De klus is geklaard! Duizendhonderd pagina’s economische geschiedenis zijn zowel met liefde als met haat doorworsteld. Dat ging de ene moment bijgevolg vlotter dan de andere. Had Piketty, de Franse econoom die wereldwijde bekendheid verwierf met zijn ‘Kapitaal in de 21ste Eeuw’, het wat beknopter moeten houden? Ja en nee.

Ja, omdat zijn historische analyse met het oog op het beter begrijpen van meer recentere ontwikkelingen zodanig gedetailleerd is dat sommige lezers zonder twijfel grote stukken zullen overslaan. In zijn inleiding haalt hij zélf dat gevaar aan, hij vraagt om chronologisch te lezen en niet enkel zijn conclusies bij de verschillende hoofdstukken door te nemen. Meermaals heb ik zelfs de indruk dat ik een handboek voor studenten in handen heb, zo uitgebreid is zijn betoog. De auteur herhaalt bovendien meermaals reeds eerder in zijn boek beschreven vaststellingen, alsof hij zeker wil zijn dat het goed wordt ingeprent. Tabellen en voetnoten besliste ik al snel gewoon over te slaan. Om die óók nog vrijwillig te bestuderen en te lezen, daar is het leven toch wel veel te kort voor.

Neen, omdat de uitgave een lawine aan intrigerende info en verduidelijking bevat over verleden en heden. Hij laveert uitgebreid via economie en geschiedenis, slaat regelmatig een zijweg in naar de literatuur, sociologie en filosofie. Wat tot gevolg heeft dat je op sommige momenten hevig in het boek getrokken wordt en ontzettend veel interessante achtergrondkennis opdoet over maatschappelijke mechanismen. Het boek is dus het ene moment gortdroog, dan weer meeslepend. Achterflapteksten strijden nogal eens naar de eerste prijs bewieroking. Feit is dat die positieve commentaren er wel degelijk zijn. Ongetwijfeld zijn er ook andere. Die de flap natuurlijk niét halen. Wie koopt het, wie leest het, wie worstelt zich hier doorheen? Dat vraag ik me aanvankelijk meermaals af. Maar ik ondervind al snel dat hoe meer ik vorder in het boek, hoe interessanter ik het begin te vinden. Al zijn er, eerlijk toegegeven, eveneens een aantal paragrafen die mijn herhaaldelijk rechtgezette pet te boven gaan.

Heel tof voor de literatuurliefhebbers én een noodzakelijke frisheid in de eerste twee delen is dat Piketty een aantal klassiekers connecteert aan de tijd waarvan ze een weerslag zijn. Overbekende werken van onder andere Jane Austen en Honoré de Balzac worden op die manier in hun historische context geplaatst en dat geeft deze een extra dimensie. Tijdens het lezen van die passages dringt de vraag zich op of ik niet beter voorrang zou geven aan die romans zélf. De boeken die ik al las, moet ik dan misschien zelfs eens herlezen. Ongetwijfeld ‘lees’ ik ze anders. Het letterlijk en figuurlijk zware boek goed doorploeteren vraagt tijd, en het schrijven ervan moet een monnikenwerk geweest zijn. Piketty splitst zijn werk op in vier delen.

Hij start met het schetsen van de inegalitaire stelsels uit de geschiedenis, met name de standenmaatschappijen en de bezitterssamenlevingen (19de eeuw) en laat tal van historische ontwikkelingen in verschillende landen de revue passeren – ontwikkelingen die te maken hebben met de hardnekkige structuur van diverse vormen van ongelijkheid. De hyper-inegalitaire samenlevingen van de voorbije drie eeuwen kunnen niet zomaar terzijde worden geschoven als een oude, voorbije wereld, er zijn tal van raakpunten die van wezenlijk belang zijn om de huidige wereld te begrijpen.

In deel twee doet Piketty minutieus uit de doeken hoe de slavenstaten, koloniale samenlevingen en de standenmaatschappijen een zware erfenis van ongelijkheid nalieten. Heiligverklaring van privébezit had zelfs tot gevolg dat bij de afschaffing van de slavernij in de VS de bevrijde slaven hun vroegere eigenaars letterlijk een hoge tol moesten betalen voor hun vrijheid. Voor president Jefferson kon er enkel sprake zijn van vrijmaking wanneer de eigenaars daarbovenop nog een billijke staatsvergoeding kregen, ze waren immers hun werkkrachten kwijt. Wat het bewijs is van een doordrongen respect voor propriëtarisme. De slaven schadeloos stellen als compensatie voor het hun aangedane onrecht, niemand vond het nuttig of nodig.

In deel drie analyseert de auteur hoe de sociale ongelijkheid in de twintigste eeuw ingrijpend veranderde, aanvankelijk in de goede richting. De eeuw laat hij beginnen bij de aanslag in Sarajevo op 28 juni 1914 en eindigen bij de aanslagen in New York op 11 september 2001. Kenmerkend voor dat tijdperk is de hoop op een rechtvaardiger wereld, een samenleving met sociale gelijkheid én het voornemen om de oude, inegalitaire regimes radicaal om te vormen. De twintigste eeuw wordt na de twee grote conflicten vooral gekenmerkt door de contacten tussen samenlevingen en culturen die elkaar voordien bijna volledig negeerden en voornamelijk communiceerden via interstatelijke relaties en militaire overheersing. Het laissez-faire raakt in diskrediet en de overheidsbemoeienis stijgt. Na de ‘Trente Glorieuses’ (1950-1980) groeit de ongelijkheid echter opnieuw. Het aantal belastingparadijzen stijgt terwijl politieke wil tot transparantie ontbreekt. Sedertdien ondergraaft  vermogensconcentratie en een ondemocratische spreiding van de rijkdom de samenleving. En waarschuwt Piketty dat dat wel eens gevaarlijk zou kunnen zijn. Antidemocratische keuzes blokkeren de totstandkoming van ambitieuze internationale politieke programma’s om meer gelijkheid te bewerkstelligen. Zo worden in zowel de postcommunistische als kapitalistische landen de mislukkingen van het communisme regelmatig aangegrepen om bij voorbaat elk ambitieus herverdelingsproject in de kiem te smoren.

Ook de EU kent geen prioriteit toe aan de strijd voor fiscale rechtvaardigheid en hogere belastingen voor dominante spelers. Piketty vindt dit riskant. Die koers geeft brandstof aan een diep anti-Europees sentiment onder de lagere en middenklasse waardoor het mensen in de armen van nationalistische, nativistische en identitaire bewegingen duwt. Hij stelt de pertinente vraag waarom de EU een gezamenlijke munt en de ECB wist te bewerkstellingen, maar geen gezamenlijke fiscale constructie om belastingen te heffen inrichtte. Het antwoord is niet moeilijk te vinden. De afzonderlijke landen willen de concurrentiepositie behouden en bijgevolg ook de grote bedrijven in eigen land houden of er naartoe lokken met alsmaar lagere winstbelastingen.

Wat de auteur vertelt zal voor velen niet nieuw zijn – het autoritaire liberalisme à la Friedrich Hayek is bijna dagelijks onderwerp van vele artikels en opinies. Anderen zal het regelmatig de ogen openen. Piketty hamert herhaaldelijk op de oorzaken en de gevolgen van ongelijkheid, focust op de hardnekkige mechanismen die een uitweg uit de impasse verhinderen en wijst op het kortzichtig eigenbelang van elites met een meritocratisch discours. Piketty is een Franse burger, casus Frankrijk komt dus uitgebreid in zijn vizier. Ook om zijn punt te maken dat als het vraagstuk van die ongelijkheid niet ernstig genomen wordt, eveneens het klimaatbeleid door wijdverbreid onbegrip en protest geblokkeerd wordt. En kan dat ook anders wanneer de Franse regering forse verhogingen van de CO²-belastingen doorvoert op benzine, maar een uitzondering maakt voor kerosine?

De grote en tegelijk ontnuchterende conclusie van de econoom (doorheen het hele boek) is dat de meeste politiek-ideologische constructies hebben laten zien dat sociale ongelijkheid nooit iets ‘natuurlijks’ had en dat nog altijd niet heeft: ze zijn net een gevolg van die politiek en ideologie. Politieke elites maken keuzes en die zijn altijd wel in iemands belang. Eén keer raden in wiens belang…

Vanaf de jaren 1990 stak een grenzeloos geloof in de zelfregulering van de markt en het privébezit de kop op. Zowel de Amerikaanse Democraten als de Europese socialisten stopten van dan af grotendeels met nadenken over de indamming van het kapitalisme of over alternatieven ervoor. Thomas Piketty zal deze recensie niet lezen, dus even onder ons: indien uw eventuele interesse niet langer tegen te houden is, laat de eerste twee delen voor wat ze zijn of lees enkel de conclusie en concentreer u meteen op de laatste twee hoofdstukken. Die bieden een helder en boeiend overzicht op een eeuw Amerikaanse, (Oost-)Europese en Aziatische politieke geschiedenis, haar electorale systemen en de opvallend gelijklopende tendensen – van het Reaganisme tot gele hesjes, via de Brexit tot Beppe Grillo, van Poetin tot Bolsonaro. Ook laat de auteur in dit lijvig werk de lezer kennismaken met ‘brahmaans links’, een term om uit te leggen hoe vanaf 1990 de hoger opgeleide kiezers via de ‘opleidingslijn’ naar de andere politieke zijde verhuisden, meer bepaald de linkerzijde die door de zich in de steek gelaten voelende kiezer met lagere of geen diploma’s verlaten werd in het voordeel van nativistische partijen. Het op een traditionele klassenscheidingslijn gebaseerde, naoorlogse links-rechtspartijensysteem maakte geleidelijk plaats voor een systeem van meerdere elites, waarin brahmaans links de hoger opgeleiden aantrok en zakelijk rechts de mensen met de hoogste inkomens en vermogens.

In het vierde deel neemt Piketty eerst nog een lange aanloop om uiteindelijk in het laatste hoofdstuk met de beloofde voorstellen tot oplossingen- een aantal zijn niet nieuw – wat betreft de onrechtvaardigheden te komen. Hij stelt zich hierbij terughoudend op, maar biedt niettemin uiterst steekhoudende (veelal dus reeds gekende) alternatieven voor de huidige scheeflopende gang van zaken. Oplossingen waarbij de nuchtere lezer met voorkeur voor rechtvaardigheid ongetwijfeld ja-knikkend verder leest en zich afvraagt waarom het nog geen werkelijkheid is. Volgens de econoom moeten we weg van een wijdverbreide nationalistische trend waarin landen zich in isolement binnen de grenzen van eigen staat en identiteit terugtrekken en in de plaats daarvan evolueren richting sociaal-federalisme op mondiaal niveau. Hij geeft toe dat dit laatste een ideaalbeeld is, maar het positieve is dat een waaier aan tussenvormen mogelijk is. Progressieve vermogen- en inkomstenbelasting, gelijke opleidingskansen door toegankelijk onderwijs voor iedereen, eerlijke partijfinanciering, inperking van de macht van aandeelhouders, transnationale fiscale rechtvaardigheid met gemeenschappelijke heffingen voor de hoogste inkomens en vermogens én voor multinationals, paal en perk stellen aan belastingparadijzen en offshoreconstructies. Een nieuw soort globalisering, gebaseerd op verdragen van gemeenschappelijke ontwikkeling met als doel sociale, fiscale en ecologische rechtvaardigheid.

Piketty demonstreert met cijfers dat elke vorm van ambitieus beleid qua herverdeling en bestrijding van ongelijkheid verwaarloosd of – vooral – genegeerd wordt. Waardoor structurele veranderingen voorlopig utopie zijn. Daarom dat de auteur – die meegeeft dat door zijn studie van historische bronnen zijn opvattingen minder liberaal en meer socialistisch zijn geworden – zijn boek eindigt met de oproep om mee te denken, om een breed maatschappelijk debat, steunend op argumenten, ideeën en ervaringen, te openen. Het maakt hem niet uit of de lezer het eens is met zijn conclusie, hij wil de discussie aanzwengelen. Of wil althans met dit boek de historische en economische kennis ervoor verspreiden. Hier en daar blijkt tussen de regels dat Piketty niet overwegend pessimistisch is. Tijdens zijn onderzoekwerk voor het boek merkte hij dat net in crisismomenten telkens gegrabbeld wordt in de vergaarbakken van ideeën van de intellectuele lange termijnontwikkelingen, weg van de korte termijnlogica.

Had ik met deze recensie – net als Piketty met zijn boek – bondiger moeten zijn? Ja en neen. Ja, omdat er ongetwijfeld ondertussen al lezers afgehaakt hebben wegens te lang en te droog en omdat ik zelf weet dat dergelijke uitgebreide exposés niet gelezen worden, ook soms door mij niet – ook al ben ik een veellezer. Neen, omdat ik niet anders beoogde dan de belangrijkste wetenswaardigheden meegeven. Het allernoodzakelijkste, zodat, wanneer dit boek niet gelezen wordt, het aantal volhouders die tot hier zijn geraakt, toch gebriefd zijn.

Heb ik voor mezelf mijn tijd nuttig gebruikt? Had ik beter een paar romans gelezen? Persoonlijk weet ik dat hoe verder ik vorderde in ‘Kapitaal en ideologie’, hoe duidelijker het werd dat ik de actualiteit beter en minder naïef zal kunnen volgen. Dit leidde echter ook tot het stijgen van het aantal desillusies. Feit is wel dat ik onmiskenbaar veel feitenkennis heb verworven, antwoorden heb gekregen op vragen die ik me al lang stelde, mijn blik heb verruimd en beter geïnformeerd ben. En ook beseft heb dat de geschiedenis zich misschien niet herhaalt, maar toch opmerkelijk veel gelijklopende evoluties kent waar uit te leren valt. Net zoals uit dit boek, dat blijvend kan dienen als een soort naslagwerk.

Ja! Die duizendhonderd pagina’s geduldig doorploegen was het waard. Achteraf gezien althans toch…

Sophia De Wolf

Uitgeverij De Geus, 2020

Frontex is de populaire afkorting van het  Franse Frontières Extérieures. Formeel luidt de benaming in het Nederlands ‘Europees Agentschap voor het operationele beheer van de samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie’. (AMOCEB). Een Europees  agentschap wordt belast met een specifieke taak; in het geval van Frontex staat die taak duidelijk in de officiële benaming (zie hoger). Het agentschap werd opgericht in 2004 en is operationeel sinds 2005. Het jaarbudget bedroeg toen 6 miljoen €, vandaag…  460 miljoen €. De zetel bevindt zich in Warschau, Polen.

Lobby’s

‘Politieke correctheid’ is een scheldnaam  geworden maar ‘lobbyist’  pronkt fraai op een adreskaartje. In januari 2020 waren zowat 12.000 verenigingen en personen, zeg maar lobbyisten, officieel geaccrediteerd bij het Europees Parlement in Brussel.

Ook het agentschap Frontex kan niet achterblijven en heeft tussen 2017 en 2019 minstens 17 ontmoetingen in Warschau of in omliggende hotels met wapenbedrijven. Voornamelijk Europese  maar ook Amerikaanse, Israëlische en Canadese wapen-, technologie- en defensiebedrijven kregen toegang tot de directie en hoge ambtenaren van Frontex “om mee te denken over de toekomst van het Europees grensbeleid”. Voor “besloten werkdagen” werden zelfs afgevaardigden uitgenodigd van landen als Wit-Rusland, Angola en de Verenigde Arabische Emiraten, met een bedenkelijke reputatie als het op mensenrechten aankomt.

Bovendien heeft Frontex het parlement voorgelogen en spuit het mist over zijn ontmoetingen met ongeregistreerde lobbyisten van internationale wapenbedrijven. Die vinden vooral plaats in het kader van openbare aanbestedingen voor aankoop van handwapens, drones, hartslagdetectoren en andere biometrische technologie om migranten sneller te detecteren. Een Belgisch lobbyist legt de vinder op de wonde: “Frontex heeft veel geld te besteden. Natuurlijk trekt dat de interesse van grote spelers”.

Migranten louter als bedreiging

Het beeld dat uit de verslagen naar voor komt is verontrustend: het agentschap ziet de migratie louter als een bedreiging en een veiligheidsprobleem. Over de complexe wortels van migratie of de historische rol die mensenrechten spelen in de Europese Unie wordt nauwelijks melding gemaakt. Frontex zal binnenkort als eerste in de Europese geschiedenis 10.000 supranationale grensagenten aanwerven, met eigen uniformen en eigen vuurwapens. Bij terugkeeroperaties van migranten mogen die ook ingezet worden buiten de E.U. mits toestemming van de betrokken derde landen.

De grootste exporteurs van wapentuig naar conflicten in het Midden-Oosten, die miljoenen mensen op de vlucht drijven, zijn dezelfde bedrijven die de contracten krijgen om diezelfde  vluchtelingen aan onze grenzen tegen te houden”, aldus Mark Akkermans van de ngo Stop Wapenhandel.

Pushbacks

De machtstoename van Frontex lokt steeds luidere kritiek uit van mensenrechtenorganisaties, migratie-experts en… het Europees Parlement. Vorig jaar kwamen immers details aan het licht over verregaande Griekse pusbacks waarbij vluchtelingenbootjes worden teruggesleept naar Turkse wateren  en daar achtergelaten in drijvende tentjes. Frontex verzwijgt dit in zijn rapporten. Bovendien zouden in sommige gevallen zelfs boten van het agentschap betrokken geweest zijn. Alle internationale experts zien hierin een flagrante schending van het internationale recht. Olaf, de EU-fraudebestrijdingswaakhond, is binnengevallen in de kantoren  van Frontex-directeur Leggeri en zijn kabinetschef de la Haye Josselin in het kader van een onderzoek naar wanbeheer en intimidatie. Er werden ook interviews afgenomen met medewerkers over mogelijke pushbacks en doofpotoperaties. Leggeri zou zijn medewerkers herhaaldelijk gevraagd hebben “très discrète” te zijn in het rapporteren over pushbacks.

De aanwerving van veertig mensenrechtenofficieren die de Commissie heeft bevolen wordt door Leggeri actief tegengewerkt en laat al anderhalf jaar op zich wachten wegens “niet prioritair”. De Europese commissaris voor migratie, Ylva Johansson, heeft Leggeri op het matje geroepen in het Berlaymontgebouw. Ze is furieus over de gang van zaken en eist dat Frontex zijn zaakjes op orde stelt.

Klaus, de architect achter de migratiedeal tussen Turkije en de E.U. (2016), zegt dat op dit moment de schending van mensenrechten is geïnstitutionaliseerd . Pushbacks vinden plaats in Griekenland, Oostenrijk, Kroatië en Bulgarije.

De echte bazen

Ondanks de zware kritiek en alle onvrede is en blijft Leggeri nog altijd baas in het agentschap Frontex. Dat heeft alles te maken met de “constructiefout” van de grote gecentraliseerde Europese agentschappen. De Raad van Bestuur van Frontex bestaat vooral uit de directeurs van de nationale kust- en grenswachten van de lidstaten. In concreto zijn dat wat Frontex betreft de Italiaanse, Griekse en Kroatische grenswachten. Die kennen mekaar en laten betijen.

Frontex, een grensagentschap,  treedt meer en meer op als een breed Europees migratie-agentschap. We kunnen ons stilaan afvragen of Europa geen monster heeft gebaard.

Luc Van Impe

Onlangs las ik bij de ochtendkoffie en -humeur een onooglijk artikeltje in de Vooruit van 28.2.1889: ‘Het vredesverbond’. In Brussel werd in het kabinet van burgemeester Buls een vredesverbond opgericht.  […]

Maarten Van Rossem is een duizendpoot. We zien hem regelmatig in de kurkdroge Nederlandse editie van “De slimste mens” en hij lijkt daar niet direct de sympathiekste figuur. Die ambitie zal hij wellicht ook niet hebben want hij neemt geen blad voor de mond, nergens, ook niet in zijn geschriften.

Hij is bijzonder hoogleraar aan de universiteit van Utrecht maar bij het grote(re) publiek gekend en erkend  als de man die op een heel laconieke, aanstekelijke en bijwijlen luimige wijze zijn wetenschappelijke kennis duidelijk en toegankelijk kan overbrengen aan een ruim publiek.

De moderne geschiedenis van de V.S. passioneert hem. Hij schreef er een standaardwerk over dat hij recentelijk bijwerkte in een geactualiseerde versie.

In zijn boek(je) “Waarom is de burger boos ?” (2010) ontleedt Van Rossem een fenomeen dat mondiaal hoge toppen scheert: het populisme. Hij doet dit aan de hand van de drie Nederlandse populisten bij uitstek: Pim Fortuyn, Rita Verdonk en uiteraard Geert Wilders.

Ook wanneer we minder geïnteresseerd zouden zijn in de binnenlandse politiek van Nederland blijft het boekje interessant omdat de analyse van hun doen en laten tevens een leerrijke beschrijving oplevert van wat populisme nu eigenlijk is. Want hoewel er zo stilaan bibliotheken kunnen gevuld worden met werken over populisme en wij er om de haverklap mee geconfronteerd worden in dagbladen, tijdschriften en programma’s op TV is en blijft een bondige, bevattelijke maar stevig onderbouwde analyse aan de hand van concrete personen en gebeurtenissen een leerrijke opsteker.

Reeds in de inleiding verwoordt hij onverbloemd zijn mening over populisten en populisme.

Hij constateert dat het populisme na de dood van Pim Fortuyn en de ondergang van zijn partij niet, zoals  verwacht, verdween of marginaliseerde maar dat met Rita Verdonk en Geert Wilders het populistische kiezerspotentieel niet kleiner is geworden. Voor Van Rossem is dit verbazingwekkend gezien de “baarlijke nonsens die zij uitkramen”. “Wilders excelleert vooral handig geformuleerde borreltafelpolitiek” en “de enorme attractie van deze politieke kermisgasten is dus verrassend stabiel”. Met de kernboodschap van de populisten, de zogenaamde “islamisering van Nederland en de rest van Europa” rekent hij in één woord genadeloos af: die islamisering is gewoon niet-bestaand!

Hij besluit zijn inleiding met de stelling dat populistische partijen brede protestpartijen zijn waarbij de overheid, het politieke systeem en de maatschappelijke elite het doelwit vormen .

Historische achtergrond

De auteur onderscheidt twee periodes in het naoorlogse Europa. In de eerste periode (1945-1975)  herstelt het geruïneerde en armoedige Europa zich en komt tot ongekende welvaart: niet alleen consumptiegoederen (radio, TV, wasmachines, auto’s . . . ) maar ook   onderwijs en een uitgebreide sociale bescherming bereiken op aansturen van de overheid brede lagen van de bevolking.  Volledige werkgelegenheid en een stabiele economische groei waren de noodzakelijke voorwaarden om die in stand te houden. De Engelse econoom Keynes verdedigde de mogelijkheden van een macro-economische  sturing door de overheid. De verzorgingsstaat was een feit. De sterke economische groei gecombineerd met een minimale  bevolkingsgroei in de voorafgaande decade (1935- 1945) zorgden al gauw voor tekorten op de arbeidsmarkt. De oplossing: arbeidskrachten aantrekken uit landen met een arbeidsreserve.

In de tweede periode (1975-2008) doet het neo-liberalisme zijn intrede. Thatcher en Reagan zijn de invloedrijke woordvoerders van de nieuwe beleidsconcensus. De recepten zijn genoegzaam gekend: privatisering van overheidsbedrijven en deregulering van het fiscaal-economische verkeer. Dat alles ten voordele van een onbelemmerde vrije markt.

De kern van het populisme

Populisme is onlosmakelijk verbonden met de democratie”. Dat is het kernbetoog van Van Rossem.

De democratie, aldus de auteur, functioneert op basis van macht van het soevereine volk, voor het soevereine volk maar NIET door het soevereine volk. De vertegenwoordigende democratie kent complexe instituties: de rechtsstaat met zijn bicamerale parlement en zijn politie partijen. Net die instituties geven de burger vaak het gevoel dat hij eigenlijk weinig in de pap te brokken heeft en dat hij uiteindelijk een buitenstaander blijft in een systeem dat hijzelf via vierjaarlijkse verkiezingen legitimeert.

Een deel van die burgers laat zich verleiden door de sirenenzang van populisten die aan de burger beloven dat hij echt aan de macht zal komen als zij het voor het zeggen hebben. Die boodschap brengen zij op een specifieke manier, namelijk met verbale provocatie, een aansprekend politiek theater en een fervent anti-intellectualisme (anti-elite).

Populistische bewegingen

Van Rossem onderscheidt op het einde van de eerste periode (de verzorgingsstaat – 1945/1945)  een links socialistische en een links liberale variant van het populisme.

De socialistische variant stelt dat de arbeidersklasse staat voor het ganse volk en dat zij werd afgekocht met televisietoestellen en auto’s maar verstoken bleef van de productiemiddelen. Alleen een revolutie kon zorgen voor een echte democratie.

Voor een goed begrip van de liberale variant moeten we naar Denemarken en meer bepaald naar Mogens Glistrup die in 1972 opriep tot een belastingsrevolte. Hiermee viseerde hij de middenklasse die steeds meer het gevoel kreeg een onevenredig hoge belastingsbijdrage te leveren. In feite was dit een regelrechte aanval op de verzorgingsstaat.

Zijn geestelijke opvolgster, Kjaersgaard, pleit voor een drastische beperking van de immigratie, in het bijzonder van moslims.

De structuur van het populisme

Het volk is een werkelijk bestaand en levend organisme, één en ondeelbaar. Het is soeverein, homogeen en deugdzaam. En exclusief: wie niet deelt in de historische bepaalde cultuur en levenswijze (identiteit) behoort tot de ‘anderen’.

Tegenover dat volk staat de elite, die er op uit is het volk te manipuleren en uit te buiten.

Het land moet volgens de populisten teruggegeven worden aan het volk. Dat noemt Van Rossem een zonderling voornemen omdat het impliceert dat het land ooit daadwerkelijk aan het volk zou hebben toebehoord.

Leider en beweging zijn op natuurlijke wijze één met hun volk. De leider weet wat het volk wil en is vaak een charismatisch figuur. De parlementaire democratie deugt niet en de politieke partijen zijn de ergste uitwas ervan. De partijen zijn het instrument waarmee de elites het volk naar hun hand zetten. De overheden zijn van hoog tot laag corrupt en incompetent. Ambtenaren doen nooit iets goed en zijn in overtal; een deel van hen dient ontslagen te worden. (cfr. Le Pen in Frankrijk)

De rol van de media

Het succes van de populisten wordt volgens Van Rossem in hoge mate bevorderd door de media, en door de televisie in het bijzonder; de media-logica valt immers deels samen met de populistische logica. Ook de media-logica vraagt  theater, drama en alles wat de dagelijkse routine overstijgt en de lezer/kijker emotioneert.

De populistische leiders zijn meesters in het bespelen van die media; hun kenmerkende stijl geeft precies waar media om vragen: verbale provocatie, schaamteloze overdrijvingen, goed georganiseerde pseudo-gebeurtenissen en politiek theater. De essentie van politiek op TV is (te vaak) het conflict tussen de politici. Een ander kenmerk van de media-logica dat naadloos aansluit bij de populistische logica: goed nieuws is geen nieuws.

Het immigratieprobleem

In de tachtiger jaren gaan de traditionele partijen het neo-liberalisme steeds meer omarmen.

Ze starten met omvangrijke privatiseringen en sanering van de verzorgingsstaat en hopen op die manier de wind uit de zeilen van de populisten te halen. Maar die koortsachtige neiging om overal bedrijfsmatig te gaan werken creëerde nieuwe onzekerheden en zo werden sommige populisten plots pleitbezorgers van de verzorgingsstaat en critici van de beleidsvisie van de liberalen, althans voor zover het neo-liberalisme angst of ongerustheid zou kunnen oproepen bij (een deel van) het electoraat. Van plat opportunisme gesproken!

Met het immigratieprobleem scoren ze dubbel: ze onderscheiden zich opnieuw van de ’traditionele partijen’ en ze hebben meteen een nieuw mobilisatie-issue, een thema om nieuwe kiezers te verleiden.

Pim Fortuyn

… etaleert zijn opvattingen in een boekje met als titel: ‘Tegen de islamisering van onze cultuur. Nederlandse identiteit als fundament.‘ (Utrecht, 1977).  Fortuyn stelt het cultuurrelativisme van de Nederlanders aan de kaak: “Wij Nederlanders zijn niet meer geïnteresseerd in ons erfgoed. We weten niets over onze culturele identiteit.” Hij plaatst vervolgens de traditionele Nederlandse cultuur, namelijk  de joods-christelijke humanistische cultuur tegenover de fundamentalistische islam en voorspelt de ondergang van die Nederlandse cultuur ten gevolge van de desinteresse van de Nederlanders.

Niet alleen de Nederlandse maar de hele Westerse cultuur zal verloren gaan.

Dit is voor Van Rossem de wereld op zijn kop en wel om twee redenen:

  1. Moslims zijn en blijven een kleine minderheid, bovendien sociaal en economisch zwak en ook nog eens gediscrimineerd. Hoe zou die minderheid de hele westerse cultuur van de overgrote meerderheid van de bevolking succesvol te lijf kunnen gaan? Dit is de wereld op zijn kop want het is de westerse cultuur die naar het gevoel van veel moslims de islam bedreigt.
  2. De islamofoben komen telkens opnieuw met dezelfde begrippen aandraven: westers cultuurrelativisme en de rampzalige multiculturele samenleving terwijl net andersom de overgrote meerderheid van de westerlingen overtuigd is van de vanzelfsprekende superioriteit van de eigen cultuur.

Verder constateert Van Rossem dat bijna alle aspecten van het Islamitische geloof die Fortuyn zo weerzinwekkend vindt essentiële onderdelen waren van de christelijke praktijk: discriminatie van homo’s, ondergeschikte positie van de vrouw. Van Rossem vat samen: “Het paranoïde beeld van de veronderstelde islamisering bevindt zich buiten de grenzen van de werkelijkheid.”

Besluit

Ook de analyse van het politieke reilen en zeilen van Rita Verdonk en Geert Wilders is bijzonder leerrijk al is het maar om de gelijkenissen met onze eigen Belgische politiek te ontdekken.

En zoals de traditionele partijen destijds het neo-liberalisme meer en meer omarmden zouden zij nu wel eens dezelfde fout kunnen maken met het achternahollen van de populisten in de immigratieproblematiek.

Luc Van Impe

De geschiedenis heeft ons weinig namen nagelaten van socialistische pioniers die zelf werkten als arbeider. In Geraardsbergen kennen we wel de naam van zo iemand: Bellarminus Van Der Bruggen. Ik poog nu een schets over zijn leven te geven.

Schoenmaker Joannes Van Der Bruggen (°1796) en wasvrouw/strijkster Joanna Pletincks (°1802) begroeten hun eerste kindje in 1842: Maria Theresia. Op 5.8.1825 komt er een broertje: Bellarminus. Augustinus ziet op zijn beurt het levenslicht in 1829. Het gezin Van Der Bruggen woont in Geraardsbergen, een stad met circa 6000 inwoners waarvan veel ambachtslui, veel kleine straatjes en schrijnende armoede.

De kinderen zijn nog piepjong als Geraardsbergen een woelige periode kent met de Belgische revolutie van 1830. De Geraardsbergenaars hopen op een beter leven met de onafhankelijkheid maar mogen al blij zijn dat ze van de daaropvolgende oorlog met Nederland gespaard blijven. Kort daarop wordt het gezin Van Der Bruggen zwaar getroffen: in 1833 overlijdt moeder Joanna. Vader Joannes moet met de drie kinderen zien te overleven.

Joannes hertrouwt met Adelais Vienvalet (°1801), Petrus Van Der Bruggen (°1836) wordt uit dit huwelijk geboren. Het gezin bestaat nu uit vijf personen. Bellarminus moet als oudste jongen al vlug gaan werken om zijn bijdrage te leveren aan het gezinsinkomen. Volgens Abraham Ruiz start hij zijn beroepsloopbaan in een ‘stekskesfabriek’. Zeker is dat niet gezien de eerste stekskesfabriek (Mertens) in Geraardsbergen pas opent in 1843 en de eerste in Lessen in 1835. Mogelijks werkt hij bij zijn vader of in een andere sector. Wat we wel met zekerheid weten is dat geen enkele sector zoveel kinderarbeid kende als de lucifernijverheid.

In de tweede helft van de jaren 40 wordt ook Geraardsbergen getroffen door hongersnood ten gevolge van mislukte graan- en aardappeloogsten, vervolgens krijgen de inwoners ook nog eens een choleraepidemie over zich..

Bellarminus en zijn gezin
Bellarminus trouwt in 1856 met Catharina Van Damme (°25.11.1833). Mevrouw Van Der Bruggen is één van de 1800 kantwerksters in Geraardsbergen. Ze verdient zo een 50 centiemen per dag terwijl mijnheer tussen 1 en 1,5 frank per dag verdient. Met dat geld kan men dagelijks één brood en enkele patatten kopen. Een stuk spek of kaas of een beetje melk zijn een luxe die men zich af en toe eens kan permitteren. Ter illustratie: in 1847 kost een roggebrood 34 cent, een kilo aardappelen kost 13 cent.

In 1864 verwelkomt het gezin de eerste nakomeling: Rachel Van der Bruggen, in de archieven wordt ze later ‘huishoudster’ genoemd. Twee jaar nadien kan het gezin een tweede dochter begroeten; Maria Prudentia Van der Bruggen, zij wordt ‘dagloonster’, wat wil zeggen dat ze iedere dag moet afwachten of ze aangenomen wordt.

Vermoedelijk milliteert Bellarminus reeds in de eerste internationale in Geraardsbergen, er zijn echter geen ledenlijsten bewaard zodat we dat niet 100% zeker kunnen weten.

Bellarminus is actief in (of zelfs medestichter van) de werkersbond, opgericht in 1877. De werkersbond – die toen trouwens illegaal was – wordt in 1877 lid van de Vlaamse Socialistische Arbeidspartij, de eerste socialistische partij in België.

Op aansturen van de Antwerpse socialist Goetschalck en de Gentenaar Edward Anseele richt Bellarminus samen met anderen in 1880 een ‘Maatschappij van onderlinge bijstand’ op. In tegenstelling tot de werkersbond is dit een legaal initiatief conform de wet op ‘De maatschappijen van onderlingen bijstand’ van 1851. Deze maatschappijen steunen zieke leden financieel. Leden betalen wekelijks een kwartje, in Geraardsbergen zijn sommigen zo arm dat ze deze minimale bijdrage niet kunnen betalen.

Socialistische maatschappijen voegen er in hun statuten aan toe dat ook stakers financieel gesteund kunnen worden, zodat deze maatschappij de facto ook een vakbond is. In Geraardsbergen rekruteert de bond vooral bij sigarenmakers en groeit vlug. Na een lange staking van sigarenarbeiders komt de bond sterk verzwakt uit de strijd. Bellarminus zelf is ondertussen 55 jaar en werkt nog altijd in de lucifernijverheid. Hij is één van de weinigen die thuis werkt, thuiswerk is een efficiënte strategie van de werkgevers om te vermijden dat iemand zijn collega’s ‘opstookt’. Bellarminus werkt vooral als snijder: het met een mes vanuit rollen afgerold hout lucifers snijden.

1885 is een belangrijk jaar voor het socialisme in België, in ‘De Zwaan’ op de Brusselse Grote Markt stichten 112 vertegenwoordigers van plaatselijke groepen de ‘Belgische Werkliedenpartij’ (BWP) Geraardsbergen wordt waarschijnlijk vertegenwoordigd door Bellarminus, Karel Lodewijk Spitaels en Joseph Clerebaut. (dixit Gaston Imbo).

Bellarminus werkt nu actief mee aan het op poten zetten van de Geraardsbergse afdeling van de BWP. Die afdeling wordt in 1886 formeel opgericht samen met Karel Lodewijk Spitaels, Jan De Froy en Isidoor De Moor. De laatste twee zijn kopstukken van de sigarenmakersbond.

Op 15 augustus 1886 organiseert de jonge BWP een nationale betoging in Brussel voor het ‘algemeen stemrecht’ (AS). De BWP legt vanuit Geraardsbergen een trein in naar de betoging. Hij is ‘stampvol gevuld met betogers van Geraardsbergen en randgemeenten’.

Bij de aankomst wordt Bellarminus op de schouders getild door arbeiders die geestdriftig een rondedansje met hem doen. De gedisciplineerde betoging eindigt in het park van Sint Gillis waar de ‘Eed van Sint Gillis’ gezworen wordt: ‘Zonder onderbreking of rust, te vechten totdat de dag is aangebroken waarop door de instelling van het algemeen stemrecht het volk werkelijk een vaderland zal hebben veroverd’.

Begin 1886 komt de situatie in de lucifersfabrieken ter sprake op een meeting in ‘De Gouden Leeuw’ op het Stationsplein. Daarop volgt een artikel in de Vooruit : ‘Er is geene stad waar de werkman meer te lijden heeft als hier. In de fosfoorfabrieken kan het niet erger gaan met de uitbuiterskliek’ (Vooruit 11.1.1886). Bellarminus speelt zeker een rol bij het in de aandacht brengen van de problemen van de luciferarbeiders. De toestanden zijn dan ook vreselijk.

Enkele voorbeelden van ontoelaatbare werkomstandigheden in de luciferfabrieken:
Het loon bedraagt 1 tot 1,5 fr per dag (in de koolmijnen betaalt men 3 fr per dag); kinderarbeid vanaf 7 jaar; uitermate ongezond werk; arbeiders worden verplicht om brood, meubelen, afgedragen kledij van bazen te kopen; de kruideniersprijzen liggen hoger dan in de andere winkels, het loon wordt te laat uitbetaald; arbeiders kunnen goederen kopen op krediet, waardoor ze helemaal afhankelijk worden van de fabriekseigenaar.

In april 1886 komt een regeringscommissie op bezoek. Ze vergadert op het stadhuis, naast de commissieleden zijn ook de arts Edmond Brocorens, enkele fabrikanten en vier arbeiders aanwezig. Brocorens getuigt dat de arbeiders last hebben van ‘Beenbreuken als gevolg van langzame maar onafgebroken vergiftiging’.

Die ziekte wordt veroorzaakt door de fosfordampen (fosforwaterstof) die vrij komen bij de productie van lucifers. Hij noemt die ziekte koudvuur. ‘De dood is gewoonlijk een gevolg van hersenontsteking, of van stuipen, waarschijnlijk veroorzaakt door een uitbreiding van het koudvuur tot de beenderen van het onderdeel van de schedel.’ Na het bezoek worden de productiemethodes aangepast en worden er meer en meer ‘veiligheidslucifers’ gemaakt. Het duurt echter jaren vooraleer alle fabrikanten overgeschakeld zijn. In 1905 is er nog een staking in ‘La Suedoise’ als de fabrikant de werknemers verplicht de tanden te laten trekken.

In 1893 is Bellarminus medestichter van de ‘Fosfoorbewerkersbond’, een afsplitsing van de werkliedenbond. Die bond wordt de drijvende kracht achter de strijd voor de verbetering van de werkomstandigheden van de arbeiders, de arbeidsters en de talrijke kinderen in de lucifersnijverheid. In datzelfde jaar breken er stakingen uit in de luciferfabrieken.

In 1894 besluit de propagandaclub van Geraardsbergen (het bestuur van de BWP dus) tot het (her)oprichten van een ‘Gemengde weerstandskas’, een voorloper van de ziekenkas ‘Bond Moyson’. Bellarminus wordt op 25.2.1894 verkozen tot de eerste voorzitter.

Onder het gedreven voorzitterschap van Bellarminus groeit de maatschappij vlug. Binnen de kortste keren worden honderden nieuwe leden verwelkomt die een bijdrage betalen, maar er zijn ook veel steunvragen bij ziekte (en zoals reeds gezegd zijn er vooral bij de luciferarbeiders zeer ernstige gezondheidsproblemen). De weerstandskas opereert onder de naam ‘Helper en Trooster’ en ervaart daardoor een toenemende financiële druk.

In 1895 haalt het kartel ‘Democratisch verbond der verenigde liberalen en werklieden’ de absolute meerderheid in het stadsbestuur. Dat lijkt een goed moment om bij monde van het socialistisch raadslid Vital De Clercq. steun te vragen voor ‘Helper en trooster’. Die steun komt er niet, zelfs de kartelpartner stemt tegen omdat H&T niet erkend is door de nationale overheid. Op 30.12.1900 stopt Bellarminus als voorzitter van ‘Helper en trooster’. Hij is dan 75 en wordt erevoorzitter. Alfons De Moyer volgt hem op als voorzitter.

Reeds begin de jaren 90 organiseert de socialistische beweging meetings in het Hollands Koffiehuis in de Visstraat. Dat wordt echter te klein en de snel groeiende beweging koopt een gebouw op de Zakkaai. Dat gebouw wordt omgevormd tot volkshuis en als zodanig in gebruik genomen in 1895.

Bellarminus is bijzonder gelukkig bij de inhuldiging, en met ogen die straalden van hoop en blijdschap hoorden wij hem verklaren: “Nu mogen wij gerust zijn, en zullen wij niet meer verplicht zijn te vergaderen in verdoken hoeken en kanten om aan onze vervolgers te ontsnappen zoals wij het vroeger hebben beleefd”.

Bellarminus wordt lid van alle mogelijke geledingen die de socialistische beweging opricht. Zo werkt hij ook mee met ‘De studiekring en sprekersschool’. Kort na de oprichting van de ‘Vrijdenkersbond’ geeft hij op 8 september 1898 een lezing over ‘Godsdienst en socialisme’. Dat is een delicaat onderwerp daar de geestelijken een kruistocht houden tegen het socialisme. Alle middelen zijn goed: dreigen om kinderen hun communie niet te laten doen, een uitzicht op de hel bieden, ontslag in het vooruitzicht stellen, het weigeren van een plaatsje op het kerkhof. De meeste arbeiders zijn katholiek opgevoed en worden op die manier in gewetensnood gebracht.

Op zondag 11 september debatteert hij er met Victor Cosijns (°1876 en militant van de Socialistische Jonge Wacht) over ‘Anarchisme en socialisme’. Een beetje klaarheid scheppen in de verschillende stromingen is in die periode zeer nuttig.
Bellarminus blijft tot op hoge leeftijd lid van verschillende geledingen van de BWP en woont zelfs nog de vergaderingen bij.

Bellarminus overlijdt op 5.6.1914. Zijn stoffelijk overschot wordt naar het graf begeleid door een grote menigte terwijl de fanfare ‘De Verbroedering’ de internationale en treurmarsen speelt.

Guillaume De Nauw (°1880 en toekomstig burgemeester van Geraardsbergen) spreekt de grafrede uit. De geschiedenis van de BWP in Geraardsbergen loopt samen met het leven van B.’ Hij werd beschimpt en gebroodroofd maar wist desondanks mensen op te beuren na een tegenslag. Hij leefde een leven van strijd en opoffering en had niets dan vrienden’.

Bellarminus heeft een steen verlegd in de Dender, en die steen heeft een rimpeling veroorzaakt.

Wim Thienpont

Bronnen:

  • De Chou, Freddy; De rode burcht; 2018
  • Godfroid, Stepha; Surdiacourt, Dirk; Lucifersbedrijven te Geraardsbergen, 1983
  • Imbo, Gaston; Richard Clerebaut, een pionier van het socialisme te Geraardsbergen, artikelenreeks in ‘De Heemschutter’.
  • Ruiz, Abraham; Geraardsbergen en de ontvoogdingsstrijd van de werkende klasse, 1981
  • Ruiz, Abraham; Geraardsbergen op de drempel van de 20e eeuw, 1976
  • Walraet, Lucien; 90 jaar cooperatieve werking in Geraardsbergen en Ninove, 1991
  • Archief Gerardimontium
  • AMSAB
  • Wikipedia

Jan Hertogen is al jaren een man die alles bekijkt door zijn sociologische bril en daar massa’s cijfers rond gebruikt. Ook nu verzamelde hij talrijke gegevens in een poging de verspreiding van het Coronavirus te analyseren. Mensen die werken in dichte omstandigheden komen hier voornamelijk als slachtoffer uit. Niet verwonderlijk, maar we staan er wel te weinig bij stil én de cijfers bewijzen het.

Wie de moeite neemt om in mijn tool (Corona en tewerkstellingssector/gemeente, ingeplooid) te duiken, zal soms z’n ogen niet kunnen geloven. Het is alleszins een aanzet om, vertrekkende van deze ‘sociale determinant’ er andere te onderzoeken, en zo ‘misschien’ wijzer te worden in het ‘coronadrama van België’. Niet zozeer het hoge aantal overlijdens, ook als enkel de ziekenhuis-overlijdens meegeteld worden (maar elke dode telt, ook in de bejaardenhomes in deze corona-tijden) maar de vraag hoe dit gekomen is, dwz hoe dit virus zulk een verwoestende gang heeft kunnen gaan, is belangrijk. Dit zonder iemand terecht te wijzen want duidelijk is al, zoals Steven Van Gucht in de persconferentie van 20/04/2020 toelichtte: “in België gaat het niet om één corona-virusstam, maar om een vijftigtal van elkaar opererende stammen die elders zijn ontwikkelend maar in zich in België, in een tijdsperiode dat er nog geen (te groot) vuiltje aan de lucht was, hebben kunnen verspreiden. De skivakantie in Noord-Italië is dan maar één van deze vijftig.”

Vlaams gewest, Limburg, Sint-Truiden

In de tabel wordt vertrokken van de besmettingssisutatie op 18 april en wordt die vergeleken met het aantal beroepen in de verschillende gemeenten: wonen daar vooral pendelaars, bouwvakkers, voeren enz..?

Ook al kan men de correlaties als relatief zwak beoordelen, toch zijn deze hoger voor wat betreft de woonplaats voor wie in callcenters werkt, in psychiatrische klinieken, in beschut wonen (psychiatrie), van wie bij de provincie werkt, welzijn en huisvesting in z’n geheel, het leger, beschutte werkplaatsen enz. Allemaal plaatsen met erg nabijë contacten. Wat opvalt is dat er relatief weinig evolutie geweest is na 31/03, dwz dat er eind februari/begin maart allicht al ernstige besmettingspersonen en – haarden geweest zijn die zich vermenigvuldigd hebben doordat men een week besmetbaar bleef en zo, onwetend andere personen besmet heeft.

Ook gemeenten met een hoog % gezins- en bejaardenhelpsters springen er bovenuit. Zijn gezins- en bejaardenhelpsters niet, eens besmet, onwetend en onbewust eerst zelf getroffen en dan verspreiders geweest van het virus in Haspengouw en West-Vlaanderen, waar zij ook procentueel het meest aanwezig zijn?

Zonder hier te diep op in te (kunnen) gaan, is dit een onderzoek dat men (en de experten) zelf kan doen, men kan nagaan in welke provincies dit verband sterker wordt, en ook de gemeentekaartjes openen langs een sector en deze langs de kaartjes met de besmettingen en de evolutie ervan leggen. Wij zullen het hier verder doen voor Limburg en voor Sint-Truiden en omliggende gemeenten

Nog aangeven dat in de grote en middelgrote steden de besmettingsgraad minimaal is, dit in tegenstelling tot bv New York of andere grote steden. Het moet een ware nachtmerrie zijn voor de experten, wanneer het corona-virus door de grot(re) steden in België zou razen.

Limburg

Een zelfde selectie maar dan voor Limburg, de provincie waar de verspreidingsgraad het grootst is: vooral de grote aanwezigheid van gemeenten met een relatief hoog aantal ambtenaren valt op. Dat kan er op wijzen dat er ,voor het verminderd gebruik van het openbaar vervoer en vooral dan de treinverbinding van Hasselt en vooral Landen naar Luik, de treinen grote besmettingshaarden geweest zijn. Maar ook de werknemers van Callcenters vallen hier weer op, alle met een correlatiecoëfficiënt die tot 50% hoger ligt dan in de algemene situatie voor Vlaanderen.

Als de focus verder naar Sint-Truiden en omliggende verlegd wordt zien we een aantal sectoren en de context waarin een verspreiding van het corona-virus is kunnen gebeuren, uitvergroot. Eerder dan ambtenaren komen hier gemeenten met een hoger % arbeiders uit de secundaire sector, de bouw, de restaurantsector, de gehandicaptensector in z’n geheel, de uitzendarbeiders en ook de werknemers bij de detailhandel naar voor.

TIPS

Het is niet aan ons om hier de analyse ten gronde te maken, zeker omdat wij niet ter zake kundig zijn wat pandemieën en virus(verspreiding) betreft. Een verdere analyse van Brussel en de provincies, of specifieke gemeenteclusters kan allicht heel wat leren over het binnenkomen, de verspreiding en de evolutie van het virus. Ook bij eventueel volgende opstoten. Het is alleszins een element waarmee de verspreiding geografisch en minstens vanuit een belangrijke sociale factor kan opgevolgd worden. npdata.be zal het alleszins doen, samen men het inbrengen van andere sociaal relevante factoren.

Praten na de vaak is niet altijd goed, vooruitzien en voorkomen dat de vaak komt is evenwel noodzakelijk ook al is de huidige crisis nog aan de gang, zonder einde in zicht en kunnen er opnieuw opstoten komen of het verlengen/verstrengen van maatregelen wegens het niet eraan houden. 

1. Openbaar vervoer onder controle houden, de besmettingslijnen lopen langs de spoorlijn Brussel en Hasselt naar Luik, ondermeer over Landen, en van Luik naar Luxemburg, bekijk het kaartje 18/04/2020

 
2. Zo vlug mogelijk opsporen, traceren en isoleren opbouwen. Traceren heeft men (na)gelaten, wegens te weinig mensen om het uit te voeren in geval van besmetting. Wouter Arrazola de Onate, hoofd van de SPRG dienst (Belgische Long en Tuberculose Vereniging) geeft in een uitgebreid interview met de GvA, een toekomstperspectief wanneer de besmetting zo gedaald is dat met de huidige mankracht wel tracering mogelijk is en de opvolging niet alleen door een app kan verzekerd worden, Interview Wouter Arrazola de Onate. 

3. Optrekken van de personeelsomkadering in Woonzorgcentra, ondermeer door een vaste omkadering met ‘logistiek assistenten in de zorgomgeving’, duizenden ook in het reguliere onderwijs opgeleide logistiek assistenten staan nu als werkloze genoteerd in de Arvastat VDAB database, ga maar na.

4. Uitklaren van de bevoegdheidsverdeling tussen verpleegkundigen en zorgkundigen. De functie van de zorgkundige is gecreëerd wanneer de toegang tot het verpleegkundig beroep zou afgesloten worden voor de HBO5, wat nog altijd de hardnekkige wens is van de beroepsverenigingen voor bachelor-verpleegkundigen. Het werk, dat een verzorgende in de gezins- en bejaardenzorg autonoom kan verrichten wordt met het statuut van zorgkundige onmogelijk gemaakt. De zorgkundige kan/mag enkel functioneren wanneer hij/zij daartoe voor elke zorgtaak gemandateerd wordt door een verpleegkundige die er moet op toezien, en die op elk moment aan de ‘delegatie van taken’ een eind kan maken. De delegatie van taken en de verantwoordelijkheden van elkeen in dit onwerkbare zorgmodel heeft mede tot chaos geleid in de hulpverlening. Zie voor de wetgeving en de concrete bepalingen : Wetgeving en besluiten mbt zorgkundigen.

5. Verbetering van het statuut van het zorg- en welzijnspersoneel. Zie een overzicht van de wezenlijke verbetering van hun statuut de laatste twee decennia, één van de kernfactoren waarom zij nu een ‘zorgblok’ vormen tegen de corona-impact in de bevolking (en bij henzelf), zie Historiek van het statuut zorgpersoneel en hoe het te verbeteren.

6. Momenteel wordt de prijs betaald voor de decennialange determinatie door het ‘medisch model’ en het afzondringsbeleid van welzijn. De onderschikking aan volksgezondheid en het dictaat van een meestal exclusieve medische benadering van de mens en de ontmenselijking van de mens die er mee samenhangt, ook door de macht van de financiële centra. De woonzorgcentra en de prijs van 2000€ per maand die bejaarden nu moeten betalen bv is de erfenis van de ‘asociale’ minister van Sociale Zaken indertijd, Jean-Luc Dehaene, die de ‘bejaardenafdelingen, onderdeel van de ziekenhuizen, met een kost vergelijkbaar van een ziekenhuisverblijf, heeft afgestoten en er minder dan de helft van het budget voor voorzien. Het ontbrekende deel is meer en meer ten laste gelegd van de bejaarden zelf, zonder dat hij, zoals bij de ziekenhuizen,er  tegen verzekerd was. De Vlaamse zorgverzekering is in dat licht een lachertje. De wachtlijsten van de gehandicaptenzorg is een ander maar even schrijnend verhaal.

7. Ten  slotte blijkt de verregaande en onterechte afwezigheid van ‘experten’ op het vlak van sociale zekerheidssystemen en welzijnszorg, van sociaal overleg en erkenning van de syndicale werkelijkheid in deze non-profitsectoren uit de dagelijkse crisisbeleidsvoering. Zie het totaal uit bocht gaan van tijdelijke werkloosheid, de on(aan)gepaste bijkomende premies in Vlaanderen en reductie energiefactuur, enz.) en de miskenning, ontkenning en vooral het niet-kennen van de bejaardenzorg die geleid heeft tot de aanpassing van de bezoekregeling, waartegen de sector in opstand gekomen is en dat het vertrouwen in het gevoerde beleid ten gronde heeft aangetast.
  
Een analyse van sociale factoren en determinanten is niet alleen nuttig is maar ook noodzakelijk om in het heftige van de anti-coronastrijd nu en in de toekomst haar bijdrage te leveren. Daarom hebben we al enkele weken geleden onze datasets aangeboden aan Sciensano, met honderden sociale variabelen in % op de gemeentelijke bevolking. Misschien kan ondermeer dit bericht hen bewegen om een dynamiek te ontwikkelen, ook met de sociale wetenschap, de sociale statistiek en de sociologie.

Jan Hertogen
www.npdata.be

Al jaren is de situatie in de Denderstreek verziekt. Na de gemeenteraadsverkiezingen, waarbij het Vlaams Belang sterke cijfers neerzette in dit oud links bolwerk, publiceerde ik daar een analyse rond die vlotjes overgenomen werd door Apache en De Wereld Morgen. Even na de parlementsverkiezingen werd duidelijk dat de nieuwe uiterst rechtse golf zich niet beperkte tot onze streek maar in gans Vlaanderen uitdijde, wat mij verleidde tot de titel “Nu woont U ook in de marginale driehoek”. Waar staan we nu, een jaar later? Hebben politici de boodschap begrepen? Krabbelt links overeind? Wordt de Denderstreek de proeftuin van radicaal rechts beleid?

De politieke meerderheden die na de verkiezingen gevormd werden waren deels centrumrechts: Open-VLD+CD&V in Geraardsbergen. N-VA, Open-VLD + CD&V in Aalst, N-VA + CD&V in Zottegem. In Ninove hield de coalitie SP.a, GROEN, Open-VLDen CD&V de partij ForzaNinove van de macht en in Denderleeuw gebeurt hetzelfde door CD&V en Lijst van de Burgemeester. 

De meeste Dendersteden hebben het financieel niet breed. Dat heeft deels te maken met jarenlange structurele onderfinanciering vanuit het Vlaams Gewest en eigen financiële keuzes waarbij dikwijls geïnvesteerd werd in prestigeprojecten. Het tekort dat daardoor ontstaat mag over het algemeen door de bevolking en de sociale sector opgehoest worden.

In de vorige teksten verzamelde ik cijfers die aantoonden dat de armoede in de streek al een tijdje grote proporties aanneemt. Ik herinner even aan de cijfers rond kinderarmoede: 10,1 % van de kinderen groeit op in armoede te Aalst, 9,2 % in Denderleeuw, in Geraardsbergen 21,2 % en in Ninove 13,4 %. Heel wat informatie vind je daarrond in de stadsmonitor. Samen met isolement en afbraak van de dienstverlening zorgt dit voor een gele-hesjes-gevoel. Dit heeft een politiek rechts effect als resultaat door het aangewakkerd nationalistisch verdelingsdiscours en de afwezigheid van links op het terrein.

Aalst: proefstation…

Na de verkiezingen nam de gemeenteraad van Geraardsbergen het besluit om Den dok (het open zwembad) te sluiten. Het trefpunt voor jong en oud in het midden van de stad ging dicht omdat de stad geen 250.000 € renovatiekosten wou doen. Tegelijkertijd besloot men wel te investeren in een kenniscentrum en een nieuwe sporthal. De tegenstand was groot. Er ontstond een actiecomité ‘Den Dok Blijft’ dat tot op vandaag acties voert en de kwestie levendig houdt.

In het Aalst van hardline N-VA-ers D’Haese en Van Overmeire (ex-VB) besloot de gemeenteraad in mei om de bestaande sociale organisaties niet automatisch verder te ondersteunen, maar een open call te lanceren waarbij organisaties zich kandidaat konden stellen om een buurthuis open te houden, huiswerkbegeleiding te voorzien etc. Een band met de stad hoefde niet te worden aangetoond en expertise was geen vereiste. Een jury van ambtenaren (met daarin alvast een militante N-VA-ster uit Herzele) quoteerde de dossiers en gaf ze een percentage op 100. Net als in Antwerpen wilde de N-VA het sociaal beleid vermarkten. De andere meerderheidspartijen stelden wat kritische vragen, maar stemden uiteindelijk in met de procedure.  

Aalsterse organisaties die driemaandelijks geëvalueerd werden als Steunpunt Welzijnvzw Parolin ’t Nest en Schulden op School moeten de deuren sluiten omdat ze niets of te weinig krijgen. Een tachtigtal actievoerders kwam zijn bezorgdheid uitten voor en tijdens de gemeenteraad. Mensen worden ontslagen, werkingen zullen dicht gaan. De toegekende subsidies zijn verminderd, waarbij men zich de vraag kan stellen of sommigen met het toegekende bedrag de opdracht wel kunnen uitvoeren.

SP.a, GROEN en lijst A leverden knap werk, al waren sommige interventies ook niet vrij van marktdenken. Zo is het blijkbaar bon ton om te benadrukken dat het gaat om mensen die moeten geholpen worden en niet om actoren. Men wil de mensen zelf helpen in plaats van de organisaties. Dat klopt natuurlijk niet: het gaat uiteraard wél om de keuze tussen organisaties/actoren en hun al dan niet kritische visie. Zonder enige organisatie gaan de mensen die het moeilijk hebben zich niet uitspreken of organiseren. Je hebt die verenigingen dus nodig, het gaat wél om hen. Dat zijn de georganiseerde vertegenwoordigers van je eigen inwoners. Het gaat bovendien om organisaties die dossiers schrijven uit hun hart en anderen die het jargon van de bestaande structuren overnemen door snel wat te bladeren in managementcursussen, thesissen en studies. Bij de CD&V was er wat dissidentie. Het Vlaams Belang vergat zijn nieuw sociaal profiel en zweeg als vermoord maar stemde mee met de meerderheid.

Wie een paar voorbeelden wil zien van steden waarbij organisaties aan kant gezet werden omwille van hun engagement, moet nog eens kijken naar de reportages die in Orange en andere Franse steden gemaakt werden toen het Front National daar de macht had.

Terwijl de gemeenteraadsleden verder hun taartje met koffie verorberden, dropen mensen ontgoocheld af. Buiten barsten mensen in tranen uit, binnen was het stil. 

 …voor rechts-nationalistische meerderheden.

Enige uren later stemden 9 mensen uit de meerderheid voor Michel Van Brempt (Vlaams Belang) als vertegenwoordiger in de projectvereniging Erfgoed Denderland. Hij verliet woedend de vergadering toen bleek dat Cathy Grysolle van Lijst A uiteindelijk afgevaardigde werd en zetelt voortaan als onafhankelijke. Zijn afscheidsboodschap in Het Laatste Nieuws: “Wij maken afspraken met N-VA om het cordon te breken, maar mijn eigen partijgenoten willen niet voor mij stemmen”. In Aalst halen N-VA en Vlaams Belang 24 van de 43 zetels en hebben ze nu al een de facto meerderheid, die D’Haese kan gebruiken tegen zijn eigen coalitiepartners. Gezien de CD&V wil proberen om ter gelegenheid van het meerjarenplan een aantal organisaties te redden die uit de boot vallen en de CD&V-achterban ook al bezuinigingen in het jeugdwerk te verwerken krijgt, is de spanning in Aalst te snijden. Het Vlaams Belang heeft al aangekondigd voor een wisselmeerderheid te willen zorgen indien CD&V dwars ligt. En daar gaat een deel van het Vlaams Belang dan weer niet mee akkoord. N-VA en Open-VLD ontnamen de bevoegdheden van CD&V-schepen Uyttersprotomdat die teveel lekt naar de pers’. Het is dus nog totaal onduidelijk of N-VA en Open-VLD samen met (een deel van het) Vlaams Belang hun slag gaan thuis halen.

 In Ninove en Denderleeuw zitten potentiële N-VA/VB meerderheden met een tekort van 1 zetel. Dat er bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen in 2024 met veel belangstelling zal gekeken worden naar de mate waarin deze Vlaams-nationalistische coalities gerealiseerd zullen worden, is dan ook duidelijk.

Het Vlaams Belang zet dankzij zijn van de Belgische staat verkregen partijsubsidies in elk geval alles op alles om in zoveel mogelijk Dendergemeenten te scoren en er de laatste gaten op te vullen. Zo stuurt de partij Dries Van Langenhove en Guy D’Haeseleer (Forza Ninove) op vrijdag 13/12 met een aantal autobussen naar Herzele om de nieuw opgerichte afdeling in deze tot nog toe VB-vrije gemeente te gaan ondersteunen met een eindejaarsmeeting. In 1994 en 2000 legde het Vlaams Bloker een lijst neer maar beet telkens in het zand. Dat zet ook anderen aan om in deze streek hun succes uit te proberen

Antwerpen en Gent.

Aalst is natuurlijk geen voorganger in het vermarkten van sociaal werk. In Gent(SP.a, GROEN, CD&V, Open-VLD) protesteerde het SWAN (Sociaal Werk Aktie Netwerk) via o.m. een open brief al tegen het gebruik van aanbestedingen om de bewakingsgroep G4S de verantwoordelijkheid te geven over de opvang van daklozen. “Toen de private sector zich na acties terugtrok, liepen de historische partners opnieuw hand in hand” zeggen Pascal Debruyne en Hans Grymonprez in 2017 in het tijdschrift Sampol. Dat kregen socialisten en groenen in Aalst natuurlijk lekker op hun doos. In Hasselt (N-VA,  Roodgroen+ en Open VLD) en Mechelen (VLD-GROEN-M+) doet men hetzelfde. Antwerpen maakt zich ondertussen op voor een nieuwe ronde. In Gent lanceerde men een oproep voor kandidaten voor de opvang van ongeveer 180 mensen, maar vindt men niet direct gegadigden. Het CAW (Centrum Algemeen Welzijn), WijkgezondheidscentrumSamenlevingsopbouw en anderen lieten weten niet te willen meedoen. Samenlevingsopbouw liet ook Aalst aan zich voorbijgaan omdat men het met de voorwaarden en de manier van werken niet eens is. Door zelf in de val van de privatisering of het aanjagen van concurrentie te stappen, maakt links het voor de mensen die openbaar initiatief en sociaal werk willen verdedigen niet gemakkelijk.

Waarom tegen vermarkting?

Vermarkting vertrekt van het idee dat diensten in een samenleving zo efficiënt en zuinig mogelijk moeten geleverd worden. Dit is een kortetermijnvisie die er dan misschien wel voor zorgt dat diensten geleverd worden, maar tegelijkertijd met zich meebrengt dat de onderliggende structurele problemen niet aangepakt worden. Het beleid zoekt uitvoerders voor zijn eigen visie en kan tegensprekers missen als de pest. Men vergeet daarbij wel eens dat deze denkwijze de kern is van een autoritaire samenleving. In een innovatieve samenleving zorgen de heersende krachten voor tegenspraak als signaalfunctie en veranderende factor naar het beleid toe. In een samenleving waarbij machthebbers niet bezig zijn met de mensen of hun problemen, maar zich hoofdzakelijk richten op het bestendigen van de eigen macht, is elke dwarsligger er 1 teveel.

In 2016 maakten een honderdtal docenten sociaal werk daar een zeer duidelijk opiniestuk over. Zij stelden dat tendering de kwaliteit van het sociaal werk bedreigt, precies omdat dit tot gevolg heeft dat de onderliggende problemen verzwegen worden.

Le bruit des Bottes.

De geur naar overdreven gezag en autoritair denken klaagde PS-kopstuk Onkelinx aan in 2014. Dat ze om deze waarschuwing tonnen drek naar het hoofd kreeg toont al hoe intolerant de leidende klassen in deze samenleving geworden zijn tegenover elke vorm van kritiek. In 2019 zegt de politica “dat het geluid van de laarzen oorverdovend is geworden”.

Dit is ook wat de Vlaamse regeringsverklaring bij veel mensen oproept. Het aan banden leggen van de officiële omroep, de sneren naar onafhankelijke pers toe, de aankondiging dat men adviezen in cultuur niet meer automatisch wil overnemen, het zoeken van partners die het eigen beleid uitvoeren in plaats van het kritisch te bekijken…het ruikt zo erg naar autoritaire regimes. Toen de rechts-nationalistische Hongaar Orban, de Italiaan Berlusconi, de Oostenrijker Haider en anderen zich op deze weg begaven was er nog kritiek vanwege de andere West-Europeseleiders (de Belgen incluis). Nu neigen we in Vlaanderen naar dezelfde richting.

Wie het boek ‘Eigen Volk, hoe het rechts-nationalisme Europa veroverde’ van Kemal Rijken (Freelance journalist voor o.m. De Groene Amsterdammer) doorneemt herkent daarin de kernpunten van het (succes van) radicaal-rechts nationalisme in gans Europa: het zich toe-eigenen van de discussie rond migranten en Islam en dit combineren met het in stand houden van delen van de sociale welvaartstaat door bezuinigingen op te leggen die tegelijkertijd mogelijke kritische partners of objectieve verslaggeving breken. Geert Wilders (PVV-Nederland) zei in volgens Kemal Rijken in 2010 al: “Bezuinigingen moeten plaats vinden op defensie, maar ook op linkse hobby’s zoals kunstsubsidies, de publieke omroep, EU-afdrachten, het ambtenarenapparaat en ontwikkelingssamen-werking.” Het was CDA-minister Zijlstra die dat plan ook gedeeltelijk uitvoerde en in 2011 200 miljoen van de 900 miljoen cultuursubsidies schrapte. Het duurde tot 2018 voor Van Engelshoven (D66) het roer opnieuw omgooide

Aalst.

Die autoritaire geur, beste lezer, die hangt in Aalst ook. Net als op andere plaatsen in de Denderstreek en de rest van Vlaanderen. En die kan soms nog meer beangstigend zijn dan de feiten zelf. De gemeenteraadszitting in Aalst verliep ijskoud. Voorzitter David Coppens (N-VA) kondigde tot twee keer aan dat hij de zaal zou laten ontruimen als het publiek enige vorm van afkeur of sympathie liet blijken door applaus, gemompel of boegeroep. De begrafenis van een aantal kritische vzw’s moest in stilte verlopen. De mensen die morgen op straat staan, moeten vandaag zwijgen. Toppunt was dat de aanwezigen dat ook deden, na tussenkomst van oppositieraadsleden (sic!) die in een opwelling van ‘Ordnung muss sein’ de voorzitter gelijk gaven. Elke discussie tussen de raadsleden werd uit de weg gegaan door de formalistische organisatie van de gemeenteraad zelf.

Hoe moet het nu verder?

In een autoritaire staatsvorm is het dikwijls de rechterlijke macht die als enige onafhankelijk blijft en nog enig soelaas brengt. Zo vernietigden Raad van State en Grondwettelijk Hof tijdens de vorige legislatuur al talrijke aanpassingen van milieuprocedures die de rechten van burgers of verenigingen beknotten. 

Ook in Aalst doet men er goed aan de lopende procedure ten gronde door te lichten op zijn wettelijkheid. GROEN-raadslid Andreas Verleysen leek daar op de gemeenteraad al mee bezig en werd door de burgemeester prompt met een gelijkaardige klacht bedreigd. Als een oppositie slim is, verenigt ze zich daar rond in plaats van de eigen promotiekansen voorop te stellen als belangrijkste criterium. Samenwerking is belangrijker dan profilering. Van het middenveld kan worden verwacht dat men in overleg gaat en een gezamenlijk standpunt inneemt

Meerjarenplanning.

Ondertussen is het duidelijk dat de grote discussie over de bestemming van de gemeentelijke financiën in Aalst en elders zich zal afspelen tijdens de meerjarenbegrotingen van de verschillende gemeenteraden eind dit jaar. 

Het optrekken van de subsidies voor steden en gemeenten vanuit de Vlaamse Overheid en de extra tegemoetkoming via het Denderfonds, bieden de gelegenheid om heel wat sociale kwesties en noden in de streek opnieuw op de agenda te zetten. Dat zal ook dringend nodig zijn: de eerste geluiden van gemeentebesturen geven aan dat ze eerder zullen kiezen voor bijkomende agenten en ordehandhaving dan voor het optrekken van de sociale dienstverlening.

Debout.

De globalisering van de economie heeft veel mensen tegenover mekaar in concurrentie gesteld. De globalisering van de solidariteit daarentegen kende een hoogtepunt bij de eeuwwisseling, ten tijde van de overal verrijzende Sociale Fora. Van Porto Alegre tot de Denderstreek, overal was er een sociaal netwerk dat mensen samen bracht. De individualisering, overdruk op het werk en hopeloosheid kluisteren mensen nu vast aan hun mobieltje en de huiskamer. Terwijl ze zich dood werken zien mensen hun eigen rechten meer en meer afgebroken worden. Het individualisme sloopt het individu en zijn reactievermogen.

Alleen raken we er niet meer uit. Het wordt tijd dat méér mensen de rug rechten om samen hun sociale en ecologische rechten te verdedigen. Niet enkel in het eigen dorp. Als lokale gemeenschappen mekaar niet te hulp schieten, verliezen ze. Die van den Dok in Geraardsbergen moeten beseffen dat de afbraak in Aalst op dezelfde leest geschoeid is, en omgekeerd. Op 24 november betoogt de Aalsterse Jeugd vanaf 15 uur tegen de bezuinigingen. Laat er ons een actie van maken vanuit de ganse Denderstreek.

Er is vernieuwd debat nodig over de aanpak van het verzet. vzw ’t Uilekot maakte een tentoonstelling rond verzet in de Denderstreek en ClimaxiABVVACVGreenpeace en anderen nodigden alvast mensen uit om de top-downmethodieken aan kant te zetten en op zaterdag 16/1 even naar mekaar te luisteren op een dag rond de link tussen klimaat en sociale rechtvaardigheid. Anderen zullen volgen en een aanzet geven tot de broodnodige vernieuwing van links.

Het economisch terrein moet opnieuw het terrein worden van de bevolking in plaats van de elites. Méér en méér coöperaties nemen het heft in handen, ook in eigen streek. De coöperatie Eco & Fair groepeert vzw Climaxi, ’t Uilekot en Wereldwinkel Herzele in een poging om het idee van eerlijke handel af te stoffen. De coöperatie koos er bewust voor om de bestaande partners te ondersteunen. Dat kunnen ze best gebruiken in een tijd waarin de subsidies van iedereen onzeker worden. vzw ’t Uilekot zelf stelt het al vijf jaar zonder enige structurele ondersteuning en leeft van zijn café, acties en giften. “Terwijl wij pinten tappen om na 45 jaar werking het hoofd boven water te houden, sponsort Poetin radicaal rechts en geeft België de nationalisten miljoenen aan partijfinanciering om onze rechten af te breken”, zegt men daar aan de toog. In Soignies timmeren bijvoorbeeld de arbeiders van de glazenfabriek Durobor na hun ontslag aan een eigen coöperatie. 

Mogen we hopen dat politici en het sociaal middenveld in Aalst, Gent, Antwerpen, Geraardsbergen en de rest van Vlaanderen zelf hun eigen belangen even aan de kant laten staan, om via verzamelde acties de veranderingen af te dwingen die nodig zijn? 

Wat in Aalst gebeurt, is niet meer de zaak van Aalst. Het is een model van een toekomstige Vlaamse maatschappij die we liever kwijt dan rijk zijn. Alleen gaan we daar dan ook iets moeten voor doen. Want buiten staan mensen te wenen.

Filip De Bodt 

Foto: Anja Vanrobaeys

Na de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2018 kwam de Denderstreek veelvuldig in het nieuws. Wij waren de marginale driehoek waar Forza Ninove en het Vlaams Belang hoog scoorden. Op zondag 26 mei 2019 was dat ook zo. In de meeste steden van de Denderstreek (Aalst, Ninove, Denderleeuw, Geraardsbergen) kunnen N-VA en het Vlaams Belang samen een meerderheid maken bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen. Er is wel een kleinigheid veranderd: ondertussen wonen de meeste Vlamingen in een ‘marginale driehoek’. Weest wel gekomen, zou ik zeggen.

In een artikel voor vzw ’t Uilekot probeerde ik na de gemeenteraadsverkiezingen te duiden waar naar mijn idee de knoop zat/zit:  de vrees voor mensen uit andere culturen zit als het ware in het DNA van de Vlamingen gebakken en het politiek resultaat wordt aangewakkerd door een soort van gele-hesjes-gevoel. Mensen voelen zich (terecht) in de steek gelaten en zien af door spectaculair toenemende armoede, afbouw van openbare diensten, knoeiende politici. Een kapot bezuinigd, kwakkelend en lauw middenveld biedt weinig weerstand. 

De relatie tussen armoede, het gevoel opgegeven te zijn en extreemrechts stemgedrag wordt nu ook in traditionele media aangehaald en uit onderzoeken blijkt dat onder meer laag opgeleide jongeren massaal Vlaams Belang stemmen. Dit stelden Marc Swyngedouw en anderen al in 2014.

Links profiel?

Het VB speelde mooi in op de sociaaleconomische onzekerheid die veel mensen treft. Logisch, het publiek dat mogelijk voor het VB stemt, overtuig je niet met de rechtse draconische economische maatregelen (afschaffen werkloosheidsvergoeding, verbieden vakbonden, vingerafdrukken voor werklozen) uit het oude Vlaams Blok programma. En ook: dat terrein is ondertussen bezet door de N-VA, je kan dus beter een andere stelling gaan zoeken als je wil scoren. Ik verbaas er mij nog dagelijks over hoe makkelijk journalisten de zogezegde linkse draai van het VB overnemen.

Tijd om een imago  even te checken met de realiteit hebben die mensen blijkbaar niet meer. Men probeert via enquêtes te ontdekken wat de lezer wil en zet daar op in. Ik ging voor een tekstje rond het economisch profiel van het VB even in het programma kijken naar wat zij nu vertellen over pensioenen en verloor snel elke illusie op dat vlak. Het VB belooft €1500 pensioen aan iedereen op basis van een fulltime carrière van 40 jaar. Ongewilde werkloosheid, ziektedagen en stakingsdagen tellen niet meer mee. Niemand in de pers had het daarover.

Pers en media

Dit brengt ons naadloos bij de rol van pers en media bij verkiezingen. In zijn boek ‘Nieuw Rechts’ beschrijft Ico Maly hoe radicaal rechts zich internationaal organiseert via websites als 4chan waar men afspraken maakt, mensen bedreigt en internationale cartoons of filmpjes maakt die wereldwijd aangepast en verspreid worden.

Het VB zet stevig in op sociale media en spendeerde volgens Het Laatste Nieuws minstens 380.000 € aan advertenties. PVDA lanceerde 2 filmpjes, de SP.a 1. Moeten linkse partijen zich deze manier van campagne voeren eigen maken? Allicht wel, al zijn er andere manieren (volkshuizen, mutualiteiten, buurthuizen) om nabijheid te creëren. De vroegere SP-parlementair Jef Sleeckx ging er destijds prat op bij de verkiezingen niet veel meer te moeten verrichten: “Ik sta vier jaar tussen de mensen, dan komt het op de laatste weken niet meer aan.”

Radicaal Sociaal.

Wie zich radicaal sociaal uit, daar consequent in is en zich niet presenteert als een eeuwige compromissenpartij, biedt makkelijker weerstand tegen de rechtse golf of gaat vooruit, leren ons ook deze verkiezingen. Radicaal rechts verwierf veel stemmen met een zogezegd links programma, de link tussen armoede en stemgedrag is duidelijk én de algemene ontevredenheid ook. Over deze sociale aspecten wordt vrij veel gepubliceerd. Op een maatschappelijke draai rekenen vanuit de ex-regeringspartijen, moeten we niet doen. Christophe Callewaert beschrijft in De Wereld Morgen (https://www.dewereldmorgen.be/artikel/2019/06/10/rechtse-beleid-werd-afgestraft-leve-het-rechtse-beleid-zeggen-de-media) hoe zij samen met hun bondgenoten aandringen op een nog radicalere inleveringspolitiek.  

Basisbewegingen.

Hoe je het ook draait of keert: politiek links is grotendeels afwezig in de basisbewegingen, op de werk- of buurtvloer en in de sociale media. De uitzondering op de regel is de PVDA, die via enquêtes, lokale groepen en dokterspraktijken een sterke band onderhoud met de bevolking én daar ook de vruchten van plukt. De PVDA richt zich hierbij rechtstreeks tot de bevolking en minder tot de actiegroepen. Dat laatste doen GROEN en SP.a overigens ook zelden. Terwijl die partijen tien jaar geleden wél actief waren in allerhande comités en actiegroepen, zijn ze daar nu grotendeels verdwenen. Deze lossere band verzwakt progressieven in het algemeen. Terwijl er in onze streek tien tot twintig jaar geleden een bijna permanente dialoog was tussen progressieve partijen en vb. het Denderaktiekomitee (actiegroep rond de zuivering van de Dender) of het Aktiekomitee N42, bestaat deze momenteel nog nauwelijks. Ik vertrek vanuit het idee dat je eerst een sterke pluralistische basisbeweging moet hebben, die nadien tot politieke vertolking leidt. Partijen worden evenwel méér en méér terug geworpen op zichzelf en zijn vooral bezig met de eigen navelbuik in plaats van met het versterken van de politieke ruimte waaruit ze hun medestanders kunnen halen. Als het linkse gedachtengoed moet vooruitgang, dan zal ook de PVDA daarin zijn koers moeten wijzigen door niet alleen tussen de mensen maar ook tussen de bewegingen te staan. Door ze zelf op te zoeken, ze van informatie te voorzien en ze te betrekken bij het parlementaire werk van de partij.  Als pluralistisch links sterk staat, dan legt het een vruchtbare bodem voor linkse stemmen.

Sociale bewegingen.

Ook de sociale bewegingen mogen zich gerust heroriënteren na deze verkiezingsuitslag. Ze verloren zelf aan radicaliteit en missen dikwijls een link met de basis. Op de Climaxi-website schreef ik daarover een artikel dat door nogal wat mensen bijgetreden werd.

Sociale bewegingen gedragen zichzelf soms als een soort van culturele elite die boven de gewone mensen staat en aan niemand verantwoording verschuldigd is. Velen gedragen zich als een onderaannemer van het beleid zelf. Ze hanteren een onbereikbaar jargon en interpreteren politiek als lobbywerk. Gelukkig zijn er uitzonderingen die geduldig werken aan het verenigen van mensen in een beweging die zich vragen stelt over de economische onderbouw van onze maatschappij. Anderen gaan bij politici op de bedelstoel zitten maar verwaarlozen de kracht van onderuit.

Toen begin deze eeuw de Sociale Fora georganiseerd werden in o.m. Porto Alegre stond ik versteld van de sociale bewegingen in Zuid-Amerika. Vele leden ervan waren ook politiek actief. In West-Europa overheerst de neutraliteit als een soort verkeerd gekozen strategie die onvermijdelijk leidt tot depolitisering in de verkeerde zin van het woord. We moeten kritisch staan tegenover politieke partijen, maar dit betekent nog niet dat we van politiek op zich moeten wegblijven, integendeel. Ik pleit graag voor méér betrokkenheid en politiek engagement. Pluralisme is geen politieke neutraliteit.  Toen ik coördinator was van de Z.O.-Vlaamse vzw ’t Uilekot, was ik er fier op dat ongeveer 20 % van onze leden meedeed aan lokale verkiezingen. Dat is een sterkte die verder gaat dan de eeuwige politieke neutraliteit.  

Als politieke partijen zich baseren op de basisbewegingen, dan zijn er ook radicale basisbewegingen nodig die ongegeneerd hun mening verkondigen. Toen Vera Dua minister was voor GROEN (was het toen nog met een uitroepingsteken?) besefte ze dit ten volle en respecteerde ze bijvoorbeeld het Denderaktiekomitee toen die voor haar deur kwamen betogen. Acties maken mijn beleidskeuzes bespreekbaar in de politiek, redeneerde zij.

Partijfinanciering.

Politieke partijen worden in hun navelbuikstaren straf geholpen door de manier waarop partijfinanciering in België georganiseerd is. Ik heb er geen enkel bezwaar tegen dat de overheid bijspringt in de vorming van politieke stromingen en het stimuleren van politieke discussie. Laten we ook niet vergeten dat de subsidiëring door de overheid van politieke partijen gepaard ging met het sterk beperken van de financiering ervan door het bedrijfsleven, een stap vooruit. Die bedrijfsfinanciering leidde in het verleden tot heel wat corrupte toestanden: partijen lieten zich betalen door bedrijven om dan uitgerekend hun standpunten op het politieke vlak te verkondigen. De manier waarop politieke partijen gefinancierd worden en de grootte van het bedrag stemt evenwel tot nadenken. Volgens een studie van de KUL krijgen de politieke partijen in België jaarlijks ongeveer 70 miljoen toegeschoven. Die wordt grotendeels besteed aan personeel en verkiezingscampagnes. Die subsidies richting geven door activiteiten te stimuleren in plaats van verkozenen en ze niet meer afhankelijk te maken van het aantal verkozenen, zou reeds een ferme stap vooruit zijn: financier partijen zoals socio-culturele verenigingen en keer politici een werkloosheidsvergoeding uit in plaats van een afscheidspremie. Samenwerking financieren zou een andere optie kunnen zijn.

Ook hier dragen die partijen zelf een stukje verantwoordelijkheid voor het eigen débacle. Als men radicaal rechts in Vlaanderen politiek wil bestrijden, dan moeten er centen vrij gemaakt worden voor mensen die zich professioneel bezig houden met de studie van deze bewegingen. De vzw Halt volgde met onder meer Hugo Gijsels jarenlang het Vlaams Blok op en werd daarin opgevolgd door Marc Spruyt die jarenlang zelf de energie opbracht om rond het onderwerp te publiceren. Momenteel schiet daar niets van over.

Toegegeven, stromingen bestuderen levert daarom geen stemmen op voor de tegenpolen, maar argumenten aanbrengen en punten analyseren is nuttig om tegenstanders te helpen het discours en de valse feiten te ontmaskeren of nuanceren: de 500.000 vreemdelingen die het VB ziet tijdens de laatste legislatuur, daar moet men alle EU-ambtenaren en mensen uit de buurlanden in meerekenen bijvoorbeeld. Als de traditionele pers dit soort van zaken niet naar voor brengt, dan moeten we het zelf doen toch? Wel, waar blijft die 50.000 € per jaar die nodig zijn voor een bescheiden gemeenschappelijke studiedienst rond radicaal rechts? In 2018 waren de linkse partijen samen goed voor ongeveer 10 miljoen €. Kan zo een bedragje daar niet van af?

Als linkse partijen hun banden met de basisbewegingen herstellen, leren van onderuit denken en kunnen samenwerken in pluralistische initiatieven die de wortels van extreemrechts stemgedrag aanpakken, dan is er hoop.

Filip De Bodt