De klus is geklaard! Duizendhonderd pagina’s economische geschiedenis zijn zowel met liefde als met haat doorworsteld. Dat ging de ene moment bijgevolg vlotter dan de andere. Had Piketty, de Franse econoom die wereldwijde bekendheid verwierf met zijn ‘Kapitaal in de 21ste Eeuw’, het wat beknopter moeten houden? Ja en nee.

Ja, omdat zijn historische analyse met het oog op het beter begrijpen van meer recentere ontwikkelingen zodanig gedetailleerd is dat sommige lezers zonder twijfel grote stukken zullen overslaan. In zijn inleiding haalt hij zélf dat gevaar aan, hij vraagt om chronologisch te lezen en niet enkel zijn conclusies bij de verschillende hoofdstukken door te nemen. Meermaals heb ik zelfs de indruk dat ik een handboek voor studenten in handen heb, zo uitgebreid is zijn betoog. De auteur herhaalt bovendien meermaals reeds eerder in zijn boek beschreven vaststellingen, alsof hij zeker wil zijn dat het goed wordt ingeprent. Tabellen en voetnoten besliste ik al snel gewoon over te slaan. Om die óók nog vrijwillig te bestuderen en te lezen, daar is het leven toch wel veel te kort voor.

Neen, omdat de uitgave een lawine aan intrigerende info en verduidelijking bevat over verleden en heden. Hij laveert uitgebreid via economie en geschiedenis, slaat regelmatig een zijweg in naar de literatuur, sociologie en filosofie. Wat tot gevolg heeft dat je op sommige momenten hevig in het boek getrokken wordt en ontzettend veel interessante achtergrondkennis opdoet over maatschappelijke mechanismen. Het boek is dus het ene moment gortdroog, dan weer meeslepend. Achterflapteksten strijden nogal eens naar de eerste prijs bewieroking. Feit is dat die positieve commentaren er wel degelijk zijn. Ongetwijfeld zijn er ook andere. Die de flap natuurlijk niét halen. Wie koopt het, wie leest het, wie worstelt zich hier doorheen? Dat vraag ik me aanvankelijk meermaals af. Maar ik ondervind al snel dat hoe meer ik vorder in het boek, hoe interessanter ik het begin te vinden. Al zijn er, eerlijk toegegeven, eveneens een aantal paragrafen die mijn herhaaldelijk rechtgezette pet te boven gaan.

Heel tof voor de literatuurliefhebbers én een noodzakelijke frisheid in de eerste twee delen is dat Piketty een aantal klassiekers connecteert aan de tijd waarvan ze een weerslag zijn. Overbekende werken van onder andere Jane Austen en Honoré de Balzac worden op die manier in hun historische context geplaatst en dat geeft deze een extra dimensie. Tijdens het lezen van die passages dringt de vraag zich op of ik niet beter voorrang zou geven aan die romans zélf. De boeken die ik al las, moet ik dan misschien zelfs eens herlezen. Ongetwijfeld ‘lees’ ik ze anders. Het letterlijk en figuurlijk zware boek goed doorploeteren vraagt tijd, en het schrijven ervan moet een monnikenwerk geweest zijn. Piketty splitst zijn werk op in vier delen.

Hij start met het schetsen van de inegalitaire stelsels uit de geschiedenis, met name de standenmaatschappijen en de bezitterssamenlevingen (19de eeuw) en laat tal van historische ontwikkelingen in verschillende landen de revue passeren – ontwikkelingen die te maken hebben met de hardnekkige structuur van diverse vormen van ongelijkheid. De hyper-inegalitaire samenlevingen van de voorbije drie eeuwen kunnen niet zomaar terzijde worden geschoven als een oude, voorbije wereld, er zijn tal van raakpunten die van wezenlijk belang zijn om de huidige wereld te begrijpen.

