieuw – wat betreft de onrechtvaardigheden te komen. Hij stelt zich hierbij terughoudend op, maar biedt niettemin uiterst steekhoudende (veelal dus reeds gekende) alternatieven voor de huidige scheeflopende gang van zaken. Oplossingen waarbij de nuchtere lezer met voorkeur voor rechtvaardigheid ongetwijfeld ja-knikkend verder leest en zich afvraagt waarom het nog geen werkelijkheid is. Volgens de econoom moeten we weg van een wijdverbreide nationalistische trend waarin landen zich in isolement binnen de grenzen van eigen staat en identiteit terugtrekken en in de plaats daarvan evolueren richting sociaal-federalisme op mondiaal niveau. Hij geeft toe dat dit laatste een ideaalbeeld is, maar het positieve is dat een waaier aan tussenvormen mogelijk is. Progressieve vermogen- en inkomstenbelasting, gelijke opleidingskansen door toegankelijk onderwijs voor iedereen, eerlijke partijfinanciering, inperking van de macht van aandeelhouders, transnationale fiscale rechtvaardigheid met gemeenschappelijke heffingen voor de hoogste inkomens en vermogens én voor multinationals, paal en perk stellen aan belastingparadijzen en offshoreconstructies. Een nieuw soort globalisering, gebaseerd op verdragen van gemeenschappelijke ontwikkeling met als doel sociale, fiscale en ecologische rechtvaardigheid.

Piketty demonstreert met cijfers dat elke vorm van ambitieus beleid qua herverdeling en bestrijding van ongelijkheid verwaarloosd of – vooral – genegeerd wordt. Waardoor structurele veranderingen voorlopig utopie zijn. Daarom dat de auteur – die meegeeft dat door zijn studie van historische bronnen zijn opvattingen minder liberaal en meer socialistisch zijn geworden – zijn boek eindigt met de oproep om mee te denken, om een breed maatschappelijk debat, steunend op argumenten, ideeën en ervaringen, te openen. Het maakt hem niet uit of de lezer het eens is met zijn conclusie, hij wil de discussie aanzwengelen. Of wil althans met dit boek de historische en economische kennis ervoor verspreiden. Hier en daar blijkt tussen de regels dat Piketty niet overwegend pessimistisch is. Tijdens zijn onderzoekwerk voor het boek merkte hij dat net in crisismomenten telkens gegrabbeld wordt in de vergaarbakken van ideeën van de intellectuele lange termijnontwikkelingen, weg van de korte termijnlogica.

Had ik met deze recensie – net als Piketty met zijn boek – bondiger moeten zijn? Ja en neen. Ja, omdat er ongetwijfeld ondertussen al lezers afgehaakt hebben wegens te lang en te droog en omdat ik zelf weet dat dergelijke uitgebreide exposés niet gelezen worden, ook soms door mij niet – ook al ben ik een veellezer. Neen, omdat ik niet anders beoogde dan de belangrijkste wetenswaardigheden meegeven. Het allernoodzakelijkste, zodat, wanneer dit boek niet gelezen wordt, het aantal volhouders die tot hier zijn geraakt, toch gebriefd zijn.

Heb ik voor mezelf mijn tijd nuttig gebruikt? Had ik beter een paar romans gelezen? Persoonlijk weet ik dat hoe verder ik vorderde in ‘Kapitaal en ideologie’, hoe duidelijker het werd dat ik de actualiteit beter en minder naïef zal kunnen volgen. Dit leidde echter ook tot het stijgen van het aantal desillusies. Feit is wel dat ik onmiskenbaar veel feitenkennis heb verworven, antwoorden heb gekregen op vragen die ik me al lang stelde, mijn blik heb verruimd en beter geïnformeerd ben. En ook beseft heb dat de geschiedenis zich misschien niet herhaalt, maar toch opmerkelijk veel gelijklopende evoluties kent waar uit te leren valt. Net zoals uit dit boek, dat blijvend kan dienen als een soort naslagwerk.

Ja! Die duizendhonderd pagina’s geduldig doorploegen was het waard. Achteraf gezien althans toch…

Sophia De Wolf

Uitgeverij De Geus, 2020

Tweede wereldoorlog 1940-1945

Met 630.000 kijkers voor de TV-reeks ‘Kinderen van de collaboratie’ en meer dan 400.000 voor de documentaires over de holocaust kan het aandeel van het oorlogsgebeuren in het collectieve geheugen van Vlaanderen moeilijk overschat worden. Dat het boek van Björn Rzoska na 20 jaar aan een tweede druk toe was (net zoals het standaardwerk van Luc Huysse en Steven Dhondt) ligt in diezelfde lijn. Dat dit verleden nog steeds niet is verwerkt is een thesis die in beide werken over collaboratie en repressie unisono wordt beleden.

Het hechteniskamp in Lokeren

Het  kamp te Lokeren, gebouwd voor  de toekomstige Engelse krijgsgevangenen,  werd na de bezetting  omgevormd tot het grootste interneringskamp van België. Verdachten van collaboratie werden er samengepropt op een terrein van 264 are in 15  houten barakken in afwachting van hun proces. Op het hoogtepunt verbleven er  zowat 5000 gedetineerden, 350 per barak  terwijl die oorspronkelijk voorzien waren voor slechts 150 personen. Ca. 20.000 gedetineerden passeerden er in de periode van september 1944 tot oktober 1947, de ene al langer dan de andere, van één maand of enkele maanden tot enkele jaren…). Niet verwonderlijk dat het hechteniskamp van Lokeren een van de belangrijke herinneringsplaatsen van de repressie is geworden. Hygiëne en voedselbevoorrading lieten te wensen over. De toestand werd zo schrijnend dat er in augustus 1945 een heuse opstand plaatsvond.

Het boek verhaalt op boeiende wijze het dagelijkse kampleven maar beperkt er zich niet toe. Het is tevens  een stevig wetenschappelijk dossier geworden op basis van eigen onderzoek. In de tweede druk die bijna 20 jaar na de eerste druk (1999) het leven zag verwerkt hij nieuwe inzichten die het wetenschappelijk onderzoek over collaboratie en repressie de laatste 20 jaar heeft opgeleverd. Prof. Bruno De Wever (broer van …) die destijds de promotor was van zijn licentiaatsverhandeling (thans heet dat ‘masterproef’) schreef het voorwoord. Dit feit op zich zegt al heel wat over het niveau  van het boek.

“Onverwerkt verleden: collaboratie en repressie in België 1942 – 1952” is het boek van Luc Huysse en Steven Dhondt. Zowat iedereen is het erover eens dat dit hét standaardwerk is  over de problematiek van collaboratie en repressie tijdens en na de tweede wereldoorlog. Het werd gepubliceerd in 1991 en  kreeg bijzonder lovende kritiek van historicus… Bart De Wever, toen weliswaar dertig jaar jonger.  Of politicus Bart De Wever dit vandaag nog zou herhalen is maar zeer de vraag.

Deze lijvige studie van zowat 400 blz. kreeg onlangs eveneens een heruitgave en ook dit werk werd aangevuld met recente nieuwe inzichten. Die werden  verkregen na het openstellen van de archieven van het krijgsauditoraat. Deze nieuwe inzichten werden aangebracht door Koen Aerts, Pieter Lagrou en… jawel, Bruno De Wever.

Meten is weten

Wars van alle vooroordelen hebben zowel Rzoska als Huysse zich gebaseerd op koude cijfers en daaruit conclusies getrokken. En die conclusies kunnen wel eens haaks staan op de beeldvorming die in bepaalde middens nog steeds wordt gekoesterd. De rechtstreekse getuigen zijn zo goed als verdwenen, maar de ervaringen van de ouders leven op heel uiteenlopende manieren door in hun kinderen.

Een voorbeeld. De bevolking van het hechteniskamp in Lokeren zou volgens getuigenissen van oud-gevangenen bestaan hebben uit 80% intellectuelen. Er werd met enige zelfspot gesproken over de Universiteit van Lokeren. In zijn notities stelt de auteur Filip De Pillecyn, zelf een kampgevangene, dat in zijn eigen barak 85% van de gedetineerden alleen maar lager onderwijs had gevolgd.

Het wetenschappelijk onderzoek van Rzoska geeft een gedetailleerder beeld:

37.7 % zijn arbeiders

33.3 % behoort tot de middenklasse: kleine zelfstandigen, landbouwers en ambachtslui

12,5 % bestaat uit lagere ambtenaren en bedienden

12.5 % zijn hogere ambtenaren en bedienden op bestuursniveau, ondernemers en vrije beroepen

04.0 % varia

Onderwijzers zitten in de categorie hogere ambtenaren. Zij waren prominent aanwezig!

Meten is weten: 82.5 % van de Lokerse gedetineerden waren geen intellectuelen.

Zo zijn er heel wat beweringen die het wetenschappelijke onderzoek niet overleven en moeten geklasseerd worden als ‘mythe’. In de jeugdbeweging van 50/60 jaar geleden, meer bepaald KSA, geloofden wij dat collaborateurs naar het Oostfront waren getrokken om er in dienst van de nazi’s te gaan vechten tegen het goddeloze communisme, hierbij aangespoord door priesters en paters. Die idealisten waren er beslist maar de beeldvorming die ons werd opgedrongen maakte dat zij het representatieve gezicht werden van ‘dé Oostfrontstrijders’. De werkelijkheid zag er anders uit!

In de rangen van de Oostfrontstrijders zaten uiteraard ook avonturiers, misdadigers die hun straf wilden ontvluchten, Vlaamse en Waalse werkwilligen die in Duitsland verplicht werden ‘vrijwillig’ dienst te nemen en collaborateurs die de onzekere toekomst van het Duitse offensief aan het Oostfront verkozen boven het lot dat hen te wachten stond bij de bevrijding nu de geallieerde legers snel naderden.

Nog meer cijfers

Vanuit Londen en vanaf december 1942 bereidde de regering  o.l.v.  de eerste Minister Pierlot in diverse besluitwetten de naoorlogse overheidsrepressie van collaborateurs voor. Walter Ganshof Van der Meersch, de auditeur-generaal speelde een grote rol in de totstandkoming van deze wetgeving en van haar toepassing na de bevrijding. Na het beëindigen van de oorlog  werden liefst 405.493 dossiers aangelegd tegen ‘incivieken’ (politieke delinquenten uit de Tweede Wereldoorlog). Van dit astronomisch getal gaven ‘slechts’ 57.254 dossiers aanleiding tot effectieve vervolging. 53.005 veroordelingen werden uitgesproken.

De uitgesproken straffen bestonden voor 60% uit correctionele straffen van minder dan 5 jaar hechtenis en voor 40% uit criminele straffen van minimum 5 jaar waaronder 2940 doodstraffen. Er werden 242 effectieve terechtstellingen effectief uitgevoerd. De executie van parlementslid (Katholieke Partij) Leo Vindevogel, tevens oorlogsburgemeester van Ronse, bracht heel wat beroering in de regio.

Van de 53.005 veroordeelden waren  er:

31.861 militaire collaborateurs (wapendragers: Waffen SS, Vlaams Legioen,…)

16.305 paramilitaire collaborateurs (Fabriekswacht,…)

Politieke collaborateurs waren bvb leden van VNV, van Rex…, ideologische aanhangers van de Nieuwe Orde.

Burgerlijke epuratie omvatte het verlies van burgerrechten, o.m. het actief en passief stemrecht, het verbod om bepaalde beroepen uit te oefenen zoals advocaat, journalist, priester,…

Administratieve zuiveringen betekenden het ontslag uit hun ambt van het politiek personeel en de  ambtenaren tijdens de bezetting  het ontslag.

Weigering van het toekennen van het bewijs van burgertrouw maakte bvb inschrijving in het handelsregister onmogelijk of bezwaarde het kandideren voor een job  waar vaak dit bewijs een toelatingsvoorwaarde was.

Deze straffen troffen niet alleen de collaborateurs maar vaak ook hun gezin en familie die als paria’s in de armoede belandden. Daarnaast was er ook nog een arsenaal aan andere of bijkomende straffen zoals schadevergoeding, verbeurdverklaring enz.

De Volksrepressie

Via radioboodschappen had de regering in ballingschap vanuit Londen de bevolking uitdrukkelijk gevraagd het recht niet in eigen handen te nemen maar in het machtsvacuüm dat ontstond onmiddellijk na de bevrijding werden duizenden burgers wederrechtelijk beroofd van hun vrijheid en in kampen ondergebracht. Hun bezittingen werden geroofd of in brand gestoken. Mishandelingen hadden tientallen doden tot gevolg. We zijn september, anno 1944. Een deel van de bevolking nam na 4 jaar bezetting het recht in eigen handen om zij die mee hadden geheuld  met de bezetter te straffen.

Er zou een tweede golf van volksrepressie komen in mei 1945 toen de Duitsers definitief verslagen werden  en  de gruwelen van het naziregime en de Holocaust aan het licht kwamen.

Onverwerkt verleden

Vooral -maar zeker niet alleen- ter linkerzijde heeft men het altijd moeilijk gehad met ‘nationalisme’ in het algemeen en in onze contreien met het Vlaams nationalisme in het bijzonder. Die Vlaams nationalisten werden in de decennia na de oorlog systematisch in de (extreem) rechtse hoek geduwd en, in de context van de besproken problematiek bij uitstek bekeken als Duitsgezind, aanhangers van de Nieuwe Orde en collaborateurs.

Dit is op zijn minst een simplistische benadering van de realiteit. In de Volksunie  waren figuren als Nelly Maes (rooie Nelly), Willy Kuypers of Maurits Coppieters zonder meer  progressieve figuren. De visie over bvb. het apartheidsregime in Zuid-Afrika was één van de vele breuklijnen die dwars door de gelederen van de Volksunie liep.

In de Vlaamse publieke opinie daarentegen overheerste de overtuiging dat de repressie genadeloos en anti-Vlaams was. Collaborateurs kregen daardoor de status van slachtoffers eerder dan die van daders, een visie die vooral in Vlaams-nationalistische kringen uitgroeide tot een erg invloedrijke mythe” aldus Marc Reynebeau in zijn boekbespreking bij  de heruitgave van het hogergenoemde standaardwerk van Huysse. (De Standaard van 29/30 augustus 2020).

Zowel Rzoska als Huysse gaan uitvoerig in op deze mythe, tot groot ongenoegen van bepaalde middens in het Vlaams-nationalistische kamp. Het is nooit tot een verzoening gekomen tussen beide kampen nochtans de noodzakelijke voorwaarde om tot een verwerking van het oorlogsverleden te komen. Twee initiatieven daartoe zijn vermeldenswaardig. In meerdere edities van het ‘Journal des Tribunaux’ tussen 1945 en 1950  erkennen Franstalige juristen het feit dat de repressie vaak fout is geweest.

En op de IJzerbedevaart van 2000 sprak Frans-Jos Verdoodt het ‘historisch pardon’ uit waarin het IJzerbedevaartcomité  erkende dat er vergissingen, beoordelingen en verkeerde  allianties in het verleden werden gemaakt. Een noodzakelijk vervolg is er niet geweest. Het oorlogsverleden blijft onverwerkt. En laat dit nu juist het opzet geweest zijn van beide besproken werken.

Luc Van Impe

Bronnen:

Björn Rzoska; “Opgesloten tussen Zwart, Wit en Grijs – Het Kamp van Lokeren (1944-1947)”, woord vooraf door prof. Dr. Bruno De Wever, Uitgeverij Doorbraak, 167 blz;

Luc Huysse, Steven Dhondt met nieuwe bijdragen van Bruno De Wever, Koen Aerts en Pieter Lagrou;

“Onverwerkt Verleden. Collaboratie en Repressie in België 1942-1952. Uitgeverij Kritak, 406 blz.;

Marc Reynebeau in De Standaard van 29/30 augustus 2020. Interview met Pieter Lagrou.