De discussie rond de subsidiëring van het sociaal werk in Denderleeuw raakt de fundamenten van onze democratie. Het CD&V-Vooruit-GROEN gemeentebestuur wil er de subsidies van de vzw SAAMO afschaffen. Het is de derde keer dat men zoiets probeert in de Denderstreek. Nu gaat het evenwel om progressieve partijen die moeilijk overweg kunnen met de onafhankelijkheid van het sociaal werk. 

In 2013 werd in Herzele een eerste poging gedaan om subsidies voor verenigingen aan te pakken. De nieuwe N-VA-Open-VLD coalitie sprak over een ‘tabula rasa’ in het subsidiebeleid: De toenmalige N-VA-schepen Neirynck zei “We moeten bezuinigen en gaan de subsidies herdenken. Maar het kan goed zijn dat sommigen meer krijgen.” Onder impuls van vzw ’t Uilekot kwam het verenigingsleven in actie. Het gemeentebestuur kreeg een paar honderd postkaarten in de bus en tientallen verenigingen (van vissersclub over Natuurpunt, vrouwenorganisaties en vzw ’t Uilekot) woonden de gemeenteraad bij. Van buitenaf kwam er massale steun van socio-culturele werkers en professoren. De coalitie trok de maatregel terug en het subsidiesysteem bleef tot op vandaag onveranderd, ondanks de herhaalde pogingen van de lokale N-VA om verenigingen als ‘subsidieslurpers’ af te schilderen. Ietwat verwonderlijk dat een politieke partij, die zelf massaal overheidssubsidies opstrijkt zich daartoe leent. Vzw ’t Uilekot verloor ook nationaal zijn subsidies en draait nu zelfstandig op giften, lidgelden en de eigen barwerking. 

Aalst

In 2019 was het aan de stad Aalst om verenigingen aan te pakken. Onder leiding van N-VA-OCMW-voorzitter Sarah Smeyers zegde het OCMW (N-VA/Open-VLD en CD&V) het contract op met vier verenigingen: Schulden op Schoolvzw ParolSteunpunt Welzijn en ’t Nest. In sommige van die organisaties waren mensen actief die behoorden tot andere politieke strekkingen of redelijk kritisch stonden tegenover het stadsbestuur. Schepen van Sociale Zaken Sarah Smeyers (N-VA) liet in het Nieuwsblad optekenen dat er projecten gezocht worden “die ons beleid echt ondersteunen”. 

Ondanks een woelige gemeenteraad kwam de stad niet op haar beslissing terug. Dat het socio-cultureel werk niet volledig solidair was deed er geen deugd aan: sommige organisaties namen met plezier de extra-centen die ze daardoor kregen in ontvangst. Parol, een buurtwerk op de kwetsbare Aalsterse rechteroever sloot de deuren. Anderen krompen hun werking in of vonden nieuwe sponsors.

Denderleeuw

Een paar weken geleden luidde de noodklok in Denderleeuw: de stad (CD&V, Vooruit en GROEN-meerderheid) zegde het contract met vzw SAAMO op. Er werd, net als op de andere plaatsen, respect betoond voor de jarenlange werking met o.m. Buurthuis Palaver. Maar, de laatste jaren liep het mis, zegt Vooruit-burgemeester Jo Fonck op TV-Oost: “We zaten niet altijd op dezelfde golflengte met SAAMO”. Tegelijkertijd zegt men nog tot een oplossing te willen komen. GROEN nam alvast een wending en CD&V minister Dalle (o.m. armoedesbestrijding) vroeg de gemeente de beslissing te herzien. Dat zorgde dan opnieuw voor irritatie bij de lokale politici, die vinden dat de minister dan ook maar zijn portefeuille moet opendoen. 

Denderfonds

De Vlaamse regering maakte na een zoveelste zwarte zondag in 2019 4 miljoen € extra vrij voor DenderleeuwGeraardsbergenNinove en Zottegem. Daarmee moesten die steden de strijd aanbinden met armoede en inzetten op de integratie van nieuwkomers. Dat N-VA-minister Diependaele ook het eerder welvarend Zottegem aan boord hees, wekte bij velen verwondering op. Denderleeuw recupereerde met dit geld een deel van de lonen van de opbouwwerkers en de inrichting van buurthuis De Palaver en besteedde het geld deels goed, maar hoeft dan ook niet zo hoog van de toren te blazen rond de werking van SAAMO. Anderen voelden zich vrijer in de besteding van de zwarte-zondag-centen: Geraardsbergen betaalde er zijn ambtenaren voor stadsontwikkeling mee en Ninove gebruikte de centen deels voor camera’s en de kosten van de politiezone.  Zottegem trok geld uit voor parkings in het centrum van de stad, kwestie van een sterk ‘sociaal beleid’ voor de automobilist op te zetten.

Extreem-rechts

Dat heel wat politici in de streek de wind van extreem-rechts in de nek voelen is een feit: daags na de beslissing rond SAAMO kraaide de lokale VB-er Kristof Slagmulder victorie in een ondertussen verdwenen facebookbericht. In Ninove en Denderleeuw haalt het VB respectievelijk 40 en 26% van de stemmen tijdens de laatste gemeenteraadsverkiezingen. Dat het niet makkelijk besturen is in relatief kleine steden en gemeenten die zonder veel hulp een grootstedelijke problematiek moeten oplossen is evenzeer een feit. Dat politici hierdoor opgejaagd worden, hun centen naar goeddunken gebruiken voor projecten die sociaal weinig aan de dijk brengen en dan maar uithalen naar verenigingen, is niet meer zo logisch: 10,1% van de kinderen groeit op in armoede te Aalst, 9,2% in Denderleeuw, in Geraardsbergen 21,2% en in Ninove 13,4%. Daar zit het probleem en dat probleem kan je alleen oplossen door specialisten in het opbouwwerk, die desnoods ook maar af en toe eens tegen de schenen moeten schoppen. Dat geeft de zuurstof in een maatschappij. Ik heb zelf meermaals gezien hoe inert gemeentebesturen zijn en ben er van overtuigd dat ze zeker niet zelf van opbouwwerker moeten gaan spelen.

Trend

Uiteraard past het ‘temmen’ van verenigingen en kritische stemmen binnen het actueel antidemocratisch pleidooi van sommigen. Voor je mening uitkomen is niet meer populair. Mensen die hun arbeidsrechten verdedigen bij Delhaizekrijgen deurwaarders met boetes aan huis. Méér en méér bouwpromotoren of industriëlen kiezen voor de rechtstreekse juridische aanval op kritische stemmen. Op een week tijd kreeg vzw Climaxi een minister over zich rond het PFAS-schandaal en het VOKA rond de N60 in RonseDat de Vlaamse overheid hierbij haar eigen bezwaarschriften financiert is hemeltergend. Climaxi bijvoorbeeld ontving in 2022 144.678 euro aan subsidies van de Vlaamse Overheid. Om de plannen van diezelfde overheid vervolgens te dwarsbomen…” Men zou soms maar al te graag critici het zwijgen opleggen.

Daarom is de beslissing die Denderleeuw de komende dagen neemt zo belangrijk: dit gaat niet over couscous of frieten, maar over het recht om je werking inhoudelijk onafhankelijk uit te voeren, om de essentie van het socio-cultureel werk. Dat dwingt ons als collega’s en sympathisanten om met hand en tand te vechten voor iedereen die op dat vlak in de penarie komt te zitten. Dat dwingt het gemeentebestuur van Denderleeuw om ook die kant van het verhaal in overweging te nemen. Kritiek is positief en zou de overheid moeten aanzetten tot nadenken. “Ook de afbreker bouwt op” schreef Louis Paul Boon.

Filip De Bodt

26 streekgenoten en sympathisanten namen in elk geval al het initiatief voor volgende oproep:

Wij, ondergetekenden, vernamen dat het Gemeentebestuur van Denderleeuw zijn samenwerking met SAAMO zou stopzetten. Aan de basis daarvan liggen, zegt men, een aantal verschillen in benaderingen en communicatie.

Als bewoners van of mensen die werkzaam zijn in de Denderstreek willen we benadrukken dat SAAMO goed werk doet.  Wij vinden dat het socio-cultureel werk een onafhankelijke positie moet innemen tegenover de overheid. Socio-cultureel werkers zijn geen onderaannemers van het beleid.

Wij horen dat het Gemeentebestuur de sociale taken van deze organisatie wil overnemen, maar denken dat armoedebestrijding en integratie specialistenwerk is. We beschouwen dit als een verdere afbraak van de sociale dienstverlening in onze streek.

Wij willen het Gemeentebestuur dan ook vragen om deze beslissing te herzien.

Dominique Willaert (Gent, auteur, werkend aan een boek over de Denderstreek)

Filip De Bodt (Herzele, vzw Climaxi)

Sarah Hutse (Herzele, vzw ’t Uilekot)

Johan Dumortier (Denderleeuw, vakbondssecretaris BBTK-ABVV)

Vanessa Finjaer (Denderleeuw, ABVV-afgevaardigde)

Denoix Kerger (Gent, docent socio-cultureel werk Artevelde Hogeschool)

Bart De Durpel (Herzele, LEEF!)

Marnix Schollaert (Herzele, GROEN)

Paul Haustraete (Gemeenteraadslid LEEF!&GROEN-Herzele)

Marnix Schollaert (GROEN-Herzele)

Hilde Fonck (Herzele, gepensioneerd leerkracht KA Denderleeuw)

Geert Van Waeyenberghe (Zottegem, Lid Bijzonder Comité Sociale Dienst voor Vooruit!)

Lieven De Pril (vrijwilliger en auteur over armoedebestrijding, actief in Welzijnsschakel Lede en Erpe-Mere)

Ben Deckers (Herzele)

Michelle Van Impe (Ex-opbouwwerker bij Saamo in Denderleeuw en bewegingsmedewerker vzw Climaxi)

Ludo Segers (Puurs)

Pascal De Decker (Fac. Architectuur KU Leuven)

Ico Maly (auteur)

Katrien Van Poeck ((Prof. Politieke Wetenschappen Ugent)

Katrien Neyt (ABVV-Oost-Vlaanderen)

Prof. Dr. Eric Corijn (Vrije Universiteit Brussel, Cosmopolis, Centre for Urban Research)

Alexander Van Ransbeeck (Voorzitter PVDA Aalst)

Catalina Antoneanu (Denderleeuw)

Michel Markey (Haaltert)

Hugo Matthieu (Aalst, voormalig BBTK-delegué)

Sarah De Bruecker (medewerker bbtk en actief in groen Aalst)

Zich aansluiten kan via een mail naar info@climaxi.be

In de lente is er Boekmei, het literair festival van ‘t Uilekot dat boeken en verhalen in het zonnetje zet. De editie van 2023 heeft dit jaar als thema Mensenrechten en gaat door van 22 april tot en met 8 mei. Op het programma staan auteurslezingen, een theatermonoloog, concert en boekenmarkt met literair café.

Kurt Defrancq en Guido Desimpelaere brengen de pakkende theatermonoloog De Poppendokter, over WOII.

Hans Claus heeft het over kleinschalige detentiehuizen en brengt zijn poëzie.

Op de Dag van de Arbeid, tijdens ons boekenfeest op 1 mei, vertellen Sien Volders, Els Snick en Yves Petry over hun passie voor schrijven of het ontstaan van hun boek en Jo Van Driessche leest jou individueel en op maat zijn gedichten voor. Snuister er op de boekenmarkt tussen oude boekenkaften, strips, postkaarten en recente tweedehandsboeken, maak een praatje met andere boekenliefhebbers of ruil jouw eigen boek met dat van een ander. Mong, Tamara en De Illustratie brengen dan ook een heerlijke ratatouille van muzikale, meezingbare verhalen.

Als afsluiter van Boekmei nemen we deel aan ‘Vrij op 8 mei’, waarbij we gelijktijdig met andere cultuurhuizen een culturele herdenking organiseren over het einde van de Tweede Wereldoorlog (nazi-Duitsland).

Een zitplaats reserveren is aangeraden en gaat via www.uilekot.org/contact

Meer info per activiteit: www.uilekot.org/events

Boekmei is een initiatief van de boekenwerkgroep van ’t Uilekot vzw en op 1 mei is dit in samenwerking met vzw Climaxi. De activiteiten gaan door in en rond het boekencafé van ’t Uilekot, Groenlaan 41, 9550 Herzele.

Zin om jou te engageren als boekenvrijwilliger tijdens de activiteiten of ter voorbereiding van een volgende editie? Geef ons een seintje tijdens een activiteit of stuur een berichtje via ons contactformulier.

Boekmei is mogelijk door de steun van Literatuur Vlaanderen.

Op maandag 1 mei organiseert de boekenwerkgroep van ’t Uilekot het literair evenement Boekmei (thema ‘mensenrechten’). Voor de boekenmarkt op deze dag verwelkomen wij graag boekverkopers (11u – 18u). Uw verkoopmateriaal dient hoofdzakelijk uit nieuwe of tweedehandsboeken te bestaan. Oude en historische papierwaren zoals postkaarten, strips, landkaarten,… kunnen ook.

De boekenmarkt is open van 11u tot 18u (doorlopend ook auteurslezingen, drank- en eetverkoop). Jouw deelname is gratis en je kan jouw kraam opstellen tussen 10u en 11u. Hierna vragen we jou de auto te parkeren op de Groenlaan. De boekenmarkt gaat door in een tent op ons terrein (bij regenweer). De inkleding van jouw stand laten we aan jou over (bvb. zelf plooitafel of decoratie meebrengen).

Inschrijven is nodig en gaat via dit registratieformulier.

Locatie: ’t Uilekot vzw, Groenlaan 41, Herzele.

In de namiddag zijn er tussen 14u en 18u auteurslezingen door Sien Volders, Els Snick en Yves Petry.

Na het boeiende debat in ’t Uilekot met Dominique Willaert en Eric Corijn over de nood aan een nieuw verbindend links project verdiepten wij ons nog wat in Corijns boek “Gramsci Lezen – van klassenstrijd tot woke”. In dit werk laat Corijn zich inspireren door de Italiaanse marxist Antonio Gramsci (1881-1937) en biedt hij de lezer een diversiteit van perspectieven op de besproken problematiek. Hieronder verduidelijken wij eerst Gramsci’s centrale begrip hegemonie, vervolgens geven wij enkele bedenkingen bij het boek van Corijn en tot slot leggen wij de link met de praktische werking van ’t Uilekot.

Marx beschreef de economische wetten van het kapitalisme en de uitbuiting van de arbeiders, maar zijn theorie is deterministisch en leidt tot passiviteit, stelde Gramsci. Ze overschat het belang van dwingende macht en onderschat de hegemonie, de culturele instemming met praktijken en opvattingen. Mensen geloven dat ze vrij en gelijk zijn in de kapitalistische staat. Dit vals bewustzijn wil Gramsci vervangen door een tegenhegemonie, ontwikkeld door praktische vormen van solidariteit in de arbeidersstrijd en een nieuwe ideologische theorie. Die dubbele beweging van praktijk en theorie moet vorm krijgen in een politiek project dat de arbeidersklasse emancipeert en bevrijdt van de uitbuiting. Zo zag Gramsci het bijna honderd jaar geleden, en Corijn zoekt naar een actueel links politiek project dat de tegenhegemonie kan verwerven. Het is een belangrijk thema in een tijd waarin rechts de hegemonie heeft via zowel het kosmopolitisch neoliberalisme als haar nationalistische tegenreactie. Als aanvulling op Corijns pleidooi formuleren wij enkele bedenkingen bij zijn boek om zo mee de zoektocht naar nieuwe praktijken en opvattingen een tegenhegemonie te stimuleren.   

Corijn neemt in zijn boek veel hooi op zijn vork en dat is jammer. Gramsci’s gedachtegoed geeft hij goed weer, maar hij bespreekt ook latere marxisten die door hem beïnvloed zijn. Bij elk van die volgelingen serveert hij de ideeën van hun voornaamste critici, veelal in hun eigen terminologie. Dit alles maakt de tekst moeilijk leesbaar. Komt daarbij dat Gramsci zijn centrale begrip hegemonie ontwikkelde in de erbarmelijke omstandigheden van een Italiaanse gevangenis waardoor zijn notities soms tegenstrijdig zijn. De actualiteit van Gramsci’s boodschap raakt zo ondergesneeuwd. De meester toont zich in de beperking, schreef Goethe, en Corijn had dat motto beter wat ernstiger genomen. Dan zouden minder lezers halfweg de lectuur van het boek afhaken en zou zijn boek over Gramsci een bredere verspreiding vinden.    

Om anno 2022 een tegenhegemonie op te bouwen zoekt Corijn inspiratie bij Laclau en Mouffe, twee volgelingen van Gramsci. Ze bieden een “model waar men mee loskomt van de vele impasses waarin de historische debatten verzand zijn” (pag. 161), schrijft Corijn terecht. Zij verwerpen “de communistische voorhoede als drager van de hegemonie” (pag. 150) en bieden inspiratie om de al te diepe kloof tussen het socialisme, de politieke ecologie en de nieuwe sociale bewegingen te dichten. Diversiteit krijgt zo zijn plaats in het nieuwe gemeenschappelijke links project, en dat is een goede zaak. Maar als Corijn het samen met Laclau en Mouffe heeft over “de openheid en de vloeibaarheid van het sociale, dat zelf ook bepaald wordt door de oneindigheid van taalspelen” (pag. 163) gaat hij toch wel heel sterk de postmoderne toer op. Een open politiek debat is belangrijk voor het ontwikkelen van een tegenhegemonie, maar oneindige taalspelen sluiten al te veel aan bij postmoderne vrijblijvendheid en onvoldoende bij Gramsci’s filosofie van de praxis, geworteld in verzet en strijd. Is “elke subjectpositie, ook die van de arbeidersklasse, het product van een narratief” (pag. 172)? Als mensen door armoede in opstand komen tegen het kapitalisme, is dat allereerst een zaak van materiële belangen waarvoor ze opkomen. Gedeelde verhalen zijn cruciaal voor de opbouw van een tegenhegemonie, maar hegemonie verwerven is meer dan “het opbouwen van een vertooggemeenschap” (pag. 161). Zo niet, dan zal Corijns politieke project blijven steken in postmodern gebabbel waarvan mensen zich zullen afkeren.     

Corijn blijft dromen van een éénheidsproject. Wij vinden ons helemaal terug in zinnen als “De herpolitisering moet… bestaan uit het samenbrengen van reëel bestaande praktijken en een tegenhegemonisch narratief” (pag. 211) en delen zijn pleidooi voor de verbondenheid van vele nieuwe sociale bewegingen, het socialisme en de politieke ecologie. Corijn stelt dat die laatste het meest beloftevol is om de leiding te nemen bij het opbouwen van een tegenhegemonie in onze tijd, maar de politieke ecologie biedt “geen totaalanalyse van de systemische crisissen” (pag. 206). In dezelfde lijn schrijft hij dat “de meervoudige en onherleidbare diversiteit van de hedendaagse sociale strijd elke grondslag voor een politieke verbeelding met één Subject en één verloop van dé Geschiedenis… en een Rationele ordening van tafel geveegd” heeft (pag. 130). Wij volgen hem hier niet meer. Een allesomvattende theorie die als richtlijn voor de praxis kan dienen, zal de diversiteit van de praxis ondergeschikt maken aan de theorie en is niet wenselijk. Sociale klassen, politieke partijen en zelfs gemeenschappen hoeven veelheid en diversiteit niet uit te sluiten, noch in theorie, noch in praktijk. Zo’n verbondenheid in diversiteit probeert ’t Uilekot in haar werking te realiseren en in een laatste alinea leggen wij het verband met Gramsci’s project.      

De vzw ’t Uilekot bouwt in praktijk met vele vrijwilligers aan een ecologische en solidaire samenleving en vindt haar theorie in een basistekst, gepubliceerd op haar website. Kritische rationaliteit staat hierin centraal omdat “elke mens met een zekere vorm van rationaliteit behept” is en omdat elke mens kritisch kan reflecteren over zijn praktijk. De nadruk op het belang van voedselproductie en de distributie van lokale landbouwproducten via de Eco & Fair winkel wijkt af van Gramsci’s marxistisch primaat van de industriële ontwikkeling, maar het aanbod van producten uit coöperatieven sluit dan weer helemaal aan bij zijn basis socialistisch project. Met het oog op de opbouw van een wereldwijde tegenhegemonie steunde ‘t Uilekot begin 21e eeuw volop de idee van participatieve democratie van het Wereld Sociaal Forum. Corijn heeft het jammer genoeg niet over dat belangrijke experiment. Ook de huidige geopolitieke verschuivingen ziet Corijn onvoldoende. Over enkele decennia mag je verwachten dat de Chinese communistisch partij de rechtse hegemonie van het kapitalistische Westen zal verdringen met een nieuwe hegemonie waar wij in ‘t Uilekot niet vrolijk van zouden worden. Hoe hiertegen een tegenhegemonie opbouwen, is een belangrijke vraag voor de volgende decennia. Het zou Gramsci’s geest die de fascisten van Mussolini in de gevangenis nooit klein kregen, anno 2022 eer betuigd hebben als Corijn zich hiermee meer ingelaten had. Het zou het grote belang van zijn thematiek gediend hebben.

Lieven Plouvier, Sophia De Wolf en Filip De Bodt

Een uitvoeriger bespreking van het Corijns boek door Sophia is te vinden op de site van het HVV (zie https://humanistischverbond.be/kritisch-lezen/760/gramsci-lezen-van-klassenstrijd-tot-woke).

Omvolking was voor Hitler de nazi-term die hij koos voor de door hemzelf gewenste germanisering van Oost-Europa. Het ‘Herrenvolk’ had Lebensraum (plaats) nodig en de ‘omvolking’ van het Oosten, met Duitsers in plaats van Polen, was de oplossing.

Vandaag wordt het woord omvolking ook gebruikt door extreem rechts. Volgens hen voeren de Europese politieke leiders bewust een politiek om het ‘originele Europese volk’ te vervangen door mensen uit Islamitische landen. Ze vertellen er ook in één adem bij dat Europa hierdoor onder druk van ‘vreemde mensen’, Islamitisch zou worden. Die haatdragende omvolkingstheorie wordt vandaag volop door het Vlaams Belang verkondigd. Ook in ons mooie Herzele. Het VB kan je bijna vergelijken met bepaalde groepen langs de fundamentalistische kant van de Islam en andere godsdiensten in hun jonge vorm: vrouwen aan de haard, geïsoleerd leven, tegen abortus, godsdiensten van mekaar scheiden.

Voor alle duidelijkheid: we bestrijden alle conservatieve en reactionaire ideeën zonder onderscheid, welke religieuze, filosofische of politieke basis die ook mogen hebben.

Volgens ons heeft onze gemeente andere problemen: mensen die niet meer rondkomen of hun energie niet kunnen betalen. Herzele dat stilaan zijn plattelandskarakter dreigt te verliezen door een overvloed aan appartementen of het idee om uit te groeien tot een gemeente met 20.000 inwoners. De vervuiling met PFAS aan de brandweerkazerne, die een pak duiten gaat kosten als men tot sanering wil overgaan. De afbouw van openbaar vervoer en het verdwijnen van de kleinhandel. Dit zijn voor ons de prioriteiten waarrond wij alle Herzelenaren uitnodigen om samen te werken.

Trouwens, met die omvolking valt het dik mee in Herzele: In 2000 hadden wij 1,45 % mensen ‘van vreemde origine’ zoals dat heet. In 2021 was dat 9,5 %. Dat is toch veel, horen we een paar mensen denken. Opgelet, als men zegt ‘van vreemde origine’, dan gaat dat bijvoorbeeld ook over Belgen van wie minstens een van de ouders bij de geboorte niet de Belgische nationaliteit had. In Herzele zijn mensen met buitenlandse roots vooral (in dalende lijn) Roemeen, Pool, Nederlander, Congolees of Spanjaard. Mensen die deels werken in essentiële jobs zoals de zorg, de bouw en de logistiek. Als iedereen die een ander kleur heeft morgen moet terugkeren… wie gaat er dan allemaal die jobs doen?

Conclusie: je moet al een zeer scherpe bril opzetten om mensen die Islam als godsdienst hebben te vinden in landelijke gemeenten als Herzele. Waarom daar dan vuurtje rond stoken? Wij focussen liever op echte problemen en solidariteit.

Geniet van de zomer. Allen samen!

vzw ‘t Uilekot
vzw Climaxi
ABVV Oost-Vlaanderen
Curieus Herzele

De klus is geklaard! Duizendhonderd pagina’s economische geschiedenis zijn zowel met liefde als met haat doorworsteld. Dat ging de ene moment bijgevolg vlotter dan de andere. Had Piketty, de Franse econoom die wereldwijde bekendheid verwierf met zijn ‘Kapitaal in de 21ste Eeuw’, het wat beknopter moeten houden? Ja en nee.

Ja, omdat zijn historische analyse met het oog op het beter begrijpen van meer recentere ontwikkelingen zodanig gedetailleerd is dat sommige lezers zonder twijfel grote stukken zullen overslaan. In zijn inleiding haalt hij zélf dat gevaar aan, hij vraagt om chronologisch te lezen en niet enkel zijn conclusies bij de verschillende hoofdstukken door te nemen. Meermaals heb ik zelfs de indruk dat ik een handboek voor studenten in handen heb, zo uitgebreid is zijn betoog. De auteur herhaalt bovendien meermaals reeds eerder in zijn boek beschreven vaststellingen, alsof hij zeker wil zijn dat het goed wordt ingeprent. Tabellen en voetnoten besliste ik al snel gewoon over te slaan. Om die óók nog vrijwillig te bestuderen en te lezen, daar is het leven toch wel veel te kort voor.

Neen, omdat de uitgave een lawine aan intrigerende info en verduidelijking bevat over verleden en heden. Hij laveert uitgebreid via economie en geschiedenis, slaat regelmatig een zijweg in naar de literatuur, sociologie en filosofie. Wat tot gevolg heeft dat je op sommige momenten hevig in het boek getrokken wordt en ontzettend veel interessante achtergrondkennis opdoet over maatschappelijke mechanismen. Het boek is dus het ene moment gortdroog, dan weer meeslepend. Achterflapteksten strijden nogal eens naar de eerste prijs bewieroking. Feit is dat die positieve commentaren er wel degelijk zijn. Ongetwijfeld zijn er ook andere. Die de flap natuurlijk niét halen. Wie koopt het, wie leest het, wie worstelt zich hier doorheen? Dat vraag ik me aanvankelijk meermaals af. Maar ik ondervind al snel dat hoe meer ik vorder in het boek, hoe interessanter ik het begin te vinden. Al zijn er, eerlijk toegegeven, eveneens een aantal paragrafen die mijn herhaaldelijk rechtgezette pet te boven gaan.

Heel tof voor de literatuurliefhebbers én een noodzakelijke frisheid in de eerste twee delen is dat Piketty een aantal klassiekers connecteert aan de tijd waarvan ze een weerslag zijn. Overbekende werken van onder andere Jane Austen en Honoré de Balzac worden op die manier in hun historische context geplaatst en dat geeft deze een extra dimensie. Tijdens het lezen van die passages dringt de vraag zich op of ik niet beter voorrang zou geven aan die romans zélf. De boeken die ik al las, moet ik dan misschien zelfs eens herlezen. Ongetwijfeld ‘lees’ ik ze anders. Het letterlijk en figuurlijk zware boek goed doorploeteren vraagt tijd, en het schrijven ervan moet een monnikenwerk geweest zijn. Piketty splitst zijn werk op in vier delen.

Hij start met het schetsen van de inegalitaire stelsels uit de geschiedenis, met name de standenmaatschappijen en de bezitterssamenlevingen (19de eeuw) en laat tal van historische ontwikkelingen in verschillende landen de revue passeren – ontwikkelingen die te maken hebben met de hardnekkige structuur van diverse vormen van ongelijkheid. De hyper-inegalitaire samenlevingen van de voorbije drie eeuwen kunnen niet zomaar terzijde worden geschoven als een oude, voorbije wereld, er zijn tal van raakpunten die van wezenlijk belang zijn om de huidige wereld te begrijpen.

In deel twee doet Piketty minutieus uit de doeken hoe de slavenstaten, koloniale samenlevingen en de standenmaatschappijen een zware erfenis van ongelijkheid nalieten. Heiligverklaring van privébezit had zelfs tot gevolg dat bij de afschaffing van de slavernij in de VS de bevrijde slaven hun vroegere eigenaars letterlijk een hoge tol moesten betalen voor hun vrijheid. Voor president Jefferson kon er enkel sprake zijn van vrijmaking wanneer de eigenaars daarbovenop nog een billijke staatsvergoeding kregen, ze waren immers hun werkkrachten kwijt. Wat het bewijs is van een doordrongen respect voor propriëtarisme. De slaven schadeloos stellen als compensatie voor het hun aangedane onrecht, niemand vond het nuttig of nodig.

In deel drie analyseert de auteur hoe de sociale ongelijkheid in de twintigste eeuw ingrijpend veranderde, aanvankelijk in de goede richting. De eeuw laat hij beginnen bij de aanslag in Sarajevo op 28 juni 1914 en eindigen bij de aanslagen in New York op 11 september 2001. Kenmerkend voor dat tijdperk is de hoop op een rechtvaardiger wereld, een samenleving met sociale gelijkheid én het voornemen om de oude, inegalitaire regimes radicaal om te vormen. De twintigste eeuw wordt na de twee grote conflicten vooral gekenmerkt door de contacten tussen samenlevingen en culturen die elkaar voordien bijna volledig negeerden en voornamelijk communiceerden via interstatelijke relaties en militaire overheersing. Het laissez-faire raakt in diskrediet en de overheidsbemoeienis stijgt. Na de ‘Trente Glorieuses’ (1950-1980) groeit de ongelijkheid echter opnieuw. Het aantal belastingparadijzen stijgt terwijl politieke wil tot transparantie ontbreekt. Sedertdien ondergraaft  vermogensconcentratie en een ondemocratische spreiding van de rijkdom de samenleving. En waarschuwt Piketty dat dat wel eens gevaarlijk zou kunnen zijn. Antidemocratische keuzes blokkeren de totstandkoming van ambitieuze internationale politieke programma’s om meer gelijkheid te bewerkstelligen. Zo worden in zowel de postcommunistische als kapitalistische landen de mislukkingen van het communisme regelmatig aangegrepen om bij voorbaat elk ambitieus herverdelingsproject in de kiem te smoren.

Ook de EU kent geen prioriteit toe aan de strijd voor fiscale rechtvaardigheid en hogere belastingen voor dominante spelers. Piketty vindt dit riskant. Die koers geeft brandstof aan een diep anti-Europees sentiment onder de lagere en middenklasse waardoor het mensen in de armen van nationalistische, nativistische en identitaire bewegingen duwt. Hij stelt de pertinente vraag waarom de EU een gezamenlijke munt en de ECB wist te bewerkstellingen, maar geen gezamenlijke fiscale constructie om belastingen te heffen inrichtte. Het antwoord is niet moeilijk te vinden. De afzonderlijke landen willen de concurrentiepositie behouden en bijgevolg ook de grote bedrijven in eigen land houden of er naartoe lokken met alsmaar lagere winstbelastingen.

Wat de auteur vertelt zal voor velen niet nieuw zijn – het autoritaire liberalisme à la Friedrich Hayek is bijna dagelijks onderwerp van vele artikels en opinies. Anderen zal het regelmatig de ogen openen. Piketty hamert herhaaldelijk op de oorzaken en de gevolgen van ongelijkheid, focust op de hardnekkige mechanismen die een uitweg uit de impasse verhinderen en wijst op het kortzichtig eigenbelang van elites met een meritocratisch discours. Piketty is een Franse burger, casus Frankrijk komt dus uitgebreid in zijn vizier. Ook om zijn punt te maken dat als het vraagstuk van die ongelijkheid niet ernstig genomen wordt, eveneens het klimaatbeleid door wijdverbreid onbegrip en protest geblokkeerd wordt. En kan dat ook anders wanneer de Franse regering forse verhogingen van de CO²-belastingen doorvoert op benzine, maar een uitzondering maakt voor kerosine?

De grote en tegelijk ontnuchterende conclusie van de econoom (doorheen het hele boek) is dat de meeste politiek-ideologische constructies hebben laten zien dat sociale ongelijkheid nooit iets ‘natuurlijks’ had en dat nog altijd niet heeft: ze zijn net een gevolg van die politiek en ideologie. Politieke elites maken keuzes en die zijn altijd wel in iemands belang. Eén keer raden in wiens belang…

Vanaf de jaren 1990 stak een grenzeloos geloof in de zelfregulering van de markt en het privébezit de kop op. Zowel de Amerikaanse Democraten als de Europese socialisten stopten van dan af grotendeels met nadenken over de indamming van het kapitalisme of over alternatieven ervoor. Thomas Piketty zal deze recensie niet lezen, dus even onder ons: indien uw eventuele interesse niet langer tegen te houden is, laat de eerste twee delen voor wat ze zijn of lees enkel de conclusie en concentreer u meteen op de laatste twee hoofdstukken. Die bieden een helder en boeiend overzicht op een eeuw Amerikaanse, (Oost-)Europese en Aziatische politieke geschiedenis, haar electorale systemen en de opvallend gelijklopende tendensen – van het Reaganisme tot gele hesjes, via de Brexit tot Beppe Grillo, van Poetin tot Bolsonaro. Ook laat de auteur in dit lijvig werk de lezer kennismaken met ‘brahmaans links’, een term om uit te leggen hoe vanaf 1990 de hoger opgeleide kiezers via de ‘opleidingslijn’ naar de andere politieke zijde verhuisden, meer bepaald de linkerzijde die door de zich in de steek gelaten voelende kiezer met lagere of geen diploma’s verlaten werd in het voordeel van nativistische partijen. Het op een traditionele klassenscheidingslijn gebaseerde, naoorlogse links-rechtspartijensysteem maakte geleidelijk plaats voor een systeem van meerdere elites, waarin brahmaans links de hoger opgeleiden aantrok en zakelijk rechts de mensen met de hoogste inkomens en vermogens.

In het vierde deel neemt Piketty eerst nog een lange aanloop om uiteindelijk in het laatste hoofdstuk met de beloofde voorstellen tot oplossingen- een aantal zijn niet nieuw – wat betreft de onrechtvaardigheden te komen. Hij stelt zich hierbij terughoudend op, maar biedt niettemin uiterst steekhoudende (veelal dus reeds gekende) alternatieven voor de huidige scheeflopende gang van zaken. Oplossingen waarbij de nuchtere lezer met voorkeur voor rechtvaardigheid ongetwijfeld ja-knikkend verder leest en zich afvraagt waarom het nog geen werkelijkheid is. Volgens de econoom moeten we weg van een wijdverbreide nationalistische trend waarin landen zich in isolement binnen de grenzen van eigen staat en identiteit terugtrekken en in de plaats daarvan evolueren richting sociaal-federalisme op mondiaal niveau. Hij geeft toe dat dit laatste een ideaalbeeld is, maar het positieve is dat een waaier aan tussenvormen mogelijk is. Progressieve vermogen- en inkomstenbelasting, gelijke opleidingskansen door toegankelijk onderwijs voor iedereen, eerlijke partijfinanciering, inperking van de macht van aandeelhouders, transnationale fiscale rechtvaardigheid met gemeenschappelijke heffingen voor de hoogste inkomens en vermogens én voor multinationals, paal en perk stellen aan belastingparadijzen en offshoreconstructies. Een nieuw soort globalisering, gebaseerd op verdragen van gemeenschappelijke ontwikkeling met als doel sociale, fiscale en ecologische rechtvaardigheid.

Piketty demonstreert met cijfers dat elke vorm van ambitieus beleid qua herverdeling en bestrijding van ongelijkheid verwaarloosd of – vooral – genegeerd wordt. Waardoor structurele veranderingen voorlopig utopie zijn. Daarom dat de auteur – die meegeeft dat door zijn studie van historische bronnen zijn opvattingen minder liberaal en meer socialistisch zijn geworden – zijn boek eindigt met de oproep om mee te denken, om een breed maatschappelijk debat, steunend op argumenten, ideeën en ervaringen, te openen. Het maakt hem niet uit of de lezer het eens is met zijn conclusie, hij wil de discussie aanzwengelen. Of wil althans met dit boek de historische en economische kennis ervoor verspreiden. Hier en daar blijkt tussen de regels dat Piketty niet overwegend pessimistisch is. Tijdens zijn onderzoekwerk voor het boek merkte hij dat net in crisismomenten telkens gegrabbeld wordt in de vergaarbakken van ideeën van de intellectuele lange termijnontwikkelingen, weg van de korte termijnlogica.

Had ik met deze recensie – net als Piketty met zijn boek – bondiger moeten zijn? Ja en neen. Ja, omdat er ongetwijfeld ondertussen al lezers afgehaakt hebben wegens te lang en te droog en omdat ik zelf weet dat dergelijke uitgebreide exposés niet gelezen worden, ook soms door mij niet – ook al ben ik een veellezer. Neen, omdat ik niet anders beoogde dan de belangrijkste wetenswaardigheden meegeven. Het allernoodzakelijkste, zodat, wanneer dit boek niet gelezen wordt, het aantal volhouders die tot hier zijn geraakt, toch gebriefd zijn.

Heb ik voor mezelf mijn tijd nuttig gebruikt? Had ik beter een paar romans gelezen? Persoonlijk weet ik dat hoe verder ik vorderde in ‘Kapitaal en ideologie’, hoe duidelijker het werd dat ik de actualiteit beter en minder naïef zal kunnen volgen. Dit leidde echter ook tot het stijgen van het aantal desillusies. Feit is wel dat ik onmiskenbaar veel feitenkennis heb verworven, antwoorden heb gekregen op vragen die ik me al lang stelde, mijn blik heb verruimd en beter geïnformeerd ben. En ook beseft heb dat de geschiedenis zich misschien niet herhaalt, maar toch opmerkelijk veel gelijklopende evoluties kent waar uit te leren valt. Net zoals uit dit boek, dat blijvend kan dienen als een soort naslagwerk.

Ja! Die duizendhonderd pagina’s geduldig doorploegen was het waard. Achteraf gezien althans toch…

Sophia De Wolf

Uitgeverij De Geus, 2020

Frontex is de populaire afkorting van het  Franse Frontières Extérieures. Formeel luidt de benaming in het Nederlands ‘Europees Agentschap voor het operationele beheer van de samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie’. (AMOCEB). Een Europees  agentschap wordt belast met een specifieke taak; in het geval van Frontex staat die taak duidelijk in de officiële benaming (zie hoger). Het agentschap werd opgericht in 2004 en is operationeel sinds 2005. Het jaarbudget bedroeg toen 6 miljoen €, vandaag…  460 miljoen €. De zetel bevindt zich in Warschau, Polen.

Lobby’s

‘Politieke correctheid’ is een scheldnaam  geworden maar ‘lobbyist’  pronkt fraai op een adreskaartje. In januari 2020 waren zowat 12.000 verenigingen en personen, zeg maar lobbyisten, officieel geaccrediteerd bij het Europees Parlement in Brussel.

Ook het agentschap Frontex kan niet achterblijven en heeft tussen 2017 en 2019 minstens 17 ontmoetingen in Warschau of in omliggende hotels met wapenbedrijven. Voornamelijk Europese  maar ook Amerikaanse, Israëlische en Canadese wapen-, technologie- en defensiebedrijven kregen toegang tot de directie en hoge ambtenaren van Frontex “om mee te denken over de toekomst van het Europees grensbeleid”. Voor “besloten werkdagen” werden zelfs afgevaardigden uitgenodigd van landen als Wit-Rusland, Angola en de Verenigde Arabische Emiraten, met een bedenkelijke reputatie als het op mensenrechten aankomt.

Bovendien heeft Frontex het parlement voorgelogen en spuit het mist over zijn ontmoetingen met ongeregistreerde lobbyisten van internationale wapenbedrijven. Die vinden vooral plaats in het kader van openbare aanbestedingen voor aankoop van handwapens, drones, hartslagdetectoren en andere biometrische technologie om migranten sneller te detecteren. Een Belgisch lobbyist legt de vinder op de wonde: “Frontex heeft veel geld te besteden. Natuurlijk trekt dat de interesse van grote spelers”.

Migranten louter als bedreiging

Het beeld dat uit de verslagen naar voor komt is verontrustend: het agentschap ziet de migratie louter als een bedreiging en een veiligheidsprobleem. Over de complexe wortels van migratie of de historische rol die mensenrechten spelen in de Europese Unie wordt nauwelijks melding gemaakt. Frontex zal binnenkort als eerste in de Europese geschiedenis 10.000 supranationale grensagenten aanwerven, met eigen uniformen en eigen vuurwapens. Bij terugkeeroperaties van migranten mogen die ook ingezet worden buiten de E.U. mits toestemming van de betrokken derde landen.

De grootste exporteurs van wapentuig naar conflicten in het Midden-Oosten, die miljoenen mensen op de vlucht drijven, zijn dezelfde bedrijven die de contracten krijgen om diezelfde  vluchtelingen aan onze grenzen tegen te houden”, aldus Mark Akkermans van de ngo Stop Wapenhandel.

Pushbacks

De machtstoename van Frontex lokt steeds luidere kritiek uit van mensenrechtenorganisaties, migratie-experts en… het Europees Parlement. Vorig jaar kwamen immers details aan het licht over verregaande Griekse pusbacks waarbij vluchtelingenbootjes worden teruggesleept naar Turkse wateren  en daar achtergelaten in drijvende tentjes. Frontex verzwijgt dit in zijn rapporten. Bovendien zouden in sommige gevallen zelfs boten van het agentschap betrokken geweest zijn. Alle internationale experts zien hierin een flagrante schending van het internationale recht. Olaf, de EU-fraudebestrijdingswaakhond, is binnengevallen in de kantoren  van Frontex-directeur Leggeri en zijn kabinetschef de la Haye Josselin in het kader van een onderzoek naar wanbeheer en intimidatie. Er werden ook interviews afgenomen met medewerkers over mogelijke pushbacks en doofpotoperaties. Leggeri zou zijn medewerkers herhaaldelijk gevraagd hebben “très discrète” te zijn in het rapporteren over pushbacks.

De aanwerving van veertig mensenrechtenofficieren die de Commissie heeft bevolen wordt door Leggeri actief tegengewerkt en laat al anderhalf jaar op zich wachten wegens “niet prioritair”. De Europese commissaris voor migratie, Ylva Johansson, heeft Leggeri op het matje geroepen in het Berlaymontgebouw. Ze is furieus over de gang van zaken en eist dat Frontex zijn zaakjes op orde stelt.

Klaus, de architect achter de migratiedeal tussen Turkije en de E.U. (2016), zegt dat op dit moment de schending van mensenrechten is geïnstitutionaliseerd . Pushbacks vinden plaats in Griekenland, Oostenrijk, Kroatië en Bulgarije.

De echte bazen

Ondanks de zware kritiek en alle onvrede is en blijft Leggeri nog altijd baas in het agentschap Frontex. Dat heeft alles te maken met de “constructiefout” van de grote gecentraliseerde Europese agentschappen. De Raad van Bestuur van Frontex bestaat vooral uit de directeurs van de nationale kust- en grenswachten van de lidstaten. In concreto zijn dat wat Frontex betreft de Italiaanse, Griekse en Kroatische grenswachten. Die kennen mekaar en laten betijen.

Frontex, een grensagentschap,  treedt meer en meer op als een breed Europees migratie-agentschap. We kunnen ons stilaan afvragen of Europa geen monster heeft gebaard.

Luc Van Impe

Onlangs las ik bij de ochtendkoffie en -humeur een onooglijk artikeltje in de Vooruit van 28.2.1889: ‘Het vredesverbond’. In Brussel werd in het kabinet van burgemeester Buls een vredesverbond opgericht.  […]

Maarten Van Rossem is een duizendpoot. We zien hem regelmatig in de kurkdroge Nederlandse editie van “De slimste mens” en hij lijkt daar niet direct de sympathiekste figuur. Die ambitie zal hij wellicht ook niet hebben want hij neemt geen blad voor de mond, nergens, ook niet in zijn geschriften.

Hij is bijzonder hoogleraar aan de universiteit van Utrecht maar bij het grote(re) publiek gekend en erkend  als de man die op een heel laconieke, aanstekelijke en bijwijlen luimige wijze zijn wetenschappelijke kennis duidelijk en toegankelijk kan overbrengen aan een ruim publiek.

De moderne geschiedenis van de V.S. passioneert hem. Hij schreef er een standaardwerk over dat hij recentelijk bijwerkte in een geactualiseerde versie.

In zijn boek(je) “Waarom is de burger boos ?” (2010) ontleedt Van Rossem een fenomeen dat mondiaal hoge toppen scheert: het populisme. Hij doet dit aan de hand van de drie Nederlandse populisten bij uitstek: Pim Fortuyn, Rita Verdonk en uiteraard Geert Wilders.

Ook wanneer we minder geïnteresseerd zouden zijn in de binnenlandse politiek van Nederland blijft het boekje interessant omdat de analyse van hun doen en laten tevens een leerrijke beschrijving oplevert van wat populisme nu eigenlijk is. Want hoewel er zo stilaan bibliotheken kunnen gevuld worden met werken over populisme en wij er om de haverklap mee geconfronteerd worden in dagbladen, tijdschriften en programma’s op TV is en blijft een bondige, bevattelijke maar stevig onderbouwde analyse aan de hand van concrete personen en gebeurtenissen een leerrijke opsteker.

Reeds in de inleiding verwoordt hij onverbloemd zijn mening over populisten en populisme.

Hij constateert dat het populisme na de dood van Pim Fortuyn en de ondergang van zijn partij niet, zoals  verwacht, verdween of marginaliseerde maar dat met Rita Verdonk en Geert Wilders het populistische kiezerspotentieel niet kleiner is geworden. Voor Van Rossem is dit verbazingwekkend gezien de “baarlijke nonsens die zij uitkramen”. “Wilders excelleert vooral handig geformuleerde borreltafelpolitiek” en “de enorme attractie van deze politieke kermisgasten is dus verrassend stabiel”. Met de kernboodschap van de populisten, de zogenaamde “islamisering van Nederland en de rest van Europa” rekent hij in één woord genadeloos af: die islamisering is gewoon niet-bestaand!

Hij besluit zijn inleiding met de stelling dat populistische partijen brede protestpartijen zijn waarbij de overheid, het politieke systeem en de maatschappelijke elite het doelwit vormen .

Historische achtergrond

De auteur onderscheidt twee periodes in het naoorlogse Europa. In de eerste periode (1945-1975)  herstelt het geruïneerde en armoedige Europa zich en komt tot ongekende welvaart: niet alleen consumptiegoederen (radio, TV, wasmachines, auto’s . . . ) maar ook   onderwijs en een uitgebreide sociale bescherming bereiken op aansturen van de overheid brede lagen van de bevolking.  Volledige werkgelegenheid en een stabiele economische groei waren de noodzakelijke voorwaarden om die in stand te houden. De Engelse econoom Keynes verdedigde de mogelijkheden van een macro-economische  sturing door de overheid. De verzorgingsstaat was een feit. De sterke economische groei gecombineerd met een minimale  bevolkingsgroei in de voorafgaande decade (1935- 1945) zorgden al gauw voor tekorten op de arbeidsmarkt. De oplossing: arbeidskrachten aantrekken uit landen met een arbeidsreserve.

In de tweede periode (1975-2008) doet het neo-liberalisme zijn intrede. Thatcher en Reagan zijn de invloedrijke woordvoerders van de nieuwe beleidsconcensus. De recepten zijn genoegzaam gekend: privatisering van overheidsbedrijven en deregulering van het fiscaal-economische verkeer. Dat alles ten voordele van een onbelemmerde vrije markt.

De kern van het populisme

Populisme is onlosmakelijk verbonden met de democratie”. Dat is het kernbetoog van Van Rossem.

De democratie, aldus de auteur, functioneert op basis van macht van het soevereine volk, voor het soevereine volk maar NIET door het soevereine volk. De vertegenwoordigende democratie kent complexe instituties: de rechtsstaat met zijn bicamerale parlement en zijn politie partijen. Net die instituties geven de burger vaak het gevoel dat hij eigenlijk weinig in de pap te brokken heeft en dat hij uiteindelijk een buitenstaander blijft in een systeem dat hijzelf via vierjaarlijkse verkiezingen legitimeert.

Een deel van die burgers laat zich verleiden door de sirenenzang van populisten die aan de burger beloven dat hij echt aan de macht zal komen als zij het voor het zeggen hebben. Die boodschap brengen zij op een specifieke manier, namelijk met verbale provocatie, een aansprekend politiek theater en een fervent anti-intellectualisme (anti-elite).

Populistische bewegingen

Van Rossem onderscheidt op het einde van de eerste periode (de verzorgingsstaat – 1945/1945)  een links socialistische en een links liberale variant van het populisme.

De socialistische variant stelt dat de arbeidersklasse staat voor het ganse volk en dat zij werd afgekocht met televisietoestellen en auto’s maar verstoken bleef van de productiemiddelen. Alleen een revolutie kon zorgen voor een echte democratie.

Voor een goed begrip van de liberale variant moeten we naar Denemarken en meer bepaald naar Mogens Glistrup die in 1972 opriep tot een belastingsrevolte. Hiermee viseerde hij de middenklasse die steeds meer het gevoel kreeg een onevenredig hoge belastingsbijdrage te leveren. In feite was dit een regelrechte aanval op de verzorgingsstaat.

Zijn geestelijke opvolgster, Kjaersgaard, pleit voor een drastische beperking van de immigratie, in het bijzonder van moslims.

De structuur van het populisme

Het volk is een werkelijk bestaand en levend organisme, één en ondeelbaar. Het is soeverein, homogeen en deugdzaam. En exclusief: wie niet deelt in de historische bepaalde cultuur en levenswijze (identiteit) behoort tot de ‘anderen’.

Tegenover dat volk staat de elite, die er op uit is het volk te manipuleren en uit te buiten.

Het land moet volgens de populisten teruggegeven worden aan het volk. Dat noemt Van Rossem een zonderling voornemen omdat het impliceert dat het land ooit daadwerkelijk aan het volk zou hebben toebehoord.

Leider en beweging zijn op natuurlijke wijze één met hun volk. De leider weet wat het volk wil en is vaak een charismatisch figuur. De parlementaire democratie deugt niet en de politieke partijen zijn de ergste uitwas ervan. De partijen zijn het instrument waarmee de elites het volk naar hun hand zetten. De overheden zijn van hoog tot laag corrupt en incompetent. Ambtenaren doen nooit iets goed en zijn in overtal; een deel van hen dient ontslagen te worden. (cfr. Le Pen in Frankrijk)

De rol van de media

Het succes van de populisten wordt volgens Van Rossem in hoge mate bevorderd door de media, en door de televisie in het bijzonder; de media-logica valt immers deels samen met de populistische logica. Ook de media-logica vraagt  theater, drama en alles wat de dagelijkse routine overstijgt en de lezer/kijker emotioneert.

De populistische leiders zijn meesters in het bespelen van die media; hun kenmerkende stijl geeft precies waar media om vragen: verbale provocatie, schaamteloze overdrijvingen, goed georganiseerde pseudo-gebeurtenissen en politiek theater. De essentie van politiek op TV is (te vaak) het conflict tussen de politici. Een ander kenmerk van de media-logica dat naadloos aansluit bij de populistische logica: goed nieuws is geen nieuws.

Het immigratieprobleem

In de tachtiger jaren gaan de traditionele partijen het neo-liberalisme steeds meer omarmen.

Ze starten met omvangrijke privatiseringen en sanering van de verzorgingsstaat en hopen op die manier de wind uit de zeilen van de populisten te halen. Maar die koortsachtige neiging om overal bedrijfsmatig te gaan werken creëerde nieuwe onzekerheden en zo werden sommige populisten plots pleitbezorgers van de verzorgingsstaat en critici van de beleidsvisie van de liberalen, althans voor zover het neo-liberalisme angst of ongerustheid zou kunnen oproepen bij (een deel van) het electoraat. Van plat opportunisme gesproken!

Met het immigratieprobleem scoren ze dubbel: ze onderscheiden zich opnieuw van de ’traditionele partijen’ en ze hebben meteen een nieuw mobilisatie-issue, een thema om nieuwe kiezers te verleiden.

Pim Fortuyn

… etaleert zijn opvattingen in een boekje met als titel: ‘Tegen de islamisering van onze cultuur. Nederlandse identiteit als fundament.‘ (Utrecht, 1977).  Fortuyn stelt het cultuurrelativisme van de Nederlanders aan de kaak: “Wij Nederlanders zijn niet meer geïnteresseerd in ons erfgoed. We weten niets over onze culturele identiteit.” Hij plaatst vervolgens de traditionele Nederlandse cultuur, namelijk  de joods-christelijke humanistische cultuur tegenover de fundamentalistische islam en voorspelt de ondergang van die Nederlandse cultuur ten gevolge van de desinteresse van de Nederlanders.

Niet alleen de Nederlandse maar de hele Westerse cultuur zal verloren gaan.

Dit is voor Van Rossem de wereld op zijn kop en wel om twee redenen:

  1. Moslims zijn en blijven een kleine minderheid, bovendien sociaal en economisch zwak en ook nog eens gediscrimineerd. Hoe zou die minderheid de hele westerse cultuur van de overgrote meerderheid van de bevolking succesvol te lijf kunnen gaan? Dit is de wereld op zijn kop want het is de westerse cultuur die naar het gevoel van veel moslims de islam bedreigt.
  2. De islamofoben komen telkens opnieuw met dezelfde begrippen aandraven: westers cultuurrelativisme en de rampzalige multiculturele samenleving terwijl net andersom de overgrote meerderheid van de westerlingen overtuigd is van de vanzelfsprekende superioriteit van de eigen cultuur.

Verder constateert Van Rossem dat bijna alle aspecten van het Islamitische geloof die Fortuyn zo weerzinwekkend vindt essentiële onderdelen waren van de christelijke praktijk: discriminatie van homo’s, ondergeschikte positie van de vrouw. Van Rossem vat samen: “Het paranoïde beeld van de veronderstelde islamisering bevindt zich buiten de grenzen van de werkelijkheid.”

Besluit

Ook de analyse van het politieke reilen en zeilen van Rita Verdonk en Geert Wilders is bijzonder leerrijk al is het maar om de gelijkenissen met onze eigen Belgische politiek te ontdekken.

En zoals de traditionele partijen destijds het neo-liberalisme meer en meer omarmden zouden zij nu wel eens dezelfde fout kunnen maken met het achternahollen van de populisten in de immigratieproblematiek.

Luc Van Impe

De geschiedenis heeft ons weinig namen nagelaten van socialistische pioniers die zelf werkten als arbeider. In Geraardsbergen kennen we wel de naam van zo iemand: Bellarminus Van Der Bruggen. Ik poog nu een schets over zijn leven te geven.

Schoenmaker Joannes Van Der Bruggen (°1796) en wasvrouw/strijkster Joanna Pletincks (°1802) begroeten hun eerste kindje in 1842: Maria Theresia. Op 5.8.1825 komt er een broertje: Bellarminus. Augustinus ziet op zijn beurt het levenslicht in 1829. Het gezin Van Der Bruggen woont in Geraardsbergen, een stad met circa 6000 inwoners waarvan veel ambachtslui, veel kleine straatjes en schrijnende armoede.

De kinderen zijn nog piepjong als Geraardsbergen een woelige periode kent met de Belgische revolutie van 1830. De Geraardsbergenaars hopen op een beter leven met de onafhankelijkheid maar mogen al blij zijn dat ze van de daaropvolgende oorlog met Nederland gespaard blijven. Kort daarop wordt het gezin Van Der Bruggen zwaar getroffen: in 1833 overlijdt moeder Joanna. Vader Joannes moet met de drie kinderen zien te overleven.

Joannes hertrouwt met Adelais Vienvalet (°1801), Petrus Van Der Bruggen (°1836) wordt uit dit huwelijk geboren. Het gezin bestaat nu uit vijf personen. Bellarminus moet als oudste jongen al vlug gaan werken om zijn bijdrage te leveren aan het gezinsinkomen. Volgens Abraham Ruiz start hij zijn beroepsloopbaan in een ‘stekskesfabriek’. Zeker is dat niet gezien de eerste stekskesfabriek (Mertens) in Geraardsbergen pas opent in 1843 en de eerste in Lessen in 1835. Mogelijks werkt hij bij zijn vader of in een andere sector. Wat we wel met zekerheid weten is dat geen enkele sector zoveel kinderarbeid kende als de lucifernijverheid.

In de tweede helft van de jaren 40 wordt ook Geraardsbergen getroffen door hongersnood ten gevolge van mislukte graan- en aardappeloogsten, vervolgens krijgen de inwoners ook nog eens een choleraepidemie over zich..

Bellarminus en zijn gezin
Bellarminus trouwt in 1856 met Catharina Van Damme (°25.11.1833). Mevrouw Van Der Bruggen is één van de 1800 kantwerksters in Geraardsbergen. Ze verdient zo een 50 centiemen per dag terwijl mijnheer tussen 1 en 1,5 frank per dag verdient. Met dat geld kan men dagelijks één brood en enkele patatten kopen. Een stuk spek of kaas of een beetje melk zijn een luxe die men zich af en toe eens kan permitteren. Ter illustratie: in 1847 kost een roggebrood 34 cent, een kilo aardappelen kost 13 cent.

In 1864 verwelkomt het gezin de eerste nakomeling: Rachel Van der Bruggen, in de archieven wordt ze later ‘huishoudster’ genoemd. Twee jaar nadien kan het gezin een tweede dochter begroeten; Maria Prudentia Van der Bruggen, zij wordt ‘dagloonster’, wat wil zeggen dat ze iedere dag moet afwachten of ze aangenomen wordt.

Vermoedelijk milliteert Bellarminus reeds in de eerste internationale in Geraardsbergen, er zijn echter geen ledenlijsten bewaard zodat we dat niet 100% zeker kunnen weten.

Bellarminus is actief in (of zelfs medestichter van) de werkersbond, opgericht in 1877. De werkersbond – die toen trouwens illegaal was – wordt in 1877 lid van de Vlaamse Socialistische Arbeidspartij, de eerste socialistische partij in België.

Op aansturen van de Antwerpse socialist Goetschalck en de Gentenaar Edward Anseele richt Bellarminus samen met anderen in 1880 een ‘Maatschappij van onderlinge bijstand’ op. In tegenstelling tot de werkersbond is dit een legaal initiatief conform de wet op ‘De maatschappijen van onderlingen bijstand’ van 1851. Deze maatschappijen steunen zieke leden financieel. Leden betalen wekelijks een kwartje, in Geraardsbergen zijn sommigen zo arm dat ze deze minimale bijdrage niet kunnen betalen.

Socialistische maatschappijen voegen er in hun statuten aan toe dat ook stakers financieel gesteund kunnen worden, zodat deze maatschappij de facto ook een vakbond is. In Geraardsbergen rekruteert de bond vooral bij sigarenmakers en groeit vlug. Na een lange staking van sigarenarbeiders komt de bond sterk verzwakt uit de strijd. Bellarminus zelf is ondertussen 55 jaar en werkt nog altijd in de lucifernijverheid. Hij is één van de weinigen die thuis werkt, thuiswerk is een efficiënte strategie van de werkgevers om te vermijden dat iemand zijn collega’s ‘opstookt’. Bellarminus werkt vooral als snijder: het met een mes vanuit rollen afgerold hout lucifers snijden.

1885 is een belangrijk jaar voor het socialisme in België, in ‘De Zwaan’ op de Brusselse Grote Markt stichten 112 vertegenwoordigers van plaatselijke groepen de ‘Belgische Werkliedenpartij’ (BWP) Geraardsbergen wordt waarschijnlijk vertegenwoordigd door Bellarminus, Karel Lodewijk Spitaels en Joseph Clerebaut. (dixit Gaston Imbo).

Bellarminus werkt nu actief mee aan het op poten zetten van de Geraardsbergse afdeling van de BWP. Die afdeling wordt in 1886 formeel opgericht samen met Karel Lodewijk Spitaels, Jan De Froy en Isidoor De Moor. De laatste twee zijn kopstukken van de sigarenmakersbond.

Op 15 augustus 1886 organiseert de jonge BWP een nationale betoging in Brussel voor het ‘algemeen stemrecht’ (AS). De BWP legt vanuit Geraardsbergen een trein in naar de betoging. Hij is ‘stampvol gevuld met betogers van Geraardsbergen en randgemeenten’.

Bij de aankomst wordt Bellarminus op de schouders getild door arbeiders die geestdriftig een rondedansje met hem doen. De gedisciplineerde betoging eindigt in het park van Sint Gillis waar de ‘Eed van Sint Gillis’ gezworen wordt: ‘Zonder onderbreking of rust, te vechten totdat de dag is aangebroken waarop door de instelling van het algemeen stemrecht het volk werkelijk een vaderland zal hebben veroverd’.

Begin 1886 komt de situatie in de lucifersfabrieken ter sprake op een meeting in ‘De Gouden Leeuw’ op het Stationsplein. Daarop volgt een artikel in de Vooruit : ‘Er is geene stad waar de werkman meer te lijden heeft als hier. In de fosfoorfabrieken kan het niet erger gaan met de uitbuiterskliek’ (Vooruit 11.1.1886). Bellarminus speelt zeker een rol bij het in de aandacht brengen van de problemen van de luciferarbeiders. De toestanden zijn dan ook vreselijk.

Enkele voorbeelden van ontoelaatbare werkomstandigheden in de luciferfabrieken:
Het loon bedraagt 1 tot 1,5 fr per dag (in de koolmijnen betaalt men 3 fr per dag); kinderarbeid vanaf 7 jaar; uitermate ongezond werk; arbeiders worden verplicht om brood, meubelen, afgedragen kledij van bazen te kopen; de kruideniersprijzen liggen hoger dan in de andere winkels, het loon wordt te laat uitbetaald; arbeiders kunnen goederen kopen op krediet, waardoor ze helemaal afhankelijk worden van de fabriekseigenaar.

In april 1886 komt een regeringscommissie op bezoek. Ze vergadert op het stadhuis, naast de commissieleden zijn ook de arts Edmond Brocorens, enkele fabrikanten en vier arbeiders aanwezig. Brocorens getuigt dat de arbeiders last hebben van ‘Beenbreuken als gevolg van langzame maar onafgebroken vergiftiging’.

Die ziekte wordt veroorzaakt door de fosfordampen (fosforwaterstof) die vrij komen bij de productie van lucifers. Hij noemt die ziekte koudvuur. ‘De dood is gewoonlijk een gevolg van hersenontsteking, of van stuipen, waarschijnlijk veroorzaakt door een uitbreiding van het koudvuur tot de beenderen van het onderdeel van de schedel.’ Na het bezoek worden de productiemethodes aangepast en worden er meer en meer ‘veiligheidslucifers’ gemaakt. Het duurt echter jaren vooraleer alle fabrikanten overgeschakeld zijn. In 1905 is er nog een staking in ‘La Suedoise’ als de fabrikant de werknemers verplicht de tanden te laten trekken.

In 1893 is Bellarminus medestichter van de ‘Fosfoorbewerkersbond’, een afsplitsing van de werkliedenbond. Die bond wordt de drijvende kracht achter de strijd voor de verbetering van de werkomstandigheden van de arbeiders, de arbeidsters en de talrijke kinderen in de lucifersnijverheid. In datzelfde jaar breken er stakingen uit in de luciferfabrieken.

In 1894 besluit de propagandaclub van Geraardsbergen (het bestuur van de BWP dus) tot het (her)oprichten van een ‘Gemengde weerstandskas’, een voorloper van de ziekenkas ‘Bond Moyson’. Bellarminus wordt op 25.2.1894 verkozen tot de eerste voorzitter.

Onder het gedreven voorzitterschap van Bellarminus groeit de maatschappij vlug. Binnen de kortste keren worden honderden nieuwe leden verwelkomt die een bijdrage betalen, maar er zijn ook veel steunvragen bij ziekte (en zoals reeds gezegd zijn er vooral bij de luciferarbeiders zeer ernstige gezondheidsproblemen). De weerstandskas opereert onder de naam ‘Helper en Trooster’ en ervaart daardoor een toenemende financiële druk.

In 1895 haalt het kartel ‘Democratisch verbond der verenigde liberalen en werklieden’ de absolute meerderheid in het stadsbestuur. Dat lijkt een goed moment om bij monde van het socialistisch raadslid Vital De Clercq. steun te vragen voor ‘Helper en trooster’. Die steun komt er niet, zelfs de kartelpartner stemt tegen omdat H&T niet erkend is door de nationale overheid. Op 30.12.1900 stopt Bellarminus als voorzitter van ‘Helper en trooster’. Hij is dan 75 en wordt erevoorzitter. Alfons De Moyer volgt hem op als voorzitter.

Reeds begin de jaren 90 organiseert de socialistische beweging meetings in het Hollands Koffiehuis in de Visstraat. Dat wordt echter te klein en de snel groeiende beweging koopt een gebouw op de Zakkaai. Dat gebouw wordt omgevormd tot volkshuis en als zodanig in gebruik genomen in 1895.

Bellarminus is bijzonder gelukkig bij de inhuldiging, en met ogen die straalden van hoop en blijdschap hoorden wij hem verklaren: “Nu mogen wij gerust zijn, en zullen wij niet meer verplicht zijn te vergaderen in verdoken hoeken en kanten om aan onze vervolgers te ontsnappen zoals wij het vroeger hebben beleefd”.

Bellarminus wordt lid van alle mogelijke geledingen die de socialistische beweging opricht. Zo werkt hij ook mee met ‘De studiekring en sprekersschool’. Kort na de oprichting van de ‘Vrijdenkersbond’ geeft hij op 8 september 1898 een lezing over ‘Godsdienst en socialisme’. Dat is een delicaat onderwerp daar de geestelijken een kruistocht houden tegen het socialisme. Alle middelen zijn goed: dreigen om kinderen hun communie niet te laten doen, een uitzicht op de hel bieden, ontslag in het vooruitzicht stellen, het weigeren van een plaatsje op het kerkhof. De meeste arbeiders zijn katholiek opgevoed en worden op die manier in gewetensnood gebracht.

Op zondag 11 september debatteert hij er met Victor Cosijns (°1876 en militant van de Socialistische Jonge Wacht) over ‘Anarchisme en socialisme’. Een beetje klaarheid scheppen in de verschillende stromingen is in die periode zeer nuttig.
Bellarminus blijft tot op hoge leeftijd lid van verschillende geledingen van de BWP en woont zelfs nog de vergaderingen bij.

Bellarminus overlijdt op 5.6.1914. Zijn stoffelijk overschot wordt naar het graf begeleid door een grote menigte terwijl de fanfare ‘De Verbroedering’ de internationale en treurmarsen speelt.

Guillaume De Nauw (°1880 en toekomstig burgemeester van Geraardsbergen) spreekt de grafrede uit. De geschiedenis van de BWP in Geraardsbergen loopt samen met het leven van B.’ Hij werd beschimpt en gebroodroofd maar wist desondanks mensen op te beuren na een tegenslag. Hij leefde een leven van strijd en opoffering en had niets dan vrienden’.

Bellarminus heeft een steen verlegd in de Dender, en die steen heeft een rimpeling veroorzaakt.

Wim Thienpont

Bronnen:

  • De Chou, Freddy; De rode burcht; 2018
  • Godfroid, Stepha; Surdiacourt, Dirk; Lucifersbedrijven te Geraardsbergen, 1983
  • Imbo, Gaston; Richard Clerebaut, een pionier van het socialisme te Geraardsbergen, artikelenreeks in ‘De Heemschutter’.
  • Ruiz, Abraham; Geraardsbergen en de ontvoogdingsstrijd van de werkende klasse, 1981
  • Ruiz, Abraham; Geraardsbergen op de drempel van de 20e eeuw, 1976
  • Walraet, Lucien; 90 jaar cooperatieve werking in Geraardsbergen en Ninove, 1991
  • Archief Gerardimontium
  • AMSAB
  • Wikipedia