In deel twee doet Piketty minutieus uit de doeken hoe de slavenstaten, koloniale samenlevingen en de standenmaatschappijen een zware erfenis van ongelijkheid nalieten. Heiligverklaring van privébezit had zelfs tot gevolg dat bij de afschaffing van de slavernij in de VS de bevrijde slaven hun vroegere eigenaars letterlijk een hoge tol moesten betalen voor hun vrijheid. Voor president Jefferson kon er enkel sprake zijn van vrijmaking wanneer de eigenaars daarbovenop nog een billijke staatsvergoeding kregen, ze waren immers hun werkkrachten kwijt. Wat het bewijs is van een doordrongen respect voor propriëtarisme. De slaven schadeloos stellen als compensatie voor het hun aangedane onrecht, niemand vond het nuttig of nodig.

In deel drie analyseert de auteur hoe de sociale ongelijkheid in de twintigste eeuw ingrijpend veranderde, aanvankelijk in de goede richting. De eeuw laat hij beginnen bij de aanslag in Sarajevo op 28 juni 1914 en eindigen bij de aanslagen in New York op 11 september 2001. Kenmerkend voor dat tijdperk is de hoop op een rechtvaardiger wereld, een samenleving met sociale gelijkheid én het voornemen om de oude, inegalitaire regimes radicaal om te vormen. De twintigste eeuw wordt na de twee grote conflicten vooral gekenmerkt door de contacten tussen samenlevingen en culturen die elkaar voordien bijna volledig negeerden en voornamelijk communiceerden via interstatelijke relaties en militaire overheersing. Het laissez-faire raakt in diskrediet en de overheidsbemoeienis stijgt. Na de ‘Trente Glorieuses’ (1950-1980) groeit de ongelijkheid echter opnieuw. Het aantal belastingparadijzen stijgt terwijl politieke wil tot transparantie ontbreekt. Sedertdien ondergraaft  vermogensconcentratie en een ondemocratische spreiding van de rijkdom de samenleving. En waarschuwt Piketty dat dat wel eens gevaarlijk zou kunnen zijn. Antidemocratische keuzes blokkeren de totstandkoming van ambitieuze internationale politieke programma’s om meer gelijkheid te bewerkstelligen. Zo worden in zowel de postcommunistische als kapitalistische landen de mislukkingen van het communisme regelmatig aangegrepen om bij voorbaat elk ambitieus herverdelingsproject in de kiem te smoren.

Ook de EU kent geen prioriteit toe aan de strijd voor fiscale rechtvaardigheid en hogere belastingen voor dominante spelers. Piketty vindt dit riskant. Die koers geeft brandstof aan een diep anti-Europees sentiment onder de lagere en middenklasse waardoor het mensen in de armen van nationalistische, nativistische en identitaire bewegingen duwt. Hij stelt de pertinente vraag waarom de EU een gezamenlijke munt en de ECB wist te bewerkstellingen, maar geen gezamenlijke fiscale constructie om belastingen te heffen inrichtte. Het antwoord is niet moeilijk te vinden. De afzonderlijke landen willen de concurrentiepositie behouden en bijgevolg ook de grote bedrijven in eigen land houden of er naartoe lokken met alsmaar lagere winstbelastingen.

Wat de auteur vertelt zal voor velen niet nieuw zijn – het autoritaire liberalisme à la Friedrich Hayek is bijna dagelijks onderwerp van vele artikels en opinies. Anderen zal het regelmatig de ogen openen. Piketty hamert herhaaldelijk op de oorzaken en de gevolgen van ongelijkheid, focust op de hardnekkige mechanismen die een uitweg uit de impasse verhinderen en wijst op het kortzichtig eigenbelang van elites met een meritocratisch discours. Piketty is een Franse burger, casus Frankrijk komt dus uitgebreid in zijn vizier. Ook om zijn punt te maken dat als het vraagstuk van die ongelijkheid niet ernstig genomen wordt, eveneens het klimaatbeleid door wijdverbreid onbegrip en protest geblokkeerd wordt. En kan dat ook anders wanneer de Franse regering forse verhogingen van de CO²-belastingen doorvoert op benzine, maar een uitzondering maakt voor kerosine?

De grote en tegelijk ontnuchterende conclusie van de econoom (doorheen het hele boek) is dat de meeste politiek-ideologische constructies hebben laten zien dat sociale ongelijkheid nooit iets ‘natuurlijks’ had en dat nog altijd niet heeft: ze zijn net een gevolg van die politiek en ideologie. Politieke elites maken keuzes en die zijn altijd wel in iemands belang. Eén keer raden in wiens belang…

Vanaf de jaren 1990 stak een grenzeloos geloof in de zelfregulering van de markt en het privébezit de kop op. Zowel de Amerikaanse Democraten als de Europese socialisten stopten van dan af grotendeels met nadenken over de indamming van het kapitalisme of over alternatieven ervoor. Thomas Piketty zal deze recensie niet lezen, dus even onder ons: indien uw eventuele interesse niet langer tegen te houden is, laat de eerste twee delen voor wat ze zijn of lees enkel de conclusie en concentreer u meteen op de laatste twee hoofdstukken. Die bieden een helder en boeiend overzicht op een eeuw Amerikaanse, (Oost-)Europese en Aziatische politieke geschiedenis, haar electorale systemen en de opvallend gelijklopende tendensen – van het Reaganisme tot gele hesjes, via de Brexit tot Beppe Grillo, van Poetin tot Bolsonaro. Ook laat de auteur in dit lijvig werk de lezer kennismaken met ‘brahmaans links’, een term om uit te leggen hoe vanaf 1990 de hoger opgeleide kiezers via de ‘opleidingslijn’ naar de andere politieke zijde verhuisden, meer bepaald de linkerzijde die door de zich in de steek gelaten voelende kiezer met lagere of geen diploma’s verlaten werd in het voordeel van nativistische partijen. Het op een traditionele klassenscheidingslijn gebaseerde, naoorlogse links-rechtspartijensysteem maakte geleidelijk plaats voor een systeem van meerdere elites, waarin brahmaans links de hoger opgeleiden aantrok en zakelijk rechts de mensen met de hoogste inkomens en vermogens.

In het vierde deel neemt Piketty eerst nog een lange aanloop om uiteindelijk in het laatste hoofdstuk met de beloofde voorstellen tot oplossingen- een aantal zijn niet nieuw – wat betreft de onrechtvaardigheden te komen. Hij stelt zich hierbij terughoudend op, maar biedt niettemin uiterst steekhoudende (veelal dus reeds gekende) alternatieven voor de huidige scheeflopende gang van zaken. Oplossingen waarbij de nuchtere lezer met voorkeur voor rechtvaardigheid ongetwijfeld ja-knikkend verder leest en zich afvraagt waarom het nog geen werkelijkheid is. Volgens de econoom moeten we weg van een wijdverbreide nationalistische trend waarin landen zich in isolement binnen de grenzen van eigen staat en identiteit terugtrekken en in de plaats daarvan evolueren richting sociaal-federalisme op mondiaal niveau. Hij geeft toe dat dit laatste een ideaalbeeld is, maar het positieve is dat een waaier aan tussenvormen mogelijk is. Progressieve vermogen- en inkomstenbelasting, gelijke opleidingskansen door toegankelijk onderwijs voor iedereen, eerlijke partijfinanciering, inperking van de macht van aandeelhouders, transnationale fiscale rechtvaardigheid met gemeenschappelijke heffingen voor de hoogste inkomens en vermogens én voor multinationals, paal en perk stellen aan belastingparadijzen en offshoreconstructies. Een nieuw soort globalisering, gebaseerd op verdragen van gemeenschappelijke ontwikkeling met als doel sociale, fiscale en ecologische rechtvaardigheid.

Piketty demonstreert met cijfers dat elke vorm van ambitieus beleid qua herverdeling en bestrijding van ongelijkheid verwaarloosd of – vooral – genegeerd wordt. Waardoor structurele veranderingen voorlopig utopie zijn. Daarom dat de auteur – die meegeeft dat door zijn studie van historische bronnen zijn opvattingen minder liberaal en meer socialistisch zijn geworden – zijn boek eindigt met de oproep om mee te denken, om een breed maatschappelijk debat, steunend op argumenten, ideeën en ervaringen, te openen. Het maakt hem niet uit of de lezer het eens is met zijn conclusie, hij wil de discussie aanzwengelen. Of wil althans met dit boek de historische en economische kennis ervoor verspreiden. Hier en daar blijkt tussen de regels dat Piketty niet overwegend pessimistisch is. Tijdens zijn onderzoekwerk voor het boek merkte hij dat net in crisismomenten telkens gegrabbeld wordt in de vergaarbakken van ideeën van de intellectuele lange termijnontwikkelingen, weg van de korte termijnlogica.

Had ik met deze recensie – net als Piketty met zijn boek – bondiger moeten zijn? Ja en neen. Ja, omdat er ongetwijfeld ondertussen al lezers afgehaakt hebben wegens te lang en te droog en omdat ik zelf weet dat dergelijke uitgebreide exposés niet gelezen worden, ook soms door mij niet – ook al ben ik een veellezer. Neen, omdat ik niet anders beoogde dan de belangrijkste wetenswaardigheden meegeven. Het allernoodzakelijkste, zodat, wanneer dit boek niet gelezen wordt, het aantal volhouders die tot hier zijn geraakt, toch gebriefd zijn.

Heb ik voor mezelf mijn tijd nuttig gebruikt? Had ik beter een paar romans gelezen? Persoonlijk weet ik dat hoe verder ik vorderde in ‘Kapitaal en ideologie’, hoe duidelijker het werd dat ik de actualiteit beter en minder naïef zal kunnen volgen. Dit leidde echter ook tot het stijgen van het aantal desillusies. Feit is wel dat ik onmiskenbaar veel feitenkennis heb verworven, antwoorden heb gekregen op vragen die ik me al lang stelde, mijn blik heb verruimd en beter geïnformeerd ben. En ook beseft heb dat de geschiedenis zich misschien niet herhaalt, maar toch opmerkelijk veel gelijklopende evoluties kent waar uit te leren valt. Net zoals uit dit boek, dat blijvend kan dienen als een soort naslagwerk.

Ja! Die duizendhonderd pagina’s geduldig doorploegen was het waard. Achteraf gezien althans toch…

Sophia De Wolf

Uitgeverij De Geus, 2020

Maarten Van Rossem is een duizendpoot. We zien hem regelmatig in de kurkdroge Nederlandse editie van “De slimste mens” en hij lijkt daar niet direct de sympathiekste figuur. Die ambitie zal hij wellicht ook niet hebben want hij neemt geen blad voor de mond, nergens, ook niet in zijn geschriften.

Hij is bijzonder hoogleraar aan de universiteit van Utrecht maar bij het grote(re) publiek gekend en erkend  als de man die op een heel laconieke, aanstekelijke en bijwijlen luimige wijze zijn wetenschappelijke kennis duidelijk en toegankelijk kan overbrengen aan een ruim publiek.

De moderne geschiedenis van de V.S. passioneert hem. Hij schreef er een standaardwerk over dat hij recentelijk bijwerkte in een geactualiseerde versie.

In zijn boek(je) “Waarom is de burger boos ?” (2010) ontleedt Van Rossem een fenomeen dat mondiaal hoge toppen scheert: het populisme. Hij doet dit aan de hand van de drie Nederlandse populisten bij uitstek: Pim Fortuyn, Rita Verdonk en uiteraard Geert Wilders.

Ook wanneer we minder geïnteresseerd zouden zijn in de binnenlandse politiek van Nederland blijft het boekje interessant omdat de analyse van hun doen en laten tevens een leerrijke beschrijving oplevert van wat populisme nu eigenlijk is. Want hoewel er zo stilaan bibliotheken kunnen gevuld worden met werken over populisme en wij er om de haverklap mee geconfronteerd worden in dagbladen, tijdschriften en programma’s op TV is en blijft een bondige, bevattelijke maar stevig onderbouwde analyse aan de hand van concrete personen en gebeurtenissen een leerrijke opsteker.

Reeds in de inleiding verwoordt hij onverbloemd zijn mening over populisten en populisme.

Hij constateert dat het populisme na de dood van Pim Fortuyn en de ondergang van zijn partij niet, zoals  verwacht, verdween of marginaliseerde maar dat met Rita Verdonk en Geert Wilders het populistische kiezerspotentieel niet kleiner is geworden. Voor Van Rossem is dit verbazingwekkend gezien de “baarlijke nonsens die zij uitkramen”. “Wilders excelleert vooral handig geformuleerde borreltafelpolitiek” en “de enorme attractie van deze politieke kermisgasten is dus verrassend stabiel”. Met de kernboodschap van de populisten, de zogenaamde “islamisering van Nederland en de rest van Europa” rekent hij in één woord genadeloos af: die islamisering is gewoon niet-bestaand!

Hij besluit zijn inleiding met de stelling dat populistische partijen brede protestpartijen zijn waarbij de overheid, het politieke systeem en de maatschappelijke elite het doelwit vormen .

Historische achtergrond

De auteur onderscheidt twee periodes in het naoorlogse Europa. In de eerste periode (1945-1975)  herstelt het geruïneerde en armoedige Europa zich en komt tot ongekende welvaart: niet alleen consumptiegoederen (radio, TV, wasmachines, auto’s . . . ) maar ook   onderwijs en een uitgebreide sociale bescherming bereiken op aansturen van de overheid brede lagen van de bevolking.  Volledige werkgelegenheid en een stabiele economische groei waren de noodzakelijke voorwaarden om die in stand te houden. De Engelse econoom Keynes verdedigde de mogelijkheden van een macro-economische  sturing door de overheid. De verzorgingsstaat was een feit. De sterke economische groei gecombineerd met een minimale  bevolkingsgroei in de voorafgaande decade (1935- 1945) zorgden al gauw voor tekorten op de arbeidsmarkt. De oplossing: arbeidskrachten aantrekken uit landen met een arbeidsreserve.

In de tweede periode (1975-2008) doet het neo-liberalisme zijn intrede. Thatcher en Reagan zijn de invloedrijke woordvoerders van de nieuwe beleidsconcensus. De recepten zijn genoegzaam gekend: privatisering van overheidsbedrijven en deregulering van het fiscaal-economische verkeer. Dat alles ten voordele van een onbelemmerde vrije markt.

De kern van het populisme

Populisme is onlosmakelijk verbonden met de democratie”. Dat is het kernbetoog van Van Rossem.

De democratie, aldus de auteur, functioneert op basis van macht van het soevereine volk, voor het soevereine volk maar NIET door het soevereine volk. De vertegenwoordigende democratie kent complexe instituties: de rechtsstaat met zijn bicamerale parlement en zijn politie partijen. Net die instituties geven de burger vaak het gevoel dat hij eigenlijk weinig in de pap te brokken heeft en dat hij uiteindelijk een buitenstaander blijft in een systeem dat hijzelf via vierjaarlijkse verkiezingen legitimeert.

Een deel van die burgers laat zich verleiden door de sirenenzang van populisten die aan de burger beloven dat hij echt aan de macht zal komen als zij het voor het zeggen hebben. Die boodschap brengen zij op een specifieke manier, namelijk met verbale provocatie, een aansprekend politiek theater en een fervent anti-intellectualisme (anti-elite).

Populistische bewegingen

Van Rossem onderscheidt op het einde van de eerste periode (de verzorgingsstaat – 1945/1945)  een links socialistische en een links liberale variant van het populisme.

De socialistische variant stelt dat de arbeidersklasse staat voor het ganse volk en dat zij werd afgekocht met televisietoestellen en auto’s maar verstoken bleef van de productiemiddelen. Alleen een revolutie kon zorgen voor een echte democratie.

Voor een goed begrip van de liberale variant moeten we naar Denemarken en meer bepaald naar Mogens Glistrup die in 1972 opriep tot een belastingsrevolte. Hiermee viseerde hij de middenklasse die steeds meer het gevoel kreeg een onevenredig hoge belastingsbijdrage te leveren. In feite was dit een regelrechte aanval op de verzorgingsstaat.

Zijn geestelijke opvolgster, Kjaersgaard, pleit voor een drastische beperking van de immigratie, in het bijzonder van moslims.

De structuur van het populisme

Het volk is een werkelijk bestaand en levend organisme, één en ondeelbaar. Het is soeverein, homogeen en deugdzaam. En exclusief: wie niet deelt in de historische bepaalde cultuur en levenswijze (identiteit) behoort tot de ‘anderen’.

Tegenover dat volk staat de elite, die er op uit is het volk te manipuleren en uit te buiten.

Het land moet volgens de populisten teruggegeven worden aan het volk. Dat noemt Van Rossem een zonderling voornemen omdat het impliceert dat het land ooit daadwerkelijk aan het volk zou hebben toebehoord.

Leider en beweging zijn op natuurlijke wijze één met hun volk. De leider weet wat het volk wil en is vaak een charismatisch figuur. De parlementaire democratie deugt niet en de politieke partijen zijn de ergste uitwas ervan. De partijen zijn het instrument waarmee de elites het volk naar hun hand zetten. De overheden zijn van hoog tot laag corrupt en incompetent. Ambtenaren doen nooit iets goed en zijn in overtal; een deel van hen dient ontslagen te worden. (cfr. Le Pen in Frankrijk)

De rol van de media

Het succes van de populisten wordt volgens Van Rossem in hoge mate bevorderd door de media, en door de televisie in het bijzonder; de media-logica valt immers deels samen met de populistische logica. Ook de media-logica vraagt  theater, drama en alles wat de dagelijkse routine overstijgt en de lezer/kijker emotioneert.

De populistische leiders zijn meesters in het bespelen van die media; hun kenmerkende stijl geeft precies waar media om vragen: verbale provocatie, schaamteloze overdrijvingen, goed georganiseerde pseudo-gebeurtenissen en politiek theater. De essentie van politiek op TV is (te vaak) het conflict tussen de politici. Een ander kenmerk van de media-logica dat naadloos aansluit bij de populistische logica: goed nieuws is geen nieuws.

Het immigratieprobleem

In de tachtiger jaren gaan de traditionele partijen het neo-liberalisme steeds meer omarmen.

Ze starten met omvangrijke privatiseringen en sanering van de verzorgingsstaat en hopen op die manier de wind uit de zeilen van de populisten te halen. Maar die koortsachtige neiging om overal bedrijfsmatig te gaan werken creëerde nieuwe onzekerheden en zo werden sommige populisten plots pleitbezorgers van de verzorgingsstaat en critici van de beleidsvisie van de liberalen, althans voor zover het neo-liberalisme angst of ongerustheid zou kunnen oproepen bij (een deel van) het electoraat. Van plat opportunisme gesproken!

Met het immigratieprobleem scoren ze dubbel: ze onderscheiden zich opnieuw van de ‘traditionele partijen’ en ze hebben meteen een nieuw mobilisatie-issue, een thema om nieuwe kiezers te verleiden.

Pim Fortuyn

… etaleert zijn opvattingen in een boekje met als titel: ‘Tegen de islamisering van onze cultuur. Nederlandse identiteit als fundament.‘ (Utrecht, 1977).  Fortuyn stelt het cultuurrelativisme van de Nederlanders aan de kaak: “Wij Nederlanders zijn niet meer geïnteresseerd in ons erfgoed. We weten niets over onze culturele identiteit.” Hij plaatst vervolgens de traditionele Nederlandse cultuur, namelijk  de joods-christelijke humanistische cultuur tegenover de fundamentalistische islam en voorspelt de ondergang van die Nederlandse cultuur ten gevolge van de desinteresse van de Nederlanders.

Niet alleen de Nederlandse maar de hele Westerse cultuur zal verloren gaan.

Dit is voor Van Rossem de wereld op zijn kop en wel om twee redenen:

  1. Moslims zijn en blijven een kleine minderheid, bovendien sociaal en economisch zwak en ook nog eens gediscrimineerd. Hoe zou die minderheid de hele westerse cultuur van de overgrote meerderheid van de bevolking succesvol te lijf kunnen gaan? Dit is de wereld op zijn kop want het is de westerse cultuur die naar het gevoel van veel moslims de islam bedreigt.
  2. De islamofoben komen telkens opnieuw met dezelfde begrippen aandraven: westers cultuurrelativisme en de rampzalige multiculturele samenleving terwijl net andersom de overgrote meerderheid van de westerlingen overtuigd is van de vanzelfsprekende superioriteit van de eigen cultuur.

Verder constateert Van Rossem dat bijna alle aspecten van het Islamitische geloof die Fortuyn zo weerzinwekkend vindt essentiële onderdelen waren van de christelijke praktijk: discriminatie van homo’s, ondergeschikte positie van de vrouw. Van Rossem vat samen: “Het paranoïde beeld van de veronderstelde islamisering bevindt zich buiten de grenzen van de werkelijkheid.”

Besluit

Ook de analyse van het politieke reilen en zeilen van Rita Verdonk en Geert Wilders is bijzonder leerrijk al is het maar om de gelijkenissen met onze eigen Belgische politiek te ontdekken.

En zoals de traditionele partijen destijds het neo-liberalisme meer en meer omarmden zouden zij nu wel eens dezelfde fout kunnen maken met het achternahollen van de populisten in de immigratieproblematiek.

Luc Van Impe

Het is puur toeval. Maar dat ik iets meer dan een maand geleden – toen ik nog het café van ‘t Uilekot binnen mocht – net dit boek uitkoos om te bespreken, vind ik toch wel opmerkelijk. De auteur ervan, Erik De Bruyn, was dertig jaar actief in de socialistische partij, tot hij in 2011 opstapte en de politieke beweging Rood! oprichtte. Dit boek dateert eveneens uit 2011 maar doet beseffen dat het logge politieke schip heel moeizaam van koers verandert.

Het is alsof ik via het boek ‘De terugkeer van de dwarsliggers’ een rondleiding krijg in de situatie waarin we nu met de coronacrisis terecht zijn gekomen. We zitten er nog middenin, maar nu reeds worden we weeral in de richting gemobiliseerd – ja, eigenlijk gehersenspoeld – om vooral de economie te redden. Denk de details en de specifieke gebeurtenissen van 10 jaar geleden weg, verplaats je naar 2020 en je herkent de machinaties die gebruikt worden door de politieke -en bedrijfselite. Niets nieuw onder de zon dus. Ik ben oud genoeg om me de situaties en de namen uit 2011 en ervoor te herinneren.

Een aantal gebeurtenissen uit die periode worden op een bevattelijke manier uit de doeken gedaan en geven 10 jaar na datum een verhelderende blik op de partijpolitiek van de SP-a in die jaren, maar evengoed van de andere traditionele partijen. Eigen- en partijbelang primeert boven algemeen belang. Namen en feiten worden door de auteur niet geschuwd. We kijken er al lang niet meer van op, we wéten dat winstmaximalisatie hét motief is om te snoeien in de overheidsuitgaven, de sociale zekerheid, de gezondheidszorg, het onderwijs, de lonen en de pensioenen. In heel Europa worden werknemers gedwongen om loonmatiging en flexibilisering te aanvaarden. Erik De Bruyn duidt in deze toegankelijke uitgave de stand van zaken aan van zowel rechter- als linkerzijde en geeft zijn visie op zijn persoonlijk standpunt dat rood geleidelijk aan minder rood werd. Gelukkig was er de socialistische vakbond om de vinger aan de pols te houden.

Aan de hand van zijn persoonlijke verhaal legt hij op heldere wijze en in een vlotte schrijfstijl uit hoe het oude kapitalisme dat achter het nieuwe liberalisme van de globalisering schuilgaat vooral níet mag in vraag gesteld worden. Ook zijn partij was, dixit De Bruyn, in hetzelfde bedje ziek. Een groot deel van de linkerzijde verloor uit het oog dat er zich een neoliberale revolutie voltrok. Men ging mee in het rechtsere verhaal en men besefte niet dat een groot deel van het oorspronkelijk kiespubliek net daardoor richting extreem -rechts vertrok. De auteur beperkt zich niet tot België en schetst eveneens ‘het uitstekend in elkaar zittend neoliberaal concept Europa’. In tijden van crisis – zoals we er nu weer een beleven – leidt dit mechanisme automatisch tot een transfer van arbeid naar kapitaal. Een kosmopolitisch Europa is nuttig, maar onder het mom daarvan hoeven we géén sociale afbraak te slikken.

Erik De Bruyn is niettemin optimistisch in 2011, hij ziet een terugkeer van de dwarsliggers. Het was de tijd van de Arabische lente, de Indignados,… Ondertussen weten we dat dat niet echt gelukt is. Helaas. Lukt het na déze coronacrisis wel? Zal samenwerking het halen van egoïsme? Zullen politici het belang van de bevolking vooropstellen of gaan ze weer over tot hun partijpolitieke orde van de dag? En gaan wij ons opnieuw voor de neoliberale kar laten spannen? Zullen N-VA- kiezers zich nog steeds een rad voor ogen laten draaien en niet inzien dat de voorzitter de verkeerde ‘transfers’ aanklaagt, met name die naar Wallonië, maar in alle talen zwijgt over de veel grotere transfers naar belastingparadijzen?

Gebeurtenissen worden soms beter op afstand bekeken dan wanneer je er middenin inzit. Er zijn ongeveer 10 jaar verstreken sedert De Bruyn dit boek schreef. Maar het is nog steeds zéér lezenswaard om de eenvoudige reden dat er weinig gewijzigd is. Hij schetst haarscherp hoe onze wereld in elkaar zit en hoe economische wetmatigheden voornamelijk dienen voor de verrijking van een klasse van aandeelhouders en onvermijdelijk een verarming van de werkende klasse tot gevolg hebben. Alleen al daarvoor is het boek interessant, ook al zullen insiders die op de eerste rij stonden in 2011 misschien niet helemaal akkoord gaan met zijn visie op bepaalde plaatselijke feiten. Ik ben me ervan bewust dat je altijd twee klokken moet horen luiden.

Zijn pleidooi voor desactivering echter én bijgevolg meer levenskwaliteit, daar kan alvast níemand tegen zijn. De Bruyn beklemtoont het nut en de taak van de vakbond en roept op tot een authentieke linkerzijde die zich onafhankelijk opstelt van de “powers that be”. Hij citeert La Boétie, de vriend van filosoof Michel de Montaigne: “we zijn leifeigenen omdat we dat aanvaarden”. Waar wachten we op om vrij te zijn? We zijn met genoeg om het te bewerkstelligen. Mooi ook dat de auteur zijn boek opdroeg aan de kinderen van Utoya. Aan ons om hen een laatste eer te bewijzen en vreedzaam terug te vechten. Allemaal samen.

Erik De Bruyn was jaren gangmaker van ROOD!, een linkse tendens binnen de SP.a. De Bruyn verkreeg nationale bekendheid als tegenkandidaat van Caroline Gennez bij de voorzittersverkiezingen van de sp.a in 2007. Tijdens de campagne noemde Caroline Gennez hem een ‘communist’, een incident dat breed uitgesmeerd werd in de pers. Tegen alle verwachtingen in kreeg hij de steun van heel wat partijafdelingen, waaronder de grootste afdeling van de partij: de afdeling Antwerpen. Erik De Bruyn en zijn running-mate Elke Heirman behaalden 33,6 procent van de stemmen. In 2011 schreef hij dit boekje als opstap voor een nationale politieke beweging. De Bruyn probeerde nog een eigen gemeenteraadslijst in 2012 maar haalde daar slechts 1,1 % van de stemmen mee. In 2014 werd hij opnieuw lid van de SP.a.

Het boek boeide me zodanig dat, had het gekund, ik het in één ruk had uitgelezen. De bedoeling is dat ik met mijn besprekingen hier wat reclame maak voor de tweedehandsboeken die in de rekken van het café staan. Wel, dit boek is écht een aanrader voor wie wil weten welke laakbare handelswijzen er in onze geglobaliseerde samenleving de boventoon voeren. Helaas voor jullie, het is ondertussen verkocht. Wie wil mag het van me lenen.

Sophia De Wolf

Wij verkopen meer dan 400 tweedehandsboeken via Books in Belgium. Je kan ze online bestellen en wij verzenden ze naar je thuis of je kan het afhalen op het afgesproken tijdstip in de winkel Eco & Fair, Groenlaan 39, Herzele. Hier kan je de database bekijken